NEVIIM

Ezechiël 17

יְחֶזְקֵאל
Hoofdstukken (48)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יְהִ֥י דְבַר יְהוָ֖ה אֵלַ֥/י לֵ/אמֹֽר
STATEN

En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:

2
בֶּן אָדָ֕ם ח֥וּד חִידָ֖ה וּ/מְשֹׁ֣ל מָשָׁ֑ל אֶל בֵּ֖ית יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Mensenkind, stel een raadsel voor, en gebruik een gelijkenis tot het huis Israëls,

3
וְ/אָמַרְתָּ֞ כֹּה אָמַ֣ר אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֗ה הַ/נֶּ֤שֶׁר הַ/גָּדוֹל֙ גְּד֤וֹל הַ/כְּנָפַ֨יִם֙ אֶ֣רֶךְ הָ/אֵ֔בֶר מָלֵא֙ הַ/נּוֹצָ֔ה אֲשֶׁר ל֖/וֹ הָֽ/רִקְמָ֑ה בָּ֚א אֶל הַ/לְּבָנ֔וֹן וַ/יִּקַּ֖ח אֶת צַמֶּ֥רֶת הָ/אָֽרֶז
STATEN

En zeg: Alzo zegt de Heere HEERE: Een arend, die groot was, groot van vleugelen, lang van vlerken, vol van vederen, die verscheidene verven had, kwam op den Libanon, en nam den oppersten tak van een ceder.

4
אֵ֛ת רֹ֥אשׁ יְנִֽיקוֹתָ֖י/ו קָטָ֑ף וַ/יְבִיאֵ֨/הוּ֙ אֶל אֶ֣רֶץ כְּנַ֔עַן בְּ/עִ֥יר רֹכְלִ֖ים שָׂמֽ/וֹ
STATEN

Hij plukte den top van zijn jonge takjes af, en bracht hem in een land van koophandel; hij zette hem in een stad van kooplieden.

5
וַ/יִּקַּח֙ מִ/זֶּ֣רַע הָ/אָ֔רֶץ וַֽ/יִּתְּנֵ֖/הוּ בִּ/שְׂדֵה זָ֑רַע קָ֚ח עַל מַ֣יִם רַבִּ֔ים צַפְצָפָ֖ה שָׂמֽ/וֹ
STATEN

Hij nam ook van het zaad des lands, en legde het in een zaadakker; hij nam het, hij zette het bij vele wateren met grote voorzichtigheid.

6
וַ/יִּצְמַ֡ח וַ/יְהִי֩ לְ/גֶ֨פֶן סֹרַ֜חַת שִׁפְלַ֣ת קוֹמָ֗ה לִ/פְנ֤וֹת דָּלִיּוֹתָי/ו֙ אֵלָ֔י/ו וְ/שָׁרָשָׁ֖י/ו תַּחְתָּ֣י/ו יִֽהְי֑וּ וַ/תְּהִ֣י לְ/גֶ֔פֶן וַ/תַּ֣עַשׂ בַּדִּ֔ים וַ/תְּשַׁלַּ֖ח פֹּארֽוֹת
STATEN

En het sproot uit, en werd tot een welig uitlopende wijnstok, doch nederig van stam, ziende met zijn takken naar hem, dewijl zijn wortelen onder hem waren. Zo werd hij tot een wijnstok, die ranken voortbracht en scheuten uitwierp.

7
וַ/יְהִ֤י נֶֽשֶׁר אֶחָד֙ גָּד֔וֹל גְּד֥וֹל כְּנָפַ֖יִם וְ/רַב נוֹצָ֑ה וְ/הִנֵּה֩ הַ/גֶּ֨פֶן הַ/זֹּ֜את כָּֽפְנָ֧ה שָׁרֳשֶׁ֣י/הָ עָלָ֗י/ו וְ/דָֽלִיּוֹתָי/ו֙ שִׁלְחָה לּ֔/וֹ לְ/הַשְׁק֣וֹת אוֹתָ֔/הּ מֵ/עֲרֻג֖וֹת מַטָּעָֽ/הּ
STATEN

Nog was er een grote arend, groot van vleugelen en overvloedig van vederen; en ziet, deze wijnstok voegde zijn wortelen naar denzelven toe, en wierp zijn takken tot hem uit, opdat hij hem bevochtigen zou naar de bedden zijner planting toe.

8
אֶל שָׂ֥דֶה טּ֛וֹב אֶל מַ֥יִם רַבִּ֖ים הִ֣יא שְׁתוּלָ֑ה לַ/עֲשׂ֤וֹת עָנָף֙ וְ/לָ/שֵׂ֣את פֶּ֔רִי לִ/הְי֖וֹת לְ/גֶ֥פֶן אַדָּֽרֶת
STATEN

Hij was in een goede landouwe bij vele wateren geplant, om takken te maken en vrucht te dragen, opdat hij tot een heerlijken wijnstok worden mocht.

9
אֱמֹ֗ר כֹּ֥ה אָמַ֛ר אֲדֹנָ֥/י יְהֹוִ֖ה תִּצְלָ֑ח הֲ/לוֹא֩ אֶת שָׁרָשֶׁ֨י/הָ יְנַתֵּ֜ק וְ/אֶת פִּרְיָ֣/הּ יְקוֹסֵ֣ס וְ/יָבֵ֗שׁ כָּל טַרְפֵּ֤י צִמְחָ/הּ֙ תִּיבָ֔שׁ וְ/לֹֽא בִ/זְרֹ֤עַ גְּדוֹלָה֙ וּ/בְ/עַם רָ֔ב לְ/מַשְׂא֥וֹת אוֹתָ֖/הּ מִ/שָּׁרָשֶֽׁי/הָ
STATEN

Zeg: Alzo zegt de Heere HEERE: Zal hij gedijen? Zal hij niet zijn wortelen uitrukken, en zijn vrucht afsnijden, dat hij droog worde? Hij zal aan al de bladeren van zijn gewas verdrogen; en dat niet door een groten arm, noch door veel volks, om dien van zijn wortelen weg te voeren.

10
וְ/הִנֵּ֥ה שְׁתוּלָ֖ה הֲ/תִצְלָ֑ח הֲ/לוֹא֩ כְ/גַ֨עַת בָּ֜/הּ ר֤וּחַ הַ/קָּדִים֙ תִּיבַ֣שׁ יָבֹ֔שׁ עַל עֲרֻגֹ֥ת צִמְחָ֖/הּ תִּיבָֽשׁ
STATEN

Ja ziet, zal hij geplant zijnde gedijen? Zal hij niet, als de oostenwind hem aanroert, gans verdrogen? Op de bedden van zijn gewas zal hij verdrogen.

11
וַ/יְהִ֥י דְבַר יְהוָ֖ה אֵלַ֥/י לֵ/אמֹֽר
STATEN

Daarna geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:

12
אֱמָר נָא֙ לְ/בֵ֣ית הַ/מֶּ֔רִי הֲ/לֹ֥א יְדַעְתֶּ֖ם מָה אֵ֑לֶּה אֱמֹ֗ר הִנֵּה בָ֨א מֶֽלֶךְ בָּבֶ֤ל יְרוּשָׁלִַ֨ם֙ וַ/יִּקַּ֤ח אֶת מַלְכָּ/הּ֙ וְ/אֶת שָׂרֶ֔י/הָ וַ/יָּבֵ֥א אוֹתָ֛/ם אֵלָ֖י/ו בָּבֶֽלָ/ה
STATEN

Zeg nu tot dat wederspannig huis: Weet gij niet, wat deze dingen zijn? Zeg: Ziet, de koning van Babel is tot Jeruzalem gekomen, en heeft haar koning genomen, en haar vorsten, en heeft ze tot zich gevoerd naar Babel.

13
וַ/יִּקַּח֙ מִ/זֶּ֣רַע הַ/מְּלוּכָ֔ה וַ/יִּכְרֹ֥ת אִתּ֖/וֹ בְּרִ֑ית וַ/יָּבֵ֤א אֹת/וֹ֙ בְּ/אָלָ֔ה וְ/אֶת אֵילֵ֥י הָ/אָ֖רֶץ לָקָֽח
STATEN

Daartoe heeft hij van het koninklijk zaad genomen, en daarmede een verbond gemaakt, en heeft hem tot een eed gebracht, en de machtigen des lands heeft hij weggenomen;

14
לִֽ/הְיוֹת֙ מַמְלָכָ֣ה שְׁפָלָ֔ה לְ/בִלְתִּ֖י הִתְנַשֵּׂ֑א לִ/שְׁמֹ֥ר אֶת בְּרִית֖/וֹ לְ/עָמְדָֽ/הּ
STATEN

Opdat het koninkrijk nederig zou zijn, zich niet verheffende, en dat het, zijn verbond houdende, bestaan mocht.

15
וַ/יִּמְרָד בּ֗/וֹ לִ/שְׁלֹ֤חַ מַלְאָכָי/ו֙ מִצְרַ֔יִם לָֽ/תֶת ל֥/וֹ סוּסִ֖ים וְ/עַם רָ֑ב הֲ/יִצְלָ֤ח הֲ/יִמָּלֵט֙ הָ/עֹשֵׂ֣ה אֵ֔לֶּה וְ/הֵפֵ֥ר בְּרִ֖ית וְ/נִמְלָֽט
STATEN

Maar hij rebelleerde tegen hem, zendende zijn boden in Egypte, opdat men hem paarden en veel volks bestellen zou; zal hij gedijen? Zal hij ontkomen, die zulke dingen doet? Ja, zal hij het verbond breken en ontkomen?

16
חַי אָ֗נִי נְאֻם֮ אֲדֹנָ֣/י יְהוִה֒ אִם לֹ֗א בִּ/מְקוֹם֙ הַ/מֶּ֨לֶךְ֙ הַ/מַּמְלִ֣יךְ אֹת֔/וֹ אֲשֶׁ֤ר בָּזָה֙ אֶת אָ֣לָת֔/וֹ וַ/אֲשֶׁ֥ר הֵפֵ֖ר אֶת בְּרִית֑/וֹ אִתּ֥/וֹ בְ/תוֹךְ בָּבֶ֖ל יָמֽוּת
STATEN

Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo hij niet in de plaats des konings, die hem koning gemaakt heeft, wiens eed hij veracht, en wiens verbond hij gebroken heeft, bij hem in het midden van Babel zal sterven!

17
וְ/לֹא֩ בְ/חַ֨יִל גָּד֜וֹל וּ/בְ/קָהָ֣ל רָ֗ב יַעֲשֶׂ֨ה אוֹת֤/וֹ פַרְעֹה֙ בַּ/מִּלְחָמָ֔ה בִּ/שְׁפֹּ֥ךְ סֹלְלָ֖ה וּ/בִ/בְנ֣וֹת דָּיֵ֑ק לְ/הַכְרִ֖ית נְפָשׁ֥וֹת רַבּֽוֹת
STATEN

Ook zal Faraö, door een groot heir en door menigte van krijgsvergadering, met hem in oorlog niets uitrichten als men een wal zal opwerpen, en als men sterkten bouwen zal, om vele zielen uit te roeien.

18
וּ/בָזָ֥ה אָלָ֖ה לְ/הָפֵ֣ר בְּרִ֑ית וְ/הִנֵּ֨ה נָתַ֥ן יָד֛/וֹ וְ/כָל אֵ֥לֶּה עָשָׂ֖ה לֹ֥א יִמָּלֵֽט
STATEN

Want hij heeft den eed veracht, brekende het verbond, daar hij, ziet, zijn hand gegeven had; dewijl hij al deze dingen gedaan heeft, zal hij niet ontkomen.

19
לָ/כֵ֞ן כֹּה אָמַ֨ר אֲדֹנָ֣/י יְהוִה֮ חַי אָנִי֒ אִם לֹ֗א אָֽלָתִ/י֙ אֲשֶׁ֣ר בָּזָ֔ה וּ/בְרִיתִ֖/י אֲשֶׁ֣ר הֵפִ֑יר וּ/נְתַתִּ֖י/ו בְּ/רֹאשֽׁ/וֹ
STATEN

Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Zo waarachtig als Ik leef, zo Ik Mijn eed, dien hij veracht heeft, en Mijn verbond, dat hij gebroken heeft, datzelve niet op zijn hoofd geve!

20
וּ/פָרַשְׂתִּ֤י עָלָי/ו֙ רִשְׁתִּ֔/י וְ/נִתְפַּ֖שׂ בִּ/מְצֽוּדָתִ֑/י וַ/הֲבִיאוֹתִ֣י/הוּ בָבֶ֗לָ/ה וְ/נִשְׁפַּטְתִּ֤י אִתּ/וֹ֙ שָׁ֔ם מַעֲל֖/וֹ אֲשֶׁ֥ר מָֽעַל בִּֽ/י
STATEN

En Ik zal Mijn net over hem uitspreiden, dat hij gegrepen zal worden in Mijn jachtgaren; en Ik zal hem doen brengen naar Babel, en zal daar met hem rechten over zijn overtreding, waardoor hij tegen Mij overtreden heeft.

21
וְ/אֵ֨ת כָּל מברח/ו בְּ/כָל אֲגַפָּי/ו֙ בַּ/חֶ֣רֶב יִפֹּ֔לוּ וְ/הַ/נִּשְׁאָרִ֖ים לְ/כָל ר֣וּחַ יִפָּרֵ֑שׂוּ וִ/ידַעְתֶּ֕ם כִּ֛י אֲנִ֥י יְהוָ֖ה דִּבַּֽרְתִּי מִבְרָחָ֤י/ו
STATEN

Daartoe zullen al zijn vluchtelingen met al zijn benden door het zwaard vallen, en de overgeblevenen zullen in alle winden verstrooid worden; en gijlieden zult weten, dat Ik, de HEERE, gesproken heb.

22
כֹּ֤ה אָמַר֙ אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֔ה וְ/לָקַ֣חְתִּי אָ֗נִי מִ/צַּמֶּ֧רֶת הָ/אֶ֛רֶז הָ/רָמָ֖ה וְ/נָתָ֑תִּי מֵ/רֹ֤אשׁ יֹֽנְקוֹתָי/ו֙ רַ֣ךְ אֶקְטֹ֔ף וְ/שָׁתַ֣לְתִּי אָ֔נִי עַ֥ל הַר גָּבֹ֖הַ וְ/תָלֽוּל
STATEN

Alzo zegt de Heere HEERE: Ik zal ook van den oppersten tak des hogen ceders nemen, dat Ik zetten zal; van het opperste zijner jonge takjes zal Ik een tederen afplukken, denwelken Ik op een hogen en verhevenen berg planten zal;

23
בְּ/הַ֨ר מְר֤וֹם יִשְׂרָאֵל֙ אֶשְׁתֳּלֶ֔/נּוּ וְ/נָשָׂ֤א עָנָף֙ וְ/עָ֣שָׂה פֶ֔רִי וְ/הָיָ֖ה לְ/אֶ֣רֶז אַדִּ֑יר וְ/שָׁכְנ֣וּ תַחְתָּ֗י/ו כֹּ֚ל צִפּ֣וֹר כָּל כָּנָ֔ף בְּ/צֵ֥ל דָּלִיּוֹתָ֖י/ו תִּשְׁכֹּֽנָּה
STATEN

Op den berg der hoogte van Israël zal Ik hem planten; en hij zal takken voortbrengen, en vrucht dragen, en hij zal tot een heerlijken ceder worden, dat onder hem wonen zal alle gevogelte van allerlei vleugel; in de schaduw zijner takken zullen zij wonen.

24
וְֽ/יָדְע֞וּ כָּל עֲצֵ֣י הַ/שָּׂדֶ֗ה כִּ֣י אֲנִ֤י יְהוָה֙ הִשְׁפַּ֣לְתִּי עֵ֣ץ גָּבֹ֗הַ הִגְבַּ֨הְתִּי֙ עֵ֣ץ שָׁפָ֔ל הוֹבַ֨שְׁתִּי֙ עֵ֣ץ לָ֔ח וְ/הִפְרַ֖חְתִּי עֵ֣ץ יָבֵ֑שׁ אֲנִ֥י יְהוָ֖ה דִּבַּ֥רְתִּי וְ/עָשִֽׂיתִי
STATEN

Zo zullen alle bomen des velds weten, dat Ik, de HEERE, den hogen boom vernederd heb, den nederigen boom verheven heb, den groenen boom verdroogd, en den drogen boom bloeiende gemaakt heb; Ik, de HEERE, heb het gesproken, en zal het doen.