Ga naar inhoud
TORAH

Numeri 7

בְּמִדְבַּר
Hoofdstukken (36)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יְהִ֡י בְּ/יוֹם֩ כַּלּ֨וֹת מֹשֶׁ֜ה לְ/הָקִ֣ים אֶת הַ/מִּשְׁכָּ֗ן וַ/יִּמְשַׁ֨ח אֹת֜/וֹ וַ/יְקַדֵּ֤שׁ אֹת/וֹ֙ וְ/אֶת כָּל כֵּלָ֔י/ו וְ/אֶת הַ/מִּזְבֵּ֖חַ וְ/אֶת כָּל כֵּלָ֑י/ו וַ/יִּמְשָׁחֵ֖/ם וַ/יְקַדֵּ֥שׁ אֹתָֽ/ם־־־־־־׃
STATEN

En het geschiedde ten dage, als Mozes geëindigd had den tabernakel op te richten, en dat hij dien gezalfd, en dien geheiligd had, en al zijn gereedschap, mitsgaders het altaar en al zijn gereedschap, en hij ze gezalfd, en dezelve geheiligd had;

2
וַ/יַּקְרִ֨יבוּ֙ נְשִׂיאֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל רָאשֵׁ֖י בֵּ֣ית אֲבֹתָ֑/ם הֵ֚ם נְשִׂיאֵ֣י הַ/מַּטֹּ֔ת הֵ֥ם הָ/עֹמְדִ֖ים עַל הַ/פְּקֻדִֽים־׃
STATEN

Dat de oversten van Israël, de hoofden van het huis hunner vaderen, offerden; deze waren de oversten der stammen, die over de getelden stonden.

3
וַ/יָּבִ֨יאוּ אֶת קָרְבָּנָ֜/ם לִ/פְנֵ֣י יְהוָ֗ה שֵׁשׁ עֶגְלֹ֥ת צָב֙ וּ/שְׁנֵ֣י עָשָׂ֣ר בָּקָ֔ר עֲגָלָ֛ה עַל שְׁנֵ֥י הַ/נְּשִׂאִ֖ים וְ/שׁ֣וֹר לְ/אֶחָ֑ד וַ/יַּקְרִ֥יבוּ אוֹתָ֖/ם לִ/פְנֵ֥י הַ/מִּשְׁכָּֽן־־־׃
STATEN

En zij brachten hun offerande voor het aangezicht des HEEREN, zes overdekte wagens, en twaalf runderen; een wagen voor twee oversten, en een os voor elk een; en brachten ze voor den tabernakel.

4
וַ/יֹּ֥אמֶר יְהוָ֖ה אֶל מֹשֶׁ֥ה לֵּ/אמֹֽר־׃
STATEN

En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

5
קַ֚ח מֵֽ/אִתָּ֔/ם וְ/הָי֕וּ לַ/עֲבֹ֕ד אֶת עֲבֹדַ֖ת אֹ֣הֶל מוֹעֵ֑ד וְ/נָתַתָּ֤ה אוֹתָ/ם֙ אֶל הַ/לְוִיִּ֔ם אִ֖ישׁ כְּ/פִ֥י עֲבֹדָתֽ/וֹ־־׃
STATEN

Neem ze van hen, opdat zij zijn mogen om te bedienen den dienst van de tent der samenkomst; en gij zult dezelve den Levieten geven, een ieder naar zijn dienst.

6
וַ/יִּקַּ֣ח מֹשֶׁ֔ה אֶת הָ/עֲגָלֹ֖ת וְ/אֶת הַ/בָּקָ֑ר וַ/יִּתֵּ֥ן אוֹתָ֖/ם אֶל הַ/לְוִיִּֽם־־־׃
STATEN

Alzo nam Mozes die wagens, en die runderen, en gaf dezelve den Levieten.

7
אֵ֣ת שְׁתֵּ֣י הָ/עֲגָלֹ֗ת וְ/אֵת֙ אַרְבַּ֣עַת הַ/בָּקָ֔ר נָתַ֖ן לִ/בְנֵ֣י גֵרְשׁ֑וֹן כְּ/פִ֖י עֲבֹדָתָֽ/ם׀׃
STATEN

Twee wagens en vier runderen gaf hij den zonen van Gerson, naar hun dienst;

8
וְ/אֵ֣ת אַרְבַּ֣ע הָ/עֲגָלֹ֗ת וְ/אֵת֙ שְׁמֹנַ֣ת הַ/בָּקָ֔ר נָתַ֖ן לִ/בְנֵ֣י מְרָרִ֑י כְּ/פִי֙ עֲבֹ֣דָתָ֔/ם בְּ/יַד֙ אִֽיתָמָ֔ר בֶּֽן אַהֲרֹ֖ן הַ/כֹּהֵֽן׀־׃
STATEN

En vier wagens en acht runderen gaf hij den zonen van Merári, naar hun dienst; onder de hand van Ithamar, den zoon van Aäron, den priester.

9
וְ/לִ/בְנֵ֥י קְהָ֖ת לֹ֣א נָתָ֑ן כִּֽי עֲבֹדַ֤ת הַ/קֹּ֨דֶשׁ֙ עֲלֵ/הֶ֔ם בַּ/כָּתֵ֖ף יִשָּֽׂאוּ־׃
STATEN

Maar de zonen van Kohath gaf hij niet; want de dienst der heilige dingen was op hen, die zij op de schouderen droegen.

10
וַ/יַּקְרִ֣יבוּ הַ/נְּשִׂאִ֗ים אֵ֚ת חֲנֻכַּ֣ת הַ/מִּזְבֵּ֔חַ בְּ/י֖וֹם הִמָּשַׁ֣ח אֹת֑/וֹ וַ/יַּקְרִ֧יבוּ הַ/נְּשִׂיאִ֛ם אֶת קָרְבָּנָ֖/ם לִ/פְנֵ֥י הַ/מִּזְבֵּֽחַ־׃
STATEN

En de oversten offerden ter inwijding des altaars, op den dag als hetzelve gezalfd werd; de oversten dan offerden hun offeranden voor het altaar.

11
וַ/יֹּ֥אמֶר יְהוָ֖ה אֶל מֹשֶׁ֑ה נָשִׂ֨יא אֶחָ֜ד לַ/יּ֗וֹם נָשִׂ֤יא אֶחָד֙ לַ/יּ֔וֹם יַקְרִ֨יבוּ֙ אֶת קָרְבָּנָ֔/ם לַ/חֲנֻכַּ֖ת הַ/מִּזְבֵּֽחַ־־׃ס
STATEN

En de HEERE zeide tot Mozes: Elke overste zal (een iegelijk op zijn dag) zijn offerande offeren, ter inwijding des altaars.

12
וַ/יְהִ֗י הַ/מַּקְרִ֛יב בַּ/יּ֥וֹם הָ/רִאשׁ֖וֹן אֶת קָרְבָּנ֑/וֹ נַחְשׁ֥וֹן בֶּן עַמִּינָדָ֖ב לְ/מַטֵּ֥ה יְהוּדָֽה־־׃
STATEN

Die nu op den eersten dag zijn offerande offerde, was Nahesson, de zoon van Amminádab, voor den stam van Juda.

Op De Naamdragers

Blogs over Numeri 7

Nog geen artikelen die specifiek naar Numeri 7 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →