Ga naar inhoud
TORAH

Numeri 19

בְּמִדְבַּר
Hoofdstukken (36)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יְדַבֵּ֣ר יְהוָ֔ה אֶל מֹשֶׁ֥ה וְ/אֶֽל אַהֲרֹ֖ן לֵ/אמֹֽר־־׃
STATEN

Wijders sprak de HEERE tot Mozes en tot Aäron, zeggende:

2
זֹ֚את חֻקַּ֣ת הַ/תּוֹרָ֔ה אֲשֶׁר צִוָּ֥ה יְהוָ֖ה לֵ/אמֹ֑ר דַּבֵּ֣ר אֶל בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֗ל וְ/יִקְח֣וּ אֵלֶי/ךָ֩ פָרָ֨ה אֲדֻמָּ֜ה תְּמִימָ֗ה אֲשֶׁ֤ר אֵֽין בָּ/הּ֙ מ֔וּם אֲשֶׁ֛ר לֹא עָלָ֥ה עָלֶ֖י/הָ עֹֽל־׀־־־׃
STATEN

Dit is de inzetting van de wet, die de HEERE geboden heeft, zeggende: Spreek tot de kinderen Israëls, dat zij tot u brengen een rode volkomene vaars, in welke geen gebrek is, op welke geen juk gekomen is.

3
וּ/נְתַתֶּ֣ם אֹתָ֔/הּ אֶל אֶלְעָזָ֖ר הַ/כֹּהֵ֑ן וְ/הוֹצִ֤יא אֹתָ/הּ֙ אֶל מִ/ח֣וּץ לַֽ/מַּחֲנֶ֔ה וְ/שָׁחַ֥ט אֹתָ֖/הּ לְ/פָנָֽי/ו־־׃
STATEN

En gij zult die geven aan Eleázar, den priester; en hij zal ze uitbrengen tot buiten het leger, en men zal haar voor zijn aangezicht slachten.

4
וְ/לָקַ֞ח אֶלְעָזָ֧ר הַ/כֹּהֵ֛ן מִ/דָּמָ֖/הּ בְּ/אֶצְבָּע֑/וֹ וְ/הִזָּ֞ה אֶל נֹ֨כַח פְּנֵ֧י אֹֽהֶל מוֹעֵ֛ד מִ/דָּמָ֖/הּ שֶׁ֥בַע פְּעָמִֽים־־׃
STATEN

En Eleázar, de priester, zal van haar bloed met zijn vinger nemen, en hij zal van haar bloed recht tegenover de tent der samenkomst zevenmaal sprengen.

5
וְ/שָׂרַ֥ף אֶת הַ/פָּרָ֖ה לְ/עֵינָ֑י/ו אֶת עֹרָ֤/הּ וְ/אֶת בְּשָׂרָ/הּ֙ וְ/אֶת דָּמָ֔/הּ עַל פִּרְשָׁ֖/הּ יִשְׂרֹֽף־־־־־׃
STATEN

Voorts zal men deze vaars voor zijn ogen verbranden; haar vel, en haar vlees, en haar bloed, met haar mest, zal men verbranden.

6
וְ/לָקַ֣ח הַ/כֹּהֵ֗ן עֵ֥ץ אֶ֛רֶז וְ/אֵז֖וֹב וּ/שְׁנִ֣י תוֹלָ֑עַת וְ/הִשְׁלִ֕יךְ אֶל תּ֖וֹךְ שְׂרֵפַ֥ת הַ/פָּרָֽה־׃
STATEN

En de priester zal nemen cederhout, en hysop, en scharlaken, en werpen ze in het midden van den brand dezer vaars.

7
וְ/כִבֶּ֨ס בְּגָדָ֜י/ו הַ/כֹּהֵ֗ן וְ/רָחַ֤ץ בְּשָׂר/וֹ֙ בַּ/מַּ֔יִם וְ/אַחַ֖ר יָב֣וֹא אֶל הַֽ/מַּחֲנֶ֑ה וְ/טָמֵ֥א הַ/כֹּהֵ֖ן עַד הָ/עָֽרֶב־־׃
STATEN

Dan zal de priester zijn klederen wassen, en zijn vlees met water baden, en daarna in het leger gaan; en de priester zal onrein zijn tot aan den avond.

8
וְ/הַ/שֹּׂרֵ֣ף אֹתָ֔/הּ יְכַבֵּ֤ס בְּגָדָי/ו֙ בַּ/מַּ֔יִם וְ/רָחַ֥ץ בְּשָׂר֖/וֹ בַּ/מָּ֑יִם וְ/טָמֵ֖א עַד הָ/עָֽרֶב־׃
STATEN

Ook die haar verbrand heeft, zal zijn klederen met water wassen, en zijn vlees met water baden, en onrein zijn tot aan den avond.

9
וְ/אָסַ֣ף אִ֣ישׁ טָה֗וֹר אֵ֚ת אֵ֣פֶר הַ/פָּרָ֔ה וְ/הִנִּ֛יחַ מִ/ח֥וּץ לַֽ/מַּחֲנֶ֖ה בְּ/מָק֣וֹם טָה֑וֹר וְ֠/הָיְתָה לַ/עֲדַ֨ת בְּנֵֽי יִשְׂרָאֵ֧ל לְ/מִשְׁמֶ֛רֶת לְ/מֵ֥י נִדָּ֖ה חַטָּ֥את הִֽוא׀־׃
STATEN

En een rein man zal de as dezer vaars verzamelen, en buiten het leger in een reine plaats wegleggen; en het zal zijn ter bewaring voor de vergadering van de kinderen Israëls, tot het water der afzondering; het is ontzondiging.

10
וְ֠/כִבֶּס הָ/אֹסֵ֨ף אֶת אֵ֤פֶר הַ/פָּרָה֙ אֶת בְּגָדָ֔י/ו וְ/טָמֵ֖א עַד הָ/עָ֑רֶב וְֽ/הָיְתָ֞ה לִ/בְנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֗ל וְ/לַ/גֵּ֛ר הַ/גָּ֥ר בְּ/תוֹכָ֖/ם לְ/חֻקַּ֥ת עוֹלָֽם־־־׃
STATEN

En die de as dezer vaars verzameld heeft, zal zijn klederen wassen, en onrein zijn tot aan den avond. Dit zal den kinderen Israëls, en den vreemdeling, die in het midden van hen als vreemdeling verkeert, tot een eeuwige inzetting zijn.

11
הַ/נֹּגֵ֥עַ בְּ/מֵ֖ת לְ/כָל נֶ֣פֶשׁ אָדָ֑ם וְ/טָמֵ֖א שִׁבְעַ֥ת יָמִֽים־׃
STATEN

Wie een dode, enig dood lichaam van een mens, aanroert, die zal zeven dagen onrein zijn.

12
ה֣וּא יִתְחַטָּא ב֞/וֹ בַּ/יּ֧וֹם הַ/שְּׁלִישִׁ֛י וּ/בַ/יּ֥וֹם הַ/שְּׁבִיעִ֖י יִטְהָ֑ר וְ/אִם לֹ֨א יִתְחַטָּ֜א בַּ/יּ֧וֹם הַ/שְּׁלִישִׁ֛י וּ/בַ/יּ֥וֹם הַ/שְּׁבִיעִ֖י לֹ֥א יִטְהָֽר־־׃
STATEN

Op den derden dag zal hij zich daarmede ontzondigen, zo zal hij op den zevenden dag rein zijn; maar indien hij zich op den derden dag niet ontzondigt, zo zal hij op den zevenden dag niet rein zijn.

Op De Naamdragers

Blogs over Numeri 19

Nog geen artikelen die specifiek naar Numeri 19 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →