Ga naar inhoud
TORAH

Numeri 12

בְּמִדְבַּר
Hoofdstukken (36)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/תְּדַבֵּ֨ר מִרְיָ֤ם וְ/אַהֲרֹן֙ בְּ/מֹשֶׁ֔ה עַל אֹד֛וֹת הָ/אִשָּׁ֥ה הַ/כֻּשִׁ֖ית אֲשֶׁ֣ר לָקָ֑ח כִּֽי אִשָּׁ֥ה כֻשִׁ֖ית לָקָֽח־־׃
STATEN

Mirjam nu sprak, en Aäron, tegen Mozes, ter oorzake der vrouw, der Cuschietische, die hij genomen had; want hij had een Cuschietische ter vrouw genomen.

2
וַ/יֹּאמְר֗וּ הֲ/רַ֤ק אַךְ בְּ/מֹשֶׁה֙ דִּבֶּ֣ר יְהוָ֔ה הֲ/לֹ֖א גַּם בָּ֣/נוּ דִבֵּ֑ר וַ/יִּשְׁמַ֖ע יְהוָֽה־־׃
STATEN

En zij zeiden: Heeft dan de HEERE maar alleen door Mozes gesproken? Heeft Hij ook niet door ons gesproken? En de HEERE hoorde het!

3
וְ/הָ/אִ֥ישׁ מֹשֶׁ֖ה ענו מְאֹ֑ד מִ/כֹּל֙ הָֽ/אָדָ֔ם אֲשֶׁ֖ר עַל פְּנֵ֥י הָ/אֲדָמָֽה עָנָ֣יו־׃ס
STATEN

Doch de man Mozes was zeer zachtmoedig, meer dan alle mensen, die op den aardbodem waren.

4
וַ/יֹּ֨אמֶר יְהוָ֜ה פִּתְאֹ֗ם אֶל מֹשֶׁ֤ה וְ/אֶֽל אַהֲרֹן֙ וְ/אֶל מִרְיָ֔ם צְא֥וּ שְׁלָשְׁתְּ/כֶ֖ם אֶל אֹ֣הֶל מוֹעֵ֑ד וַ/יֵּצְא֖וּ שְׁלָשְׁתָּֽ/ם־־־־׃
STATEN

Toen sprak de HEERE haastelijk tot Mozes, en tot Aäron, en tot Mirjam: Gij drie, komt uit de tent der samenkomst! En zij drie kwamen uit.

5
וַ/יֵּ֤רֶד יְהוָה֙ בְּ/עַמּ֣וּד עָנָ֔ן וַֽ/יַּעֲמֹ֖ד פֶּ֣תַח הָ/אֹ֑הֶל וַ/יִּקְרָא֙ אַהֲרֹ֣ן וּ/מִרְיָ֔ם וַ/יֵּצְא֖וּ שְׁנֵי/הֶֽם׃
STATEN

Toen kwam de HEERE af in de wolkkolom, en stond aan de deur der tent; daarna riep Hij Aäron en Mirjam; en zij beiden kwamen uit.

6
וַ/יֹּ֖אמֶר שִׁמְעוּ נָ֣א דְבָרָ֑/י אִם יִֽהְיֶה֙ נְבִ֣יאֲ/כֶ֔ם יְהוָ֗ה בַּ/מַּרְאָה֙ אֵלָ֣י/ו אֶתְוַדָּ֔ע בַּ/חֲל֖וֹם אֲדַבֶּר בּֽ/וֹ־־־׃
STATEN

En Hij zeide: Hoort nu Mijn woorden! Zo er een profeet onder u is, Ik, de HEERE, zal door een gezicht Mij aan hem bekend maken, door een droom zal Ik met hem spreken.

7
לֹא כֵ֖ן עַבְדִּ֣/י מֹשֶׁ֑ה בְּ/כָל בֵּיתִ֖/י נֶאֱמָ֥ן הֽוּא־־׃
STATEN

Alzo is Mijn knecht Mozes niet, die in Mijn ganse huis getrouw is.

8
פֶּ֣ה אֶל פֶּ֞ה אֲדַבֶּר בּ֗/וֹ וּ/מַרְאֶה֙ וְ/לֹ֣א בְ/חִידֹ֔ת וּ/תְמֻנַ֥ת יְהוָ֖ה יַבִּ֑יט וּ/מַדּ֨וּעַ֙ לֹ֣א יְרֵאתֶ֔ם לְ/דַבֵּ֖ר בְּ/עַבְדִּ֥/י בְ/מֹשֶֽׁה־־׃
STATEN

Van mond tot mond spreek Ik met hem, en door aanzien, en niet door duistere woorden; en de gelijkenis des HEEREN aanschouwt hij; waarom dan hebt gijlieden niet gevreesd tegen Mijn knecht, tegen Mozes, te spreken?

9
וַ/יִּֽחַר אַ֧ף יְהוָ֛ה בָּ֖/ם וַ/יֵּלַֽךְ׃
STATEN

Zo ontstak des HEEREN toorn tegen hen, en Hij ging weg.

10
וְ/הֶ/עָנָ֗ן סָ֚ר מֵ/עַ֣ל הָ/אֹ֔הֶל וְ/הִנֵּ֥ה מִרְיָ֖ם מְצֹרַ֣עַת כַּ/שָּׁ֑לֶג וַ/יִּ֧פֶן אַהֲרֹ֛ן אֶל מִרְיָ֖ם וְ/הִנֵּ֥ה מְצֹרָֽעַת־׃
STATEN

En de wolk week van boven de tent; en ziet, Mirjam was melaats, wit als de sneeuw. En Aäron zag Mirjam aan, en ziet, zij was melaats.

11
וַ/יֹּ֥אמֶר אַהֲרֹ֖ן אֶל מֹשֶׁ֑ה בִּ֣י אֲדֹנִ֔/י אַל נָ֨א תָשֵׁ֤ת עָלֵ֨י/נוּ֙ חַטָּ֔את אֲשֶׁ֥ר נוֹאַ֖לְנוּ וַ/אֲשֶׁ֥ר חָטָֽאנוּ־־׃
STATEN

Daarom zeide Aäron tot Mozes: Och, mijn heer! leg toch niet op ons de zonde, waarmede wij zottelijk gedaan, en waarmede wij gezondigd hebben!

12
אַל נָ֥א תְהִ֖י כַּ/מֵּ֑ת אֲשֶׁ֤ר בְּ/צֵאת/וֹ֙ מֵ/רֶ֣חֶם אִמּ֔/וֹ וַ/יֵּאָכֵ֖ל חֲצִ֥י בְשָׂרֽ/וֹ־׃
STATEN

Laat zij toch niet zijn als een dode, van wiens vlees, als hij uit zijns moeders lijf uitgaat, de helft wel verteerd is!

Op De Naamdragers

Blogs over Numeri 12

Nog geen artikelen die specifiek naar Numeri 12 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →