Ga naar inhoud
TORAH

Numeri 31

בְּמִדְבַּר
Hoofdstukken (36)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יְדַבֵּ֥ר יְהוָ֖ה אֶל מֹשֶׁ֥ה לֵּ/אמֹֽר־׃
STATEN

En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

2
נְקֹ֗ם נִקְמַת֙ בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל מֵ/אֵ֖ת הַ/מִּדְיָנִ֑ים אַחַ֖ר תֵּאָסֵ֥ף אֶל עַמֶּֽי/ךָ־׃
STATEN

Neem de wraak der kinderen Israëls van de Midianieten; daarna zult gij verzameld worden tot uw volken.

3
וַ/יְדַבֵּ֤ר מֹשֶׁה֙ אֶל הָ/עָ֣ם לֵ/אמֹ֔ר הֵחָלְצ֧וּ מֵ/אִתְּ/כֶ֛ם אֲנָשִׁ֖ים לַ/צָּבָ֑א וְ/יִהְיוּ֙ עַל מִדְיָ֔ן לָ/תֵ֥ת נִקְמַת יְהוָ֖ה בְּ/מִדְיָֽן־־־׃
STATEN

Mozes dan sprak tot het volk, zeggende: Dat zich mannen uit u ten strijde toerusten, en dat zij tegen de Midianieten zijn, om de wraak des HEEREN te doen aan de Midianieten.

4
אֶ֚לֶף לַ/מַּטֶּ֔ה אֶ֖לֶף לַ/מַּטֶּ֑ה לְ/כֹל֙ מַטּ֣וֹת יִשְׂרָאֵ֔ל תִּשְׁלְח֖וּ לַ/צָּבָֽא׃
STATEN

Van elken stam onder alle stammen Israëls zult gij een duizend ten strijde zenden.

5
וַ/יִּמָּֽסְרוּ֙ מֵ/אַלְפֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל אֶ֖לֶף לַ/מַּטֶּ֑ה שְׁנֵים עָשָׂ֥ר אֶ֖לֶף חֲלוּצֵ֥י צָבָֽא־׃
STATEN

Alzo werden geleverd uit de duizenden van Israël, duizend van elken stam, twaalf duizend toegerusten ten strijde.

6
וַ/יִּשְׁלַ֨ח אֹתָ֥/ם מֹשֶׁ֛ה אֶ֥לֶף לַ/מַּטֶּ֖ה לַ/צָּבָ֑א אֹ֠תָ/ם וְ/אֶת פִּ֨ינְחָ֜ס בֶּן אֶלְעָזָ֤ר הַ/כֹּהֵן֙ לַ/צָּבָ֔א וּ/כְלֵ֥י הַ/קֹּ֛דֶשׁ וַ/חֲצֹצְר֥וֹת הַ/תְּרוּעָ֖ה בְּ/יָדֽ/וֹ־־׃
STATEN

En Mozes zond hen ten strijde, duizend van elken stam, hen en Pínehas, den zoon van Eleázar, den priester, ten strijde, met de heilige vaten, en de trompetten des geklanks in zijn hand.

7
וַֽ/יִּצְבְּאוּ֙ עַל מִדְיָ֔ן כַּ/אֲשֶׁ֛ר צִוָּ֥ה יְהוָ֖ה אֶת מֹשֶׁ֑ה וַ/יַּֽהַרְג֖וּ כָּל זָכָֽר־־־׃
STATEN

En zij streden tegen de Midianieten, gelijk als de HEERE Mozes geboden had, en zij doodden al wat mannelijk was.

8
וְ/אֶת מַלְכֵ֨י מִדְיָ֜ן הָרְג֣וּ עַל חַלְלֵי/הֶ֗ם אֶת אֱוִ֤י וְ/אֶת רֶ֨קֶם֙ וְ/אֶת צ֤וּר וְ/אֶת חוּר֙ וְ/אֶת רֶ֔בַע חֲמֵ֖שֶׁת מַלְכֵ֣י מִדְיָ֑ן וְ/אֵת֙ בִּלְעָ֣ם בֶּן בְּע֔וֹר הָרְג֖וּ בֶּ/חָֽרֶב־־־־־־־־׃
STATEN

Daartoe doodden zij boven hun verslagenen, de koningen der Midianieten, Evi, en Rekem, en Zur, en Hur, en Reba, vijf koningen der Midianieten; ook doodden zij met het zwaard Bíleam, den zoon van Beor.

9
וַ/יִּשְׁבּ֧וּ בְנֵי יִשְׂרָאֵ֛ל אֶת נְשֵׁ֥י מִדְיָ֖ן וְ/אֶת טַפָּ֑/ם וְ/אֵ֨ת כָּל בְּהֶמְתָּ֧/ם וְ/אֶת כָּל מִקְנֵ/הֶ֛ם וְ/אֶת כָּל חֵילָ֖/ם בָּזָֽזוּ־־־־־־־־׃
STATEN

Maar de kinderen Israëls namen de vrouwen der Midianieten, en hun kinderkens gevangen; zij roofden ook al hun beesten, en al hun vee, en al hun vermogen.

10
וְ/אֵ֤ת כָּל עָרֵי/הֶם֙ בְּ/מ֣וֹשְׁבֹתָ֔/ם וְ/אֵ֖ת כָּל טִֽירֹתָ֑/ם שָׂרְפ֖וּ בָּ/אֵֽשׁ־־׃
STATEN

Voorts al hun steden met hun woonplaatsen, en al hun burchten verbrandden zij met vuur.

11
וַ/יִּקְחוּ֙ אֶת כָּל הַ/שָּׁלָ֔ל וְ/אֵ֖ת כָּל הַ/מַּלְק֑וֹחַ בָּ/אָדָ֖ם וּ/בַ/בְּהֵמָֽה־־־׃
STATEN

En zij namen al den roof, en al den buit, van mensen en van beesten.

12
וַ/יָּבִ֡אוּ אֶל מֹשֶׁה֩ וְ/אֶל אֶלְעָזָ֨ר הַ/כֹּהֵ֜ן וְ/אֶל עֲדַ֣ת בְּנֵֽי יִשְׂרָאֵ֗ל אֶת הַ/שְּׁבִ֧י וְ/אֶת הַ/מַּלְק֛וֹחַ וְ/אֶת הַ/שָּׁלָ֖ל אֶל הַֽ/מַּחֲנֶ֑ה אֶל עַֽרְבֹ֣ת מוֹאָ֔ב אֲשֶׁ֖ר עַל יַרְדֵּ֥ן יְרֵחֽוֹ־־־־־־־־־־׃ס
STATEN

Daarna brachten zij de gevangenen, en den buit, en den roof, tot Mozes en tot Eleázar, den priester, en tot de vergadering der kinderen Israëls, in het leger, in de vlakke velden van Moab, dewelke zijn aan de Jordaan van Jericho.

Op De Naamdragers

Blogs over Numeri 31

Nog geen artikelen die specifiek naar Numeri 31 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →