Ga naar inhoud
TORAH

Numeri 32

בְּמִדְבַּר
Hoofdstukken (36)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וּ/מִקְנֶ֣ה רַ֗ב הָיָ֞ה לִ/בְנֵ֧י רְאוּבֵ֛ן וְ/לִ/בְנֵי גָ֖ד עָצ֣וּם מְאֹ֑ד וַ/יִּרְא֞וּ אֶת אֶ֤רֶץ יַעְזֵר֙ וְ/אֶת אֶ֣רֶץ גִּלְעָ֔ד וְ/הִנֵּ֥ה הַ/מָּק֖וֹם מְק֥וֹם מִקְנֶֽה׀־־־׃
STATEN

De kinderen van Ruben nu hadden veel vee, en de kinderen van Gad hadden machtig veel; en zij bezagen het land Jáëzer, en het land van Gilead, en ziet, deze plaats was een plaats voor vee.

2
וַ/יָּבֹ֥אוּ בְנֵֽי גָ֖ד וּ/בְנֵ֣י רְאוּבֵ֑ן וַ/יֹּאמְר֤וּ אֶל מֹשֶׁה֙ וְ/אֶל אֶלְעָזָ֣ר הַ/כֹּהֵ֔ן וְ/אֶל נְשִׂיאֵ֥י הָ/עֵדָ֖ה לֵ/אמֹֽר־־־־׃
STATEN

Zo kwamen de kinderen van Gad en de kinderen van Ruben, en spraken tot Mozes, en tot Eleázar, den priester, en tot de oversten der vergadering, zeggende:

3
עֲטָר֤וֹת וְ/דִיבֹן֙ וְ/יַעְזֵ֣ר וְ/נִמְרָ֔ה וְ/חֶשְׁבּ֖וֹן וְ/אֶלְעָלֵ֑ה וּ/שְׂבָ֥ם וּ/נְב֖וֹ וּ/בְעֹֽן׃
STATEN

Atarôth, en Dibon, en Jáëzer, en Nimra, en Hesbon, en Eleále, en Schebam, en Nebo, en Behon;

4
הָ/אָ֗רֶץ אֲשֶׁ֨ר הִכָּ֤ה יְהוָה֙ לִ/פְנֵי֙ עֲדַ֣ת יִשְׂרָאֵ֔ל אֶ֥רֶץ מִקְנֶ֖ה הִ֑וא וְ/לַֽ/עֲבָדֶ֖י/ךָ מִקְנֶֽה׃ס
STATEN

Dit land, hetwelk de HEERE voor het aangezicht der vergadering van Israël geslagen heeft, is een land voor vee; en uw knechten hebben vee.

5
וַ/יֹּאמְר֗וּ אִם מָצָ֤אנוּ חֵן֙ בְּ/עֵינֶ֔י/ךָ יֻתַּ֞ן אֶת הָ/אָ֧רֶץ הַ/זֹּ֛את לַ/עֲבָדֶ֖י/ךָ לַ/אֲחֻזָּ֑ה אַל תַּעֲבִרֵ֖/נוּ אֶת הַ/יַּרְדֵּֽן־־־־׃
STATEN

Voorts zeiden zij: Indien wij genade in uw ogen gevonden hebben, dat ditzelve land aan uw knechten gegeven worde tot een bezitting; en doe ons niet trekken over de Jordaan.

6
וַ/יֹּ֣אמֶר מֹשֶׁ֔ה לִ/בְנֵי גָ֖ד וְ/לִ/בְנֵ֣י רְאוּבֵ֑ן הַ/אַֽחֵי/כֶ֗ם יָבֹ֨אוּ֙ לַ/מִּלְחָמָ֔ה וְ/אַתֶּ֖ם תֵּ֥שְׁבוּ פֹֽה־׃
STATEN

Maar Mozes zeide tot de kinderen van Gad en tot de kinderen van Ruben: Zullen uw broeders ten strijde gaan, en zult gijlieden hier blijven?

7
וְ/לָ֣/מָּה תנואו/ן אֶת לֵ֖ב בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל מֵֽ/עֲבֹר֙ אֶל הָ/אָ֔רֶץ אֲשֶׁר נָתַ֥ן לָ/הֶ֖ם יְהוָֽה תְנִיא֔וּ/ן־־־׃
STATEN

Waarom toch zult gij het hart der kinderen Israëls breken, dat zij niet overtrekken naar het land, dat de HEERE hun gegeven heeft?

8
כֹּ֥ה עָשׂ֖וּ אֲבֹתֵי/כֶ֑ם בְּ/שָׁלְחִ֥/י אֹתָ֛/ם מִ/קָּדֵ֥שׁ בַּרְנֵ֖עַ לִ/רְא֥וֹת אֶת הָ/אָֽרֶץ־׃
STATEN

Zo deden uw vaders, als ik hen van Kades-Barnéa zond, om dit land te bezien.

9
וַֽ/יַּעֲל֞וּ עַד נַ֣חַל אֶשְׁכּ֗וֹל וַ/יִּרְאוּ֙ אֶת הָ/אָ֔רֶץ וַ/יָּנִ֕יאוּ אֶת לֵ֖ב בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל לְ/בִלְתִּי בֹא֙ אֶל הָ/אָ֔רֶץ אֲשֶׁר נָתַ֥ן לָ/הֶ֖ם יְהוָֽה־־־־־־׃
STATEN

Als zij opgekomen waren tot aan het dal Eskol, en dit land bezagen, zo braken zij het hart der kinderen Israëls, dat zij niet gingen naar het land, dat de HEERE hun gegeven had.

10
וַ/יִּֽחַר אַ֥ף יְהוָ֖ה בַּ/יּ֣וֹם הַ/ה֑וּא וַ/יִּשָּׁבַ֖ע לֵ/אמֹֽר־׃
STATEN

Toen ontstak de toorn des HEEREN te dien dage, en Hij zwoer, zeggende:

11
אִם יִרְא֨וּ הָ/אֲנָשִׁ֜ים הָ/עֹלִ֣ים מִ/מִּצְרַ֗יִם מִ/בֶּ֨ן עֶשְׂרִ֤ים שָׁנָה֙ וָ/מַ֔עְלָ/ה אֵ֚ת הָ/אֲדָמָ֔ה אֲשֶׁ֥ר נִשְׁבַּ֛עְתִּי לְ/אַבְרָהָ֥ם לְ/יִצְחָ֖ק וּֽ/לְ/יַעֲקֹ֑ב כִּ֥י לֹא מִלְא֖וּ אַחֲרָֽ/י־־׃
STATEN

Indien deze mannen, die uit Egypte opgetogen zijn, van twintig jaren oud en daarboven, het land zullen zien, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb! Want zij hebben niet volhard Mij na te volgen;

12
בִּלְתִּ֞י כָּלֵ֤ב בֶּן יְפֻנֶּה֙ הַ/קְּנִזִּ֔י וִ/יהוֹשֻׁ֖עַ בִּן נ֑וּן כִּ֥י מִלְא֖וּ אַחֲרֵ֥י יְהוָֽה־־׃
STATEN

Behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, den Keniziet, en Jozua, de zoon van Nun; want zij hebben volhard den HEERE na te volgen.

Op De Naamdragers

Blogs over Numeri 32

Nog geen artikelen die specifiek naar Numeri 32 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →