TORAH

Numeri 8

בְּמִדְבַּר
Hoofdstukken (36)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יְדַבֵּ֥ר יְהוָ֖ה אֶל מֹשֶׁ֥ה לֵּ/אמֹֽר
STATEN

En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

2
דַּבֵּר֙ אֶֽל אַהֲרֹ֔ן וְ/אָמַרְתָּ֖ אֵלָ֑י/ו בְּ/הַעֲלֹֽתְ/ךָ֙ אֶת הַ/נֵּרֹ֔ת אֶל מוּל֙ פְּנֵ֣י הַ/מְּנוֹרָ֔ה יָאִ֖ירוּ שִׁבְעַ֥ת הַ/נֵּרֽוֹת
STATEN

Spreek tot Aäron, en zeg tot hem: Als gij de lampen aansteken zult, recht tegenover den kandelaar zullen de zeven lampen lichten.

3
וַ/יַּ֤עַשׂ כֵּן֙ אַהֲרֹ֔ן אֶל מוּל֙ פְּנֵ֣י הַ/מְּנוֹרָ֔ה הֶעֱלָ֖ה נֵרֹתֶ֑י/הָ כַּֽ/אֲשֶׁ֛ר צִוָּ֥ה יְהוָ֖ה אֶת מֹשֶֽׁה
STATEN

En Aäron deed alzo: tegenover vooraan den kandelaar stak hij deszelfs lampen aan; gelijk als de HEERE Mozes geboden had.

4
וְ/זֶ֨ה מַעֲשֵׂ֤ה הַ/מְּנֹרָה֙ מִקְשָׁ֣ה זָהָ֔ב עַד יְרֵכָ֥/הּ עַד פִּרְחָ֖/הּ מִקְשָׁ֣ה הִ֑וא כַּ/מַּרְאֶ֗ה אֲשֶׁ֨ר הֶרְאָ֤ה יְהוָה֙ אֶת מֹשֶׁ֔ה כֵּ֥ן עָשָׂ֖ה אֶת הַ/מְּנֹרָֽה
STATEN

Dit werk nu des kandelaars was van dicht goud, tot zijn schacht, tot zijn bloemen was het dicht; naar de gedaante, die de HEERE Mozes vertoond had, alzo had hij den kandelaar gemaakt.

5
וַ/יְדַבֵּ֥ר יְהוָ֖ה אֶל מֹשֶׁ֥ה לֵּ/אמֹֽר
STATEN

En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

6
קַ֚ח אֶת הַ/לְוִיִּ֔ם מִ/תּ֖וֹךְ בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל וְ/טִהַרְתָּ֖ אֹתָֽ/ם
STATEN

Neem de Levieten uit het midden van de kinderen Israëls, en reinig hen.

7
וְ/כֹֽה תַעֲשֶׂ֤ה לָ/הֶם֙ לְ/טַֽהֲרָ֔/ם הַזֵּ֥ה עֲלֵי/הֶ֖ם מֵ֣י חַטָּ֑את וְ/הֶעֱבִ֤ירוּ תַ֨עַר֙ עַל כָּל בְּשָׂרָ֔/ם וְ/כִבְּס֥וּ בִגְדֵי/הֶ֖ם וְ/הִטֶּהָֽרוּ
STATEN

En aldus zult gij hun doen, om hen te reinigen: spreng op hen water der ontzondiging; en zij zullen het scheermes over hun ganse vlees doen gaan, en zij zullen hun klederen wassen, en zich reinigen.

8
וְ/לָֽקְחוּ֙ פַּ֣ר בֶּן בָּקָ֔ר וּ/מִנְחָת֔/וֹ סֹ֖לֶת בְּלוּלָ֣ה בַ/שָּׁ֑מֶן וּ/פַר שֵׁנִ֥י בֶן בָּקָ֖ר תִּקַּ֥ח לְ/חַטָּֽאת
STATEN

Daarna zullen zij nemen een var, een jong rund, met zijn spijsoffer van meelbloem, met olie gemengd; en een anderen var, een jong rund, zult gij nemen ten zondoffer.

9
וְ/הִקְרַבְתָּ֙ אֶת הַ/לְוִיִּ֔ם לִ/פְנֵ֖י אֹ֣הֶל מוֹעֵ֑ד וְ/הִ֨קְהַלְתָּ֔ אֶֽת כָּל עֲדַ֖ת בְּנֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

En gij zult de Levieten voor de tent der samenkomst doen naderen; en gij zult de gehele vergadering der kinderen Israëls doen verzamelen.

10
וְ/הִקְרַבְתָּ֥ אֶת הַ/לְוִיִּ֖ם לִ/פְנֵ֣י יְהוָ֑ה וְ/סָמְכ֧וּ בְנֵי יִשְׂרָאֵ֛ל אֶת יְדֵי/הֶ֖ם עַל הַ/לְוִיִּֽם
STATEN

Ja, gij zult de Levieten voor het aangezicht des HEEREN doen naderen; en de kinderen Israëls zullen hun handen op de Levieten leggen.

11
וְ/הֵנִיף֩ אַהֲרֹ֨ן אֶת הַ/לְוִיִּ֤ם תְּנוּפָה֙ לִ/פְנֵ֣י יְהוָ֔ה מֵ/אֵ֖ת בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל וְ/הָי֕וּ לַ/עֲבֹ֖ד אֶת עֲבֹדַ֥ת יְהוָֽה
STATEN

En Aäron zal de Levieten bewegen ten beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN, vanwege de kinderen Israëls; opdat zij zijn, om den dienst des HEEREN te bedienen.

12
וְ/הַ/לְוִיִּם֙ יִסְמְכ֣וּ אֶת יְדֵי/הֶ֔ם עַ֖ל רֹ֣אשׁ הַ/פָּרִ֑ים וַ֠/עֲשֵׂה אֶת הָ/אֶחָ֨ד חַטָּ֜את וְ/אֶת הָ/אֶחָ֤ד עֹלָה֙ לַֽ/יהוָ֔ה לְ/כַפֵּ֖ר עַל הַ/לְוִיִּֽם
STATEN

En de Levieten zullen hun handen op het hoofd der varren leggen; daarna bereidt gij een ten zondoffer, en een ten brandoffer den HEERE, om over de Levieten verzoening te doen.

13
וְ/הַֽעֲמַדְתָּ֙ אֶת הַ/לְוִיִּ֔ם לִ/פְנֵ֥י אַהֲרֹ֖ן וְ/לִ/פְנֵ֣י בָנָ֑י/ו וְ/הֵנַפְתָּ֥ אֹתָ֛/ם תְּנוּפָ֖ה לַֽ/יהוָֽה
STATEN

En gij zult de Levieten stellen voor het aangezicht van Aäron, en voor het aangezicht van zijn zonen, en gij zult hen bewegen ten beweegoffer den HEERE.

14
וְ/הִבְדַּלְתָּ֙ אֶת הַ/לְוִיִּ֔ם מִ/תּ֖וֹךְ בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל וְ/הָ֥יוּ לִ֖/י הַ/לְוִיִּֽם
STATEN

En gij zult de Levieten uit het midden van de kinderen Israëls uitscheiden, opdat de Levieten Mijn zijn.

15
וְ/אַֽחֲרֵי כֵן֙ יָבֹ֣אוּ הַ/לְוִיִּ֔ם לַ/עֲבֹ֖ד אֶת אֹ֣הֶל מוֹעֵ֑ד וְ/טִֽהַרְתָּ֣ אֹתָ֔/ם וְ/הֵנַפְתָּ֥ אֹתָ֖/ם תְּנוּפָֽה
STATEN

En daarna zullen de Levieten inkomen, om de tent der samenkomst te bedienen; en gij zult hen reinigen, en zult hen ten beweegoffer bewegen.

16
כִּי֩ נְתֻנִ֨ים נְתֻנִ֥ים הֵ֨מָּה֙ לִ֔/י מִ/תּ֖וֹךְ בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל תַּחַת֩ פִּטְרַ֨ת כָּל רֶ֜חֶם בְּכ֥וֹר כֹּל֙ מִ/בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל לָקַ֥חְתִּי אֹתָ֖/ם לִֽ/י
STATEN

Want zij zijn gegeven, zij zijn Mij gegeven uit het midden van de kinderen Israëls; voor de opening van alle baarmoeder, voor de eerstgeborenen van een ieder uit de kinderen Israëls, heb Ik ze Mij genomen.

17
כִּ֣י לִ֤/י כָל בְּכוֹר֙ בִּ/בְנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל בָּ/אָדָ֖ם וּ/בַ/בְּהֵמָ֑ה בְּ/י֗וֹם הַכֹּתִ֤/י כָל בְּכוֹר֙ בְּ/אֶ֣רֶץ מִצְרַ֔יִם הִקְדַּ֥שְׁתִּי אֹתָ֖/ם לִֽ/י
STATEN

Want alle eerstgeborene onder de kinderen Israëls is Mijn, onder de mensen en onder de beesten; ten dage dat Ik alle eerstgeboorte in Egypteland sloeg, heb Ik dezelve Mij geheiligd.

18
וָ/אֶקַּח֙ אֶת הַ/לְוִיִּ֔ם תַּ֥חַת כָּל בְּכ֖וֹר בִּ/בְנֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

En Ik heb de Levieten genomen voor alle eerstgeborenen onder de kinderen Israëls.

19
וָ/אֶתְּנָ֨/ה אֶת הַ/לְוִיִּ֜ם נְתֻנִ֣ים לְ/אַהֲרֹ֣ן וּ/לְ/בָנָ֗י/ו מִ/תּוֹךְ֮ בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵל֒ לַ/עֲבֹ֞ד אֶת עֲבֹדַ֤ת בְּנֵֽי יִשְׂרָאֵל֙ בְּ/אֹ֣הֶל מוֹעֵ֔ד וּ/לְ/כַפֵּ֖ר עַל בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל וְ/לֹ֨א יִהְיֶ֜ה בִּ/בְנֵ֤י יִשְׂרָאֵל֙ נֶ֔גֶף בְּ/גֶ֥שֶׁת בְּנֵֽי יִשְׂרָאֵ֖ל אֶל הַ/קֹּֽדֶשׁ
STATEN

En Ik heb de Levieten aan Aäron en aan zijn zonen tot een gift gegeven, uit het midden van de kinderen Israëls, om den dienst van de kinderen Israëls in de tent der samenkomst te bedienen, en om voor de kinderen Israëls verzoening te doen, dat er geen plage zij onder de kinderen Israëls, als de kinderen Israëls tot het heiligdom naderen zouden.

20
וַ/יַּ֨עַשׂ מֹשֶׁ֧ה וְ/אַהֲרֹ֛ן וְ/כָל עֲדַ֥ת בְּנֵי יִשְׂרָאֵ֖ל לַ/לְוִיִּ֑ם כְּ֠/כֹל אֲשֶׁר צִוָּ֨ה יְהוָ֤ה אֶת מֹשֶׁה֙ לַ/לְוִיִּ֔ם כֵּן עָשׂ֥וּ לָ/הֶ֖ם בְּנֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

En Mozes deed, en Aäron, en de ganse vergadering der kinderen Israëls, aan de Levieten, naar alles, wat de HEERE Mozes geboden had van de Levieten, zo deden de kinderen Israëls aan hen.

21
וַ/יִּֽתְחַטְּא֣וּ הַ/לְוִיִּ֗ם וַֽ/יְכַבְּסוּ֙ בִּגְדֵי/הֶ֔ם וַ/יָּ֨נֶף אַהֲרֹ֥ן אֹתָ֛/ם תְּנוּפָ֖ה לִ/פְנֵ֣י יְהוָ֑ה וַ/יְכַפֵּ֧ר עֲלֵי/הֶ֛ם אַהֲרֹ֖ן לְ/טַהֲרָֽ/ם
STATEN

En de Levieten ontzondigden zich, en wiesen hun klederen, en Aäron bewoog hen ten beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN; en Aäron deed verzoening over hen, om hen te reinigen.

22
וְ/אַחֲרֵי כֵ֞ן בָּ֣אוּ הַ/לְוִיִּ֗ם לַ/עֲבֹ֤ד אֶת עֲבֹֽדָתָ/ם֙ בְּ/אֹ֣הֶל מוֹעֵ֔ד לִ/פְנֵ֥י אַהֲרֹ֖ן וְ/לִ/פְנֵ֣י בָנָ֑י/ו כַּ/אֲשֶׁר֩ צִוָּ֨ה יְהוָ֤ה אֶת מֹשֶׁה֙ עַל הַ/לְוִיִּ֔ם כֵּ֖ן עָשׂ֥וּ לָ/הֶֽם
STATEN

En daarna kwamen de Levieten, om hun dienst te bedienen in de tent der samenkomst, voor het aangezicht van Aäron, en voor het aangezicht zijner zonen; gelijk als de HEERE Mozes van de Levieten geboden had, alzo deden zij aan hen.

23
וַ/יְדַבֵּ֥ר יְהוָ֖ה אֶל מֹשֶׁ֥ה לֵּ/אמֹֽר
STATEN

En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

24
זֹ֖את אֲשֶׁ֣ר לַ/לְוִיִּ֑ם מִ/בֶּן֩ חָמֵ֨שׁ וְ/עֶשְׂרִ֤ים שָׁנָה֙ וָ/מַ֔עְלָ/ה יָבוֹא֙ לִ/צְבֹ֣א צָבָ֔א בַּ/עֲבֹדַ֖ת אֹ֥הֶל מוֹעֵֽד
STATEN

Dit is het, wat de Levieten aangaat: van vijf en twintig jaren oud en daarboven, zullen zij inkomen, om den strijd te strijden, in den dienst van de tent der samenkomst.

25
וּ/מִ/בֶּן֙ חֲמִשִּׁ֣ים שָׁנָ֔ה יָשׁ֖וּב מִ/צְּבָ֣א הָ/עֲבֹדָ֑ה וְ/לֹ֥א יַעֲבֹ֖ד עֽוֹד
STATEN

Maar van dat hij vijftig jaren oud is, zal hij van den strijd van dezen dienst afgaan, en hij zal niet meer dienen.

26
וְ/שֵׁרֵ֨ת אֶת אֶחָ֜י/ו בְּ/אֹ֤הֶל מוֹעֵד֙ לִ/שְׁמֹ֣ר מִשְׁמֶ֔רֶת וַ/עֲבֹדָ֖ה לֹ֣א יַעֲבֹ֑ד כָּ֛כָה תַּעֲשֶׂ֥ה לַ/לְוִיִּ֖ם בְּ/מִשְׁמְרֹתָֽ/ם
STATEN

Doch hij zal met zijn broederen dienen in de tent der samenkomst, om de wacht waar te nemen; maar den dienst zal hij niet bedienen. Alzo zult gij aan de Levieten doen in hun wachten.