TORAH

Numeri 24

בְּמִדְבַּר
Hoofdstukken (36)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יַּ֣רְא בִּלְעָ֗ם כִּ֣י ט֞וֹב בְּ/עֵינֵ֤י יְהוָה֙ לְ/בָרֵ֣ךְ אֶת יִשְׂרָאֵ֔ל וְ/לֹא הָלַ֥ךְ כְּ/פַֽעַם בְּ/פַ֖עַם לִ/קְרַ֣את נְחָשִׁ֑ים וַ/יָּ֥שֶׁת אֶל הַ/מִּדְבָּ֖ר פָּנָֽי/ו
STATEN

Toen Bíleam zag, dat het goed was in de ogen des HEEREN, dat hij Israël zegende, zo ging hij ditmaal niet heen, gelijk meermalen, tot de toverijen; maar hij stelde zijn aangezicht naar de woestijn.

2
וַ/יִּשָּׂ֨א בִלְעָ֜ם אֶת עֵינָ֗י/ו וַ/יַּרְא֙ אֶת יִשְׂרָאֵ֔ל שֹׁכֵ֖ן לִ/שְׁבָטָ֑י/ו וַ/תְּהִ֥י עָלָ֖י/ו ר֥וּחַ אֱלֹהִֽים
STATEN

Als Bíleam zijn ogen ophief, en Israël zag, wonende naar zijn stammen, zo was de Geest van God op hem.

3
וַ/יִּשָּׂ֥א מְשָׁל֖/וֹ וַ/יֹּאמַ֑ר נְאֻ֤ם בִּלְעָם֙ בְּנ֣/וֹ בְעֹ֔ר וּ/נְאֻ֥ם הַ/גֶּ֖בֶר שְׁתֻ֥ם הָ/עָֽיִן
STATEN

En hij hief zijn spreuk op, en zeide: Bíleam, de zoon van Beor, spreekt, en de man, wien de ogen geopend zijn, spreekt!

4
נְאֻ֕ם שֹׁמֵ֖עַ אִמְרֵי אֵ֑ל אֲשֶׁ֨ר מַחֲזֵ֤ה שַׁדַּי֙ יֶֽחֱזֶ֔ה נֹפֵ֖ל וּ/גְל֥וּי עֵינָֽיִם
STATEN

De hoorder der redenen Gods spreekt, die het gezicht des Almachtigen ziet; die verrukt wordt, en wien de ogen ontdekt worden!

5
מַה טֹּ֥בוּ אֹהָלֶ֖י/ךָ יַעֲקֹ֑ב מִשְׁכְּנֹתֶ֖י/ךָ יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Hoe goed zijn uw tenten, Jakob! uw woningen, Israël!

6
כִּ/נְחָלִ֣ים נִטָּ֔יוּ כְּ/גַנֹּ֖ת עֲלֵ֣י נָהָ֑ר כַּ/אֲהָלִים֙ נָטַ֣ע יְהוָ֔ה כַּ/אֲרָזִ֖ים עֲלֵי מָֽיִם
STATEN

Gelijk de beken breiden zij zich uit, als de hoven aan de rivieren; de HEERE heeft ze geplant, als de sandelbomen, als de cederbomen aan het water.

7
יִֽזַּל מַ֨יִם֙ מִ/דָּ֣לְיָ֔/ו וְ/זַרְע֖/וֹ בְּ/מַ֣יִם רַבִּ֑ים וְ/יָרֹ֤ם מֵֽ/אֲגַג֙ מַלְכּ֔/וֹ וְ/תִנַּשֵּׂ֖א מַלְכֻתֽ/וֹ
STATEN

Er zal water uit zijn emmeren vloeien, en zijn zaad zal in vele wateren zijn; en zijn koning zal boven Agag verheven worden, en zijn koninkrijk zal verhoogd worden.

8
אֵ֚ל מוֹצִיא֣/וֹ מִ/מִּצְרַ֔יִם כְּ/תוֹעֲפֹ֥ת רְאֵ֖ם ל֑/וֹ יֹאכַ֞ל גּוֹיִ֣ם צָרָ֗י/ו וְ/עַצְמֹתֵי/הֶ֛ם יְגָרֵ֖ם וְ/חִצָּ֥י/ו יִמְחָֽץ
STATEN

God heeft hem uit Egypte uitgevoerd; zijn krachten zijn als van een eenhoorn; hij zal de heidenen, zijn vijanden, verteren, en hun gebeente breken, en met zijn pijlen doorschieten.

9
כָּרַ֨ע שָׁכַ֧ב כַּ/אֲרִ֛י וּ/כְ/לָבִ֖יא מִ֣י יְקִימֶ֑/נּוּ מְבָרֲכֶ֣י/ךָ בָר֔וּךְ וְ/אֹרְרֶ֖י/ךָ אָרֽוּר
STATEN

Hij heeft zich gekromd, hij heeft zich nedergelegd, gelijk een leeuw, en als een oude leeuw; wie zal hem doen opstaan? Zo wie u zegent, die zij gezegend, en vervloekt zij, wie u vervloekt!

10
וַ/יִּֽחַר אַ֤ף בָּלָק֙ אֶל בִּלְעָ֔ם וַ/יִּסְפֹּ֖ק אֶת כַּפָּ֑י/ו וַ/יֹּ֨אמֶר בָּלָ֜ק אֶל בִּלְעָ֗ם לָ/קֹ֤ב אֹֽיְבַ/י֙ קְרָאתִ֔י/ךָ וְ/הִנֵּה֙ בֵּרַ֣כְתָּ בָרֵ֔ךְ זֶ֖ה שָׁלֹ֥שׁ פְּעָמִֽים
STATEN

Toen ontstak de toorn van Balak tegen Bíleam, en hij sloeg zijn handen samen; en Balak zeide tot Bíleam: Ik heb u geroepen, om mijn vijanden te vloeken; maar zie, gij hebt hen nu driemaal gedurig gezegend!

11
וְ/עַתָּ֖ה בְּרַח לְ/ךָ֣ אֶל מְקוֹמֶ֑/ךָ אָמַ֨רְתִּי֙ כַּבֵּ֣ד אֲכַבֶּדְ/ךָ֔ וְ/הִנֵּ֛ה מְנָעֲ/ךָ֥ יְהוָ֖ה מִ/כָּבֽוֹד
STATEN

En nu, pak u weg naar uw plaats! Ik had gezegd, dat ik u hoog vereren zou; maar zie, de HEERE heeft die eer van u geweerd!

12
וַ/יֹּ֥אמֶר בִּלְעָ֖ם אֶל בָּלָ֑ק הֲ/לֹ֗א גַּ֧ם אֶל מַלְאָכֶ֛י/ךָ אֲשֶׁר שָׁלַ֥חְתָּ אֵלַ֖/י דִּבַּ֥רְתִּי לֵ/אמֹֽר
STATEN

Toen zeide Bíleam tot Balak: Heb ik ook niet tot uw boden, die gij tot mij gezonden hebt, gesproken, zeggende:

13
אִם יִתֶּן לִ֨/י בָלָ֜ק מְלֹ֣א בֵית/וֹ֮ כֶּ֣סֶף וְ/זָהָב֒ לֹ֣א אוּכַ֗ל לַ/עֲבֹר֙ אֶת פִּ֣י יְהוָ֔ה לַ/עֲשׂ֥וֹת טוֹבָ֛ה א֥וֹ רָעָ֖ה מִ/לִּבִּ֑/י אֲשֶׁר יְדַבֵּ֥ר יְהוָ֖ה אֹת֥/וֹ אֲדַבֵּֽר
STATEN

Wanneer mij Balak zijn huis vol zilver en goud gave, zo kan ik het bevel des HEEREN niet overtreden, doende goed of kwaad uit mijn eigen hart; wat de HEERE spreken zal, dat zal ik spreken.

14
וְ/עַתָּ֕ה הִנְנִ֥/י הוֹלֵ֖ךְ לְ/עַמִּ֑/י לְכָ/ה֙ אִיעָ֣צְ/ךָ֔ אֲשֶׁ֨ר יַעֲשֶׂ֜ה הָ/עָ֥ם הַ/זֶּ֛ה לְ/עַמְּ/ךָ֖ בְּ/אַחֲרִ֥ית הַ/יָּמִֽים
STATEN

En nu, zie, ik ga tot mijn volk; kom, ik zal u raad geven, en zeggen wat dit volk uw volk doen zal in de laatste dagen.

15
וַ/יִּשָּׂ֥א מְשָׁל֖/וֹ וַ/יֹּאמַ֑ר נְאֻ֤ם בִּלְעָם֙ בְּנ֣/וֹ בְעֹ֔ר וּ/נְאֻ֥ם הַ/גֶּ֖בֶר שְׁתֻ֥ם הָ/עָֽיִן
STATEN

Toen hief hij zijn spreuk op, en zeide: Bíleam, de zoon van Beor, spreekt, en die man, wien de ogen geopend zijn, spreekt!

16
נְאֻ֗ם שֹׁמֵ֨עַ֙ אִמְרֵי אֵ֔ל וְ/יֹדֵ֖עַ דַּ֣עַת עֶלְי֑וֹן מַחֲזֵ֤ה שַׁדַּי֙ יֶֽחֱזֶ֔ה נֹפֵ֖ל וּ/גְל֥וּי עֵינָֽיִם
STATEN

De hoorder der redenen Gods spreekt, en die de wetenschap des Allerhoogsten weet; die het gezicht des Almachtigen ziet, die verrukt wordt, en wien de ogen ontdekt worden.

17
אֶרְאֶ֨/נּוּ֙ וְ/לֹ֣א עַתָּ֔ה אֲשׁוּרֶ֖/נּוּ וְ/לֹ֣א קָר֑וֹב דָּרַ֨ךְ כּוֹכָ֜ב מִֽ/יַּעֲקֹ֗ב וְ/קָ֥ם שֵׁ֨בֶט֙ מִ/יִּשְׂרָאֵ֔ל וּ/מָחַץ֙ פַּאֲתֵ֣י מוֹאָ֔ב וְ/קַרְקַ֖ר כָּל בְּנֵי שֵֽׁת
STATEN

Ik zal hem zien, maar nu niet; ik zal hem aanschouwen, maar niet nabij. Er zal een ster voortgaan uit Jakob, en er zal een scepter uit Israël opkomen; die zal de palen der Moabieten verslaan, en zal al de kinderen van Seth verstoren.

18
וְ/הָיָ֨ה אֱד֜וֹם יְרֵשָׁ֗ה וְ/הָיָ֧ה יְרֵשָׁ֛ה שֵׂעִ֖יר אֹיְבָ֑י/ו וְ/יִשְׂרָאֵ֖ל עֹ֥שֶׂה חָֽיִל
STATEN

En Edom zal een erfelijke bezitting zijn; en Seïr zal zijn vijanden een erfelijke bezitting zijn; doch Israël zal kracht doen.

19
וְ/יֵ֖רְדְּ מִֽ/יַּעֲקֹ֑ב וְ/הֶֽאֱבִ֥יד שָׂרִ֖יד מֵ/עִֽיר
STATEN

En er zal één uit Jakob heersen, en hij zal de overigen uit de steden ombrengen.

20
וַ/יַּרְא֙ אֶת עֲמָלֵ֔ק וַ/יִּשָּׂ֥א מְשָׁל֖/וֹ וַ/יֹּאמַ֑ר רֵאשִׁ֤ית גּוֹיִם֙ עֲמָלֵ֔ק וְ/אַחֲרִית֖/וֹ עֲדֵ֥י אֹבֵֽד
STATEN

Toen hij de Amalekieten zag, zo hief hij zijn spreuk op, en zeide: Amalek is de eersteling der heidenen; maar zijn uiterste is ten verderve!

21
וַ/יַּרְא֙ אֶת הַ/קֵּינִ֔י וַ/יִּשָּׂ֥א מְשָׁל֖/וֹ וַ/יֹּאמַ֑ר אֵיתָן֙ מֽוֹשָׁבֶ֔/ךָ וְ/שִׂ֥ים בַּ/סֶּ֖לַע קִנֶּֽ/ךָ
STATEN

Toen hij de Kenieten zag, zo hief hij zijn spreuk op, en zeide: Uw woning is vast, en gij hebt uw nest in een steenrots gelegd.

22
כִּ֥י אִם יִהְיֶ֖ה לְ/בָ֣עֵֽר קָ֑יִן עַד מָ֖ה אַשּׁ֥וּר תִּשְׁבֶּֽ/ךָּ
STATEN

Evenwel zal Kaïn verteerd worden, totdat u Assur gevankelijk wegvoeren zal!

23
וַ/יִּשָּׂ֥א מְשָׁל֖/וֹ וַ/יֹּאמַ֑ר א֕וֹי מִ֥י יִחְיֶ֖ה מִ/שֻּׂמ֥/וֹ אֵֽל
STATEN

Voorts hief hij zijn spreuk op, en zeide: Och, wie zal leven, als God dit doen zal!

24
וְ/צִים֙ מִ/יַּ֣ד כִּתִּ֔ים וְ/עִנּ֥וּ אַשּׁ֖וּר וְ/עִנּוּ עֵ֑בֶר וְ/גַם ה֖וּא עֲדֵ֥י אֹבֵֽד
STATEN

En de schepen van den oever der Chitteërs, die zullen Assur plagen, zij zullen ook Heber plagen; en hij zal ook ten verderve zijn.

25
וַ/יָּ֣קָם בִּלְעָ֔ם וַ/יֵּ֖לֶךְ וַ/יָּ֣שָׁב לִ/מְקֹמ֑/וֹ וְ/גַם בָּלָ֖ק הָלַ֥ךְ לְ/דַרְכּֽ/וֹ
STATEN

Toen stond Bíleam op, en ging heen, en keerde weder tot zijn plaats. Balak ging ook zijn weg.