TORAH

Numeri 13

בְּמִדְבַּר
Hoofdstukken (36)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יְדַבֵּ֥ר יְהוָ֖ה אֶל מֹשֶׁ֥ה לֵּ/אמֹֽר
STATEN

En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

2
שְׁלַח לְ/ךָ֣ אֲנָשִׁ֗ים וְ/יָתֻ֨רוּ֙ אֶת אֶ֣רֶץ כְּנַ֔עַן אֲשֶׁר אֲנִ֥י נֹתֵ֖ן לִ/בְנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל אִ֣ישׁ אֶחָד֩ אִ֨ישׁ אֶחָ֜ד לְ/מַטֵּ֤ה אֲבֹתָי/ו֙ תִּשְׁלָ֔חוּ כֹּ֖ל נָשִׂ֥יא בָ/הֶֽם
STATEN

Zend u mannen uit: die het land Kanaän verspieden, hetwelk Ik den kinderen Israëls geven zal; van elken stam zijner vaderen zult gijlieden een man zenden, zijnde ieder een overste onder hen.

3
וַ/יִּשְׁלַ֨ח אֹתָ֥/ם מֹשֶׁ֛ה מִ/מִּדְבַּ֥ר פָּארָ֖ן עַל פִּ֣י יְהוָ֑ה כֻּלָּ֣/ם אֲנָשִׁ֔ים רָאשֵׁ֥י בְנֵֽי יִשְׂרָאֵ֖ל הֵֽמָּה
STATEN

Mozes dan zond hen uit de woestijn van Paran, naar den mond des HEEREN; al die mannen waren hoofden der kinderen Israëls.

4
וְ/אֵ֖לֶּה שְׁמוֹתָ֑/ם לְ/מַטֵּ֣ה רְאוּבֵ֔ן שַׁמּ֖וּעַ בֶּן זַכּֽוּר
STATEN

En dit zijn hun namen: van den stam van Ruben, Sammua, de zoon van Zaccur.

5
לְ/מַטֵּ֣ה שִׁמְע֔וֹן שָׁפָ֖ט בֶּן חוֹרִֽי
STATEN

Van den stam van Simeon, Safat, de zoon van Hori.

6
לְ/מַטֵּ֣ה יְהוּדָ֔ה כָּלֵ֖ב בֶּן יְפֻנֶּֽה
STATEN

Van den stam van Juda, Kaleb, de zoon van Jefunne.

7
לְ/מַטֵּ֣ה יִשָּׂשכָ֔ר יִגְאָ֖ל בֶּן יוֹסֵֽף
STATEN

Van den stam van Issaschar, Jigeal, de zoon van Jozef.

8
לְ/מַטֵּ֥ה אֶפְרָ֖יִם הוֹשֵׁ֥עַ בִּן נֽוּן
STATEN

Van den stam van Efraïm, Hoséa, de zoon van Nun.

9
לְ/מַטֵּ֣ה בִנְיָמִ֔ן פַּלְטִ֖י בֶּן רָפֽוּא
STATEN

Van den stam van Benjamin, Palti, de zoon van Rafu.

10
לְ/מַטֵּ֣ה זְבוּלֻ֔ן גַּדִּיאֵ֖ל בֶּן סוֹדִֽי
STATEN

Van den stam van Zebulon, Gaddiël, de zoon van Sodi.

11
לְ/מַטֵּ֥ה יוֹסֵ֖ף לְ/מַטֵּ֣ה מְנַשֶּׁ֑ה גַּדִּ֖י בֶּן סוּסִֽי
STATEN

Van den stam van Jozef, voor den stam van Manasse, Gaddi, de zoon van Susi.

12
לְ/מַטֵּ֣ה דָ֔ן עַמִּיאֵ֖ל בֶּן גְּמַלִּֽי
STATEN

Van den stam van Dan, Ammiël, de zoon van Gemalli.

13
לְ/מַטֵּ֣ה אָשֵׁ֔ר סְת֖וּר בֶּן מִיכָאֵֽל
STATEN

Van den stam van Aser, Sethur, de zoon van Michaël.

14
לְ/מַטֵּ֣ה נַפְתָּלִ֔י נַחְבִּ֖י בֶּן וָפְסִֽי
STATEN

Van den stam van Nafthali, Nachbi, de zoon van Wofsi.

15
לְ/מַטֵּ֣ה גָ֔ד גְּאוּאֵ֖ל בֶּן מָכִֽי
STATEN

Van den stam van Gad, Guël, de zoon van Machi.

16
אֵ֚לֶּה שְׁמ֣וֹת הָֽ/אֲנָשִׁ֔ים אֲשֶׁר שָׁלַ֥ח מֹשֶׁ֖ה לָ/ת֣וּר אֶת הָ/אָ֑רֶץ וַ/יִּקְרָ֥א מֹשֶׁ֛ה לְ/הוֹשֵׁ֥עַ בִּן נ֖וּן יְהוֹשֻֽׁעַ
STATEN

Dit zijn de namen der mannen, die Mozes zond, om dat land te verspieden; en Mozes noemde Hoséa, den zoon van Nun, Jozua.

17
וַ/יִּשְׁלַ֤ח אֹתָ/ם֙ מֹשֶׁ֔ה לָ/ת֖וּר אֶת אֶ֣רֶץ כְּנָ֑עַן וַ/יֹּ֣אמֶר אֲלֵ/הֶ֗ם עֲל֥וּ זֶה֙ בַּ/נֶּ֔גֶב וַ/עֲלִיתֶ֖ם אֶת הָ/הָֽר
STATEN

Mozes dan zond hen, om het land Kanaän te verspieden; en hij zeide tot hen: Trekt dit henen op tegen het zuiden, en klimt op het gebergte;

18
וּ/רְאִיתֶ֥ם אֶת הָ/אָ֖רֶץ מַה הִ֑וא וְ/אֶת הָ/עָם֙ הַ/יֹּשֵׁ֣ב עָלֶ֔י/הָ הֶ/חָזָ֥ק הוּא֙ הֲ/רָפֶ֔ה הַ/מְעַ֥ט ה֖וּא אִם רָֽב
STATEN

En beziet het land, hoedanig het zij, en het volk, dat daarin woont, of het sterk zij of zwak, of het weinig zij of veel;

19
וּ/מָ֣ה הָ/אָ֗רֶץ אֲשֶׁר הוּא֙ יֹשֵׁ֣ב בָּ֔/הּ הֲ/טוֹבָ֥ה הִ֖וא אִם רָעָ֑ה וּ/מָ֣ה הֶֽ/עָרִ֗ים אֲשֶׁר הוּא֙ יוֹשֵׁ֣ב בָּ/הֵ֔נָּה הַ/בְּ/מַֽחֲנִ֖ים אִ֥ם בְּ/מִבְצָרִֽים
STATEN

En hoedanig het land zij, waarin hetzelve woont, of het goed zij of kwaad; en hoedanig de steden zijn, in dewelke hetzelve woont, of in legers, of in sterkten;

20
וּ/מָ֣ה הָ֠/אָרֶץ הַ/שְּׁמֵנָ֨ה הִ֜וא אִם רָזָ֗ה הֲ/יֵֽשׁ בָּ֥/הּ עֵץ֙ אִם אַ֔יִן וְ/הִ֨תְחַזַּקְתֶּ֔ם וּ/לְקַחְתֶּ֖ם מִ/פְּרִ֣י הָ/אָ֑רֶץ וְ/הַ֨/יָּמִ֔ים יְמֵ֖י בִּכּוּרֵ֥י עֲנָבִֽים
STATEN

Ook hoedanig het land zij, of het vet zij of mager, of er bomen in zijn of niet; en versterkt u, en neemt van de vrucht des lands. Die dagen nu waren de dagen der eerste vruchten van de wijndruiven.

21
וַֽ/יַּעֲל֖וּ וַ/יָּתֻ֣רוּ אֶת הָ/אָ֑רֶץ מִ/מִּדְבַּר צִ֥ן עַד רְחֹ֖ב לְבֹ֥א חֲמָֽת
STATEN

Alzo trokken zij op, en verspiedden het land, van de woestijn Zin af tot Rechob toe, waar men gaat naar Hamath.

22
וַ/יַּעֲל֣וּ בַ/נֶּגֶב֮ וַ/יָּבֹ֣א עַד חֶבְרוֹן֒ וְ/שָׁ֤ם אֲחִימַן֙ שֵׁשַׁ֣י וְ/תַלְמַ֔י יְלִידֵ֖י הָ/עֲנָ֑ק וְ/חֶבְר֗וֹן שֶׁ֤בַע שָׁנִים֙ נִבְנְתָ֔ה לִ/פְנֵ֖י צֹ֥עַן מִצְרָֽיִם
STATEN

En zij trokken op in het zuiden, en kwamen tot Hebron toe, en daar waren Ahíman, Sesai en Talmai, kinderen van Enak; Hebron nu was zeven jaren gebouwd vóór Zoan in Egypte.

23
וַ/יָּבֹ֜אוּ עַד נַ֣חַל אֶשְׁכֹּ֗ל וַ/יִּכְרְת֨וּ מִ/שָּׁ֤ם זְמוֹרָה֙ וְ/אֶשְׁכּ֤וֹל עֲנָבִים֙ אֶחָ֔ד וַ/יִּשָּׂאֻ֥/הוּ בַ/מּ֖וֹט בִּ/שְׁנָ֑יִם וּ/מִן הָ/רִמֹּנִ֖ים וּ/מִן הַ/תְּאֵנִֽים
STATEN

Daarna kwamen zij tot het dal Eskol, en sneden van daar een rank af met een tros wijndruiven, dien zij droegen met tweeën, op een draagstok; ook van de granaatappelen en van de vijgen.

24
לַ/מָּק֣וֹם הַ/ה֔וּא קָרָ֖א נַ֣חַל אֶשְׁכּ֑וֹל עַ֚ל אֹד֣וֹת הָֽ/אֶשְׁכּ֔וֹל אֲשֶׁר כָּרְת֥וּ מִ/שָּׁ֖ם בְּנֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Diezelve plaats noemde men het dal Eskol, ter oorzake van den tros, dien de kinderen Israëls van daar afgesneden hadden.

25
וַ/יָּשֻׁ֖בוּ מִ/תּ֣וּר הָ/אָ֑רֶץ מִ/קֵּ֖ץ אַרְבָּעִ֥ים יֽוֹם
STATEN

Daarna keerden zij weder van het verspieden des lands, ten einde van veertig dagen.

26
וַ/יֵּלְכ֡וּ וַ/יָּבֹאוּ֩ אֶל מֹשֶׁ֨ה וְ/אֶֽל אַהֲרֹ֜ן וְ/אֶל כָּל עֲדַ֧ת בְּנֵֽי יִשְׂרָאֵ֛ל אֶל מִדְבַּ֥ר פָּארָ֖ן קָדֵ֑שָׁ/ה וַ/יָּשִׁ֨יבוּ אוֹתָ֤/ם דָּבָר֙ וְ/אֶת כָּל הָ֣/עֵדָ֔ה וַ/יַּרְא֖וּ/ם אֶת פְּרִ֥י הָ/אָֽרֶץ
STATEN

En zij gingen heen, en kwamen tot Mozes en tot Aäron, en tot de gehele vergadering der kinderen Israëls, in de woestijn Paran, naar Kades; en brachten bescheid weder aan hen, en aan de gehele vergadering, en lieten hun de vrucht des lands zien.

27
וַ/יְסַפְּרוּ ל/וֹ֙ וַ/יֹּ֣אמְר֔וּ בָּ֕אנוּ אֶל הָ/אָ֖רֶץ אֲשֶׁ֣ר שְׁלַחְתָּ֑/נוּ וְ֠/גַם זָבַ֨ת חָלָ֥ב וּ/דְבַ֛שׁ הִ֖וא וְ/זֶה פִּרְיָֽ/הּ
STATEN

En zij vertelden hem, en zeiden: Wij zijn gekomen tot dat land, waarheen gij ons gezonden hebt; en voorwaar, het is van melk en honig vloeiende, en dit is zijn vrucht.

28
אֶ֚פֶס כִּֽי עַ֣ז הָ/עָ֔ם הַ/יֹּשֵׁ֖ב בָּ/אָ֑רֶץ וְ/הֶֽ/עָרִ֗ים בְּצֻר֤וֹת גְּדֹלֹת֙ מְאֹ֔ד וְ/גַם יְלִדֵ֥י הָֽ/עֲנָ֖ק רָאִ֥ינוּ שָֽׁם
STATEN

Behalve dat het een sterk volk is, hetwelk in dat land woont, en de steden zijn vast, en zeer groot; en ook hebben wij daar kinderen van Enak gezien.

29
עֲמָלֵ֥ק יוֹשֵׁ֖ב בְּ/אֶ֣רֶץ הַ/נֶּ֑גֶב וְ֠/הַֽ/חִתִּי וְ/הַ/יְבוּסִ֤י וְ/הָֽ/אֱמֹרִי֙ יוֹשֵׁ֣ב בָּ/הָ֔ר וְ/הַֽ/כְּנַעֲנִי֙ יֹשֵׁ֣ב עַל הַ/יָּ֔ם וְ/עַ֖ל יַ֥ד הַ/יַּרְדֵּֽן
STATEN

De Amalekieten wonen in het land van het zuiden; maar de Hethieten, en de Jebusieten, en de Amorieten wonen op het gebergte; en de Kanaänieten wonen aan de zee, en aan den oever van de Jordaan.

30
וַ/יַּ֧הַס כָּלֵ֛ב אֶת הָ/עָ֖ם אֶל מֹשֶׁ֑ה וַ/יֹּ֗אמֶר עָלֹ֤ה נַעֲלֶה֙ וְ/יָרַ֣שְׁנוּ אֹתָ֔/הּ כִּֽי יָכ֥וֹל נוּכַ֖ל לָֽ/הּ
STATEN

Toen stilde Kaleb het volk voor Mozes, en zeide: Laat ons vrijmoedig optrekken, en dat erfelijk bezitten; want wij zullen dat voorzeker overweldigen!

31
וְ/הָ֨/אֲנָשִׁ֜ים אֲשֶׁר עָל֤וּ עִמּ/וֹ֙ אָֽמְר֔וּ לֹ֥א נוּכַ֖ל לַ/עֲל֣וֹת אֶל הָ/עָ֑ם כִּֽי חָזָ֥ק ה֖וּא מִמֶּֽ/נּוּ
STATEN

Maar de mannen, die met hem opgetrokken waren, zeiden: Wij zullen tot dat volk niet kunnen optrekken, want het is sterker dan wij.

32
וַ/יּוֹצִ֜יאוּ דִּבַּ֤ת הָ/אָ֨רֶץ֙ אֲשֶׁ֣ר תָּר֣וּ אֹתָ֔/הּ אֶל בְּנֵ֥י יִשְׂרָאֵ֖ל לֵ/אמֹ֑ר הָ/אָ֡רֶץ אֲשֶׁר֩ עָבַ֨רְנוּ בָ֜/הּ לָ/ת֣וּר אֹתָ֗/הּ אֶ֣רֶץ אֹכֶ֤לֶת יוֹשְׁבֶ֨י/הָ֙ הִ֔וא וְ/כָל הָ/עָ֛ם אֲשֶׁר רָאִ֥ינוּ בְ/תוֹכָ֖/הּ אַנְשֵׁ֥י מִדּֽוֹת
STATEN

Alzo brachten zij een kwaad gerucht voort van het land, dat zij verspied hadden, aan de kinderen Israëls, zeggende: Dat land, door hetwelk wij doorgegaan zijn, om het te verspieden, is een land, dat zijn inwoners verteert; en al het volk, hetwelk wij in het midden van hetzelve gezien hebben, zijn mannen van grote lengte.

33
וְ/שָׁ֣ם רָאִ֗ינוּ אֶת הַ/נְּפִילִ֛ים בְּנֵ֥י עֲנָ֖ק מִן הַ/נְּפִלִ֑ים וַ/נְּהִ֤י בְ/עֵינֵ֨י/נוּ֙ כַּֽ/חֲגָבִ֔ים וְ/כֵ֥ן הָיִ֖ינוּ בְּ/עֵינֵי/הֶֽם
STATEN

Wij hebben ook daar de reuzen gezien, en de kinderen van Enak, van de reuzen; en wij waren als sprinkhanen in onze ogen, alzo waren wij ook in hun ogen.