Ga naar inhoud
TORAH

Numeri 11

בְּמִדְבַּר
Hoofdstukken (36)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יְהִ֤י הָ/עָם֙ כְּ/מִתְאֹ֣נְנִ֔ים רַ֖ע בְּ/אָזְנֵ֣י יְהוָ֑ה וַ/יִּשְׁמַ֤ע יְהוָה֙ וַ/יִּ֣חַר אַפּ֔/וֹ וַ/תִּבְעַר בָּ/ם֙ אֵ֣שׁ יְהוָ֔ה וַ/תֹּ֖אכַל בִּ/קְצֵ֥ה הַֽ/מַּחֲנֶֽה־׃
STATEN

En het geschiedde, als het volk zich was beklagende, dat het kwaad was in de oren des HEEREN; want de HEERE hoorde het, zodat Zijn toorn ontstak, en het vuur des HEEREN onder hen ontbrandde, en verteerde, in het uiterste des legers.

2
וַ/יִּצְעַ֥ק הָ/עָ֖ם אֶל מֹשֶׁ֑ה וַ/יִּתְפַּלֵּ֤ל מֹשֶׁה֙ אֶל יְהוָ֔ה וַ/תִּשְׁקַ֖ע הָ/אֵֽשׁ־־׃
STATEN

Toen riep het volk tot Mozes; en Mozes bad tot den HEERE; en het vuur werd gedempt.

3
וַ/יִּקְרָ֛א שֵֽׁם הַ/מָּק֥וֹם הַ/ה֖וּא תַּבְעֵרָ֑ה כִּֽי בָעֲרָ֥ה בָ֖/ם אֵ֥שׁ יְהוָֽה־־׃
STATEN

Daarom noemde hij den naam dier plaats Thab-éra, omdat het vuur des HEEREN onder hen gebrand had.

4
וְ/הָֽ/אסַפְסֻף֙ אֲשֶׁ֣ר בְּ/קִרְבּ֔/וֹ הִתְאַוּ֖וּ תַּאֲוָ֑ה וַ/יָּשֻׁ֣בוּ וַ/יִּבְכּ֗וּ גַּ֚ם בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל וַ/יֹּ֣אמְר֔וּ מִ֥י יַאֲכִלֵ֖/נוּ בָּשָֽׂר׃
STATEN

En het gemene volk, dat in het midden van hen was, werd met lust bevangen; daarom zo weenden ook de kinderen Israëls wederom, en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven?

5
זָכַ֨רְנוּ֙ אֶת הַ/דָּגָ֔ה אֲשֶׁר נֹאכַ֥ל בְּ/מִצְרַ֖יִם חִנָּ֑ם אֵ֣ת הַ/קִּשֻּׁאִ֗ים וְ/אֵת֙ הָֽ/אֲבַטִּחִ֔ים וְ/אֶת הֶ/חָצִ֥יר וְ/אֶת הַ/בְּצָלִ֖ים וְ/אֶת הַ/שּׁוּמִֽים־־־־־׃
STATEN

Wij gedenken aan de vissen, die wij in Egypte om niet aten; aan de komkommers, en aan de pompoenen, en aan het look, en aan de ajuinen, en aan het knoflook.

6
וְ/עַתָּ֛ה נַפְשֵׁ֥/נוּ יְבֵשָׁ֖ה אֵ֣ין כֹּ֑ל בִּלְתִּ֖י אֶל הַ/מָּ֥ן עֵינֵֽי/נוּ־׃
STATEN

Maar nu is onze ziel dor, er is niet met al, behalve dit Man voor onze ogen!

7
וְ/הַ/מָּ֕ן כִּ/זְרַע גַּ֖ד ה֑וּא וְ/עֵינ֖/וֹ כְּ/עֵ֥ין הַ/בְּדֹֽלַח־׃
STATEN

Het Man nu was als korianderzaad, en zijn verf was als de verf van den bedólah.

8
שָׁטוּ֩ הָ/עָ֨ם וְ/לָֽקְט֜וּ וְ/טָחֲנ֣וּ בָ/רֵחַ֗יִם א֤וֹ דָכוּ֙ בַּ/מְּדֹכָ֔ה וּ/בִשְּׁלוּ֙ בַּ/פָּר֔וּר וְ/עָשׂ֥וּ אֹת֖/וֹ עֻג֑וֹת וְ/הָיָ֣ה טַעְמ֔/וֹ כְּ/טַ֖עַם לְשַׁ֥ד הַ/שָּֽׁמֶן׃
STATEN

Het volk liep hier en daar, en verzamelde het, en maalde het met molens, of stiet het in mortieren, en zood het in potten, en maakte daarvan koeken; en zijn smaak was als de smaak van de beste vochtigheid der olie.

9
וּ/בְ/רֶ֧דֶת הַ/טַּ֛ל עַל הַֽ/מַּחֲנֶ֖ה לָ֑יְלָה יֵרֵ֥ד הַ/מָּ֖ן עָלָֽי/ו־׃
STATEN

En wanneer de dauw des nachts op het leger nederviel, viel het Man op hetzelve neder.

10
וַ/יִּשְׁמַ֨ע מֹשֶׁ֜ה אֶת הָ/עָ֗ם בֹּכֶה֙ לְ/מִשְׁפְּחֹתָ֔י/ו אִ֖ישׁ לְ/פֶ֣תַח אָהֳל֑/וֹ וַ/יִּֽחַר אַ֤ף יְהוָה֙ מְאֹ֔ד וּ/בְ/עֵינֵ֥י מֹשֶׁ֖ה רָֽע־־׃
STATEN

Toen hoorde Mozes het volk wenen door hun huisgezinnen, een ieder aan de deur zijner hut; en de toorn des HEEREN ontstak zeer; ook was het kwaad in de ogen van Mozes.

11
וַ/יֹּ֨אמֶר מֹשֶׁ֜ה אֶל יְהוָ֗ה לָ/מָ֤ה הֲרֵעֹ֨תָ֙ לְ/עַבְדֶּ֔/ךָ וְ/לָ֛/מָּה לֹא מָצָ֥תִי חֵ֖ן בְּ/עֵינֶ֑י/ךָ לָ/שׂ֗וּם אֶת מַשָּׂ֛א כָּל הָ/עָ֥ם הַ/זֶּ֖ה עָלָֽ/י־־־־׃
STATEN

En Mozes zeide tot den HEERE: Waarom hebt Gij aan Uw knecht kwalijk gedaan, en waarom heb ik geen genade in Uw ogen gevonden, dat Gij den last van dit ganse volk op mij legt?

12
הֶ/אָנֹכִ֣י הָרִ֗יתִי אֵ֚ת כָּל הָ/עָ֣ם הַ/זֶּ֔ה אִם אָנֹכִ֖י יְלִדְתִּ֑י/הוּ כִּֽי תֹאמַ֨ר אֵלַ֜/י שָׂאֵ֣/הוּ בְ/חֵיקֶ֗/ךָ כַּ/אֲשֶׁ֨ר יִשָּׂ֤א הָ/אֹמֵן֙ אֶת הַ/יֹּנֵ֔ק עַ֚ל הָֽ/אֲדָמָ֔ה אֲשֶׁ֥ר נִשְׁבַּ֖עְתָּ לַ/אֲבֹתָֽי/ו־־־־׃
STATEN

Heb ik dan al dit volk ontvangen? heb ik het gebaard? dat Gij tot mij zoudt zeggen: Draag het in uw schoot, gelijk als een voedstervader den zuigeling draagt, tot dat land, hetwelk Gij hun vaderen gezworen hebt?

Op De Naamdragers

Blogs over Numeri 11

Nog geen artikelen die specifiek naar Numeri 11 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →