Ga naar inhoud
TORAH

Numeri 16

בְּמִדְבַּר
Hoofdstukken (36)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יִּקַּ֣ח קֹ֔רַח בֶּן יִצְהָ֥ר בֶּן קְהָ֖ת בֶּן לֵוִ֑י וְ/דָתָ֨ן וַ/אֲבִירָ֜ם בְּנֵ֧י אֱלִיאָ֛ב וְ/א֥וֹן בֶּן פֶּ֖לֶת בְּנֵ֥י רְאוּבֵֽן־־־־׃
STATEN

Korach nu, de zoon van Jizhar, zoon van Kohath, zoon van Levi, nam tot zich zo Dathan als Abíram, zonen van Elíab, en On, den zoon van Peleth, zonen van Ruben.

2
וַ/יָּקֻ֨מוּ֙ לִ/פְנֵ֣י מֹשֶׁ֔ה וַ/אֲנָשִׁ֥ים מִ/בְּנֵֽי יִשְׂרָאֵ֖ל חֲמִשִּׁ֣ים וּ/מָאתָ֑יִם נְשִׂיאֵ֥י עֵדָ֛ה קְרִאֵ֥י מוֹעֵ֖ד אַנְשֵׁי שֵֽׁם־־׃
STATEN

En zij stonden op voor het aangezicht van Mozes, mitsgaders tweehonderd en vijftig mannen uit de kinderen Israëls, oversten der vergadering, de geroepenen der samenkomst, mannen van naam.

3
וַ/יִּֽקָּהֲל֞וּ עַל מֹשֶׁ֣ה וְ/עַֽל אַהֲרֹ֗ן וַ/יֹּאמְר֣וּ אֲלֵ/הֶם֮ רַב לָ/כֶם֒ כִּ֤י כָל הָֽ/עֵדָה֙ כֻּלָּ֣/ם קְדֹשִׁ֔ים וּ/בְ/תוֹכָ֖/ם יְהוָ֑ה וּ/מַדּ֥וּעַ תִּֽתְנַשְּׂא֖וּ עַל קְהַ֥ל יְהוָֽה־־־־־׃
STATEN

En zij vergaderden zich tegen Mozes, en tegen Aäron, en zeiden tot hen: Het is te veel voor u, want deze ganse vergadering, zij allen, zijn heilig, en de HEERE is in het midden van hen; waarom dan verheft gijlieden u over de gemeente des HEEREN?

4
וַ/יִּשְׁמַ֣ע מֹשֶׁ֔ה וַ/יִּפֹּ֖ל עַל פָּנָֽי/ו־׃
STATEN

Als Mozes dit hoorde, zo viel hij op zijn aangezicht.

5
וַ/יְדַבֵּ֨ר אֶל קֹ֜רַח וְ/אֶֽל כָּל עֲדָת/וֹ֮ לֵ/אמֹר֒ בֹּ֠קֶר וְ/יֹדַ֨ע יְהוָ֧ה אֶת אֲשֶׁר ל֛/וֹ וְ/אֶת הַ/קָּד֖וֹשׁ וְ/הִקְרִ֣יב אֵלָ֑י/ו וְ/אֵ֛ת אֲשֶׁ֥ר יִבְחַר בּ֖/וֹ יַקְרִ֥יב אֵלָֽי/ו־־־־־־־׃
STATEN

En hij sprak tot Korach, en tot zijn ganse vergadering, zeggende: Morgen vroeg dan zal de HEERE bekend maken, wie de Zijne, en de heilige is, dien Hij tot Zich zal doen naderen; en wien Hij verkoren zal hebben, dien zal Hij tot Zich doen naderen.

6
זֹ֖את עֲשׂ֑וּ קְחוּ לָ/כֶ֣ם מַחְתּ֔וֹת קֹ֖רַח וְ/כָל עֲדָתֽ/וֹ־־׃
STATEN

Doet dit: neemt u wierookvaten, Korach en zijn ganse vergadering;

7
וּ/תְנ֣וּ בָ/הֵ֣ן אֵ֡שׁ וְ/שִׂימוּ֩ עֲלֵי/הֶ֨ן קְטֹ֜רֶת לִ/פְנֵ֤י יְהוָה֙ מָחָ֔ר וְ/הָיָ֗ה הָ/אִ֛ישׁ אֲשֶׁר יִבְחַ֥ר יְהוָ֖ה ה֣וּא הַ/קָּד֑וֹשׁ רַב לָ/כֶ֖ם בְּנֵ֥י לֵוִֽי׀־־׃
STATEN

En doet morgen vuur daarin, legt reukwerk daarop voor het aangezicht des HEEREN; en het zal geschieden, dat de man, dien de HEERE verkiezen zal, die zal heilig zijn. Het is te veel voor u, gij, kinderen van Levi!

8
וַ/יֹּ֥אמֶר מֹשֶׁ֖ה אֶל קֹ֑רַח שִׁמְעוּ נָ֖א בְּנֵ֥י לֵוִֽי־־׃
STATEN

Voorts zeide Mozes tot Korach: Hoort toch, gij, kinderen van Levi!

9
הַ/מְעַ֣ט מִ/כֶּ֗ם כִּֽי הִבְדִּיל֩ אֱלֹהֵ֨י יִשְׂרָאֵ֤ל אֶתְ/כֶם֙ מֵ/עֲדַ֣ת יִשְׂרָאֵ֔ל לְ/הַקְרִ֥יב אֶתְ/כֶ֖ם אֵלָ֑י/ו לַ/עֲבֹ֗ד אֶת עֲבֹדַת֙ מִשְׁכַּ֣ן יְהוָ֔ה וְ/לַ/עֲמֹ֛ד לִ/פְנֵ֥י הָ/עֵדָ֖ה לְ/שָׁרְתָֽ/ם־־׃
STATEN

Is het u te weinig, dat de God van Israël u van de vergadering van Israël heeft afgescheiden, om ulieden tot Zich te doen naderen; om den dienst van des HEEREN tabernakel te bedienen, en te staan voor het aangezicht der vergadering, om hen te dienen?

10
וַ/יַּקְרֵב֙ אֹֽתְ/ךָ֔ וְ/אֶת כָּל אַחֶ֥י/ךָ בְנֵי לֵוִ֖י אִתָּ֑/ךְ וּ/בִקַּשְׁתֶּ֖ם גַּם כְּהֻנָּֽה־־־־׃
STATEN

Daar Hij u, en al uw broederen, de kinderen van Levi, met u, heeft doen naderen; zoekt gij nu ook het priesterambt?

11
לָ/כֵ֗ן אַתָּה֙ וְ/כָל עֲדָ֣תְ/ךָ֔ הַ/נֹּעָדִ֖ים עַל יְהוָ֑ה וְ/אַהֲרֹ֣ן מַה ה֔וּא כִּ֥י תלונו עָלָֽי/ו־־־׃ תַלִּ֖ינוּ
STATEN

Daarom gij, en uw ganse vergadering, gij zijt vergaderd tegen den HEERE, want Aäron, wat is hij, dat gij tegen hem murmureert?

12
וַ/יִּשְׁלַ֣ח מֹשֶׁ֔ה לִ/קְרֹ֛א לְ/דָתָ֥ן וְ/לַ/אֲבִירָ֖ם בְּנֵ֣י אֱלִיאָ֑ב וַ/יֹּאמְר֖וּ לֹ֥א נַעֲלֶֽה׃
STATEN

En Mozes schikte heen, om Dathan en Abíram, de zonen van Elíab, te roepen; maar zij zeiden: Wij zullen niet opkomen!

Op De Naamdragers

Blogs over Numeri 16

Nog geen artikelen die specifiek naar Numeri 16 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →