Ga naar inhoud
NEVIIM

Ezechiël 24

יְחֶזְקֵאל
Hoofdstukken (48)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יְהִי֩ דְבַר יְהוָ֨ה אֵלַ֜/י בַּ/שָּׁנָ֤ה הַ/תְּשִׁיעִית֙ בַּ/חֹ֣דֶשׁ הָ/עֲשִׂירִ֔י בֶּ/עָשׂ֥וֹר לַ/חֹ֖דֶשׁ לֵ/אמֹֽר־׃
STATEN

Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, in het negende jaar, in de tiende maand, op den tienden der maand, zeggende:

2
בֶּן אָדָ֗ם כתוב לְ/ךָ֙ אֶת שֵׁ֣ם הַ/יּ֔וֹם אֶת עֶ֖צֶם הַ/יּ֣וֹם הַ/זֶּ֑ה סָמַ֤ךְ מֶֽלֶךְ בָּבֶל֙ אֶל יְר֣וּשָׁלִַ֔ם בְּ/עֶ֖צֶם הַ/יּ֥וֹם הַ/זֶּֽה־־־־־־׃ כְּתָב
STATEN

Mensenkind! schrijf u den naam van den dag op, even van dezen zelfden dag; de koning van Babel legt zich voor Jeruzalem, even op dezen zelfden dag.

3
וּ/מְשֹׁ֤ל אֶל בֵּית הַ/מֶּ֨רִי֙ מָשָׁ֔ל וְ/אָמַרְתָּ֣ אֲלֵי/הֶ֔ם כֹּ֥ה אָמַ֖ר אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֑ה שְׁפֹ֤ת הַ/סִּיר֙ שְׁפֹ֔ת וְ/גַם יְצֹ֥ק בּ֖/וֹ מָֽיִם־־־׃
STATEN

En gebruik een gelijkenis tot dat wederspannig huis, en zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Zet een pot toe, zet hem toe, en giet ook water daarin.

4
אֱסֹ֤ף נְתָחֶ֨י/הָ֙ אֵלֶ֔י/הָ כָּל נֵ֥תַח ט֖וֹב יָרֵ֣ךְ וְ/כָתֵ֑ף מִבְחַ֥ר עֲצָמִ֖ים מַלֵּֽא־׃
STATEN

Doe zijn stukken te zamen daarin, alle goede stukken, de dij en den schouder, vul hem met de keur der beenderen.

5
מִבְחַ֤ר הַ/צֹּאן֙ לָק֔וֹחַ וְ/גַ֛ם דּ֥וּר הָ/עֲצָמִ֖ים תַּחְתֶּ֑י/הָ רַתַּ֣ח רְתָחֶ֔י/הָ גַּם בָּשְׁל֥וּ עֲצָמֶ֖י/הָ בְּ/תוֹכָֽ/הּ־׃ס
STATEN

Neem de keur van de kudde, en stook ook een brandstapel van de beenderen daaronder; doe hem wel opzieden; ook zullen zijn beenderen daarin gekookt worden.

6
לָ/כֵ֞ן כֹּה אָמַ֣ר אֲדֹנָ֣/י יְהֹוִ֗ה אוֹי֮ עִ֣יר הַ/דָּמִים֒ סִ֚יר אֲשֶׁ֣ר חֶלְאָתָ֣/ה בָ֔/הּ וְ/חֶ֨לְאָתָ֔/הּ לֹ֥א יָצְאָ֖ה מִמֶּ֑/נָּה לִ/נְתָחֶ֤י/הָ לִ/נְתָחֶ֨י/הָ֙ הוֹצִיאָ֔/הּ לֹא נָפַ֥ל עָלֶ֖י/הָ גּוֹרָֽל־׀־׃
STATEN

Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Wee der bloedstad, den pot, welks schuim in hem is, en van welken zijn schuim niet is uitgegaan! trek stuk bij stuk daaruit, en laat het lot over hem niet vallen.

7
כִּ֤י דָמָ/הּ֙ בְּ/תוֹכָ֣/הּ הָיָ֔ה עַל צְחִ֥יחַ סֶ֖לַע שָׂמָ֑תְ/הוּ לֹ֤א שְׁפָכַ֨תְ/הוּ֙ עַל הָ/אָ֔רֶץ לְ/כַסּ֥וֹת עָלָ֖י/ו עָפָֽר־־׃
STATEN

Want haar bloed is in het midden van haar; op een gladde steenrots heeft zij dat gelegd; zij heeft het op de aarde niet uitgestort, om hetzelve met stof te bedekken.

8
לְ/הַעֲל֤וֹת חֵמָה֙ לִ/נְקֹ֣ם נָקָ֔ם נָתַ֥תִּי אֶת דָּמָ֖/הּ עַל צְחִ֣יחַ סָ֑לַע לְ/בִלְתִּ֖י הִכָּסֽוֹת־־׃פ
STATEN

Opdat Ik de grimmigheid doe opgaan om wraak te oefenen, heb Ik ook haar bloed op een gladde steenrots gelegd, opdat het niet bedekt worde.

9
לָ/כֵ֗ן כֹּ֤ה אָמַר֙ אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֔ה א֖וֹי עִ֣יר הַ/דָּמִ֑ים גַּם אֲנִ֖י אַגְדִּ֥יל הַ/מְּדוּרָֽה־׃
STATEN

Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Wee der bloedstad! Ik zal ook den brandstapel groot maken!

10
הַרְבֵּ֤ה הָ/עֵצִים֙ הַדְלֵ֣ק הָ/אֵ֔שׁ הָתֵ֖ם הַ/בָּשָׂ֑ר וְ/הַרְקַח֙ הַ/מֶּרְקָחָ֔ה וְ/הָ/עֲצָמ֖וֹת יֵחָֽרוּ׃
STATEN

Draag veel houts toe, steek het vuur aan, verteer het vlees, en kruid het met specerijen, en laat de beenderen verbranden.

11
וְ/הַעֲמִידֶ֥/הָ עַל גֶּחָלֶ֖י/הָ רֵקָ֑ה לְמַ֨עַן תֵּחַ֜ם וְ/חָ֣רָה נְחֻשְׁתָּ֗/הּ וְ/נִתְּכָ֤ה בְ/תוֹכָ/הּ֙ טֻמְאָתָ֔/הּ תִּתֻּ֖ם חֶלְאָתָֽ/הּ־׃
STATEN

Stel hem daarna ledig op zijn kolen, opdat hij heet worde, en zijn roest verbrande, en zijn onreinigheid in het midden van hem versmelte, zijn schuim verteerd worde.

12
תְּאֻנִ֖ים הֶלְאָ֑ת וְ/לֹֽא תֵצֵ֤א מִמֶּ֨/נָּה֙ רַבַּ֣ת חֶלְאָתָ֔/הּ בְּ/אֵ֖שׁ חֶלְאָתָֽ/הּ־׃
STATEN

Met ijdelheden heeft zij Mij moede gemaakt; nog is haar overvloedig schuim van haar niet uitgegaan; haar schuim moet in het vuur.

Op De Naamdragers

Blogs over Ezechiël 24

Nog geen artikelen die specifiek naar Ezechiël 24 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →