NEVIIM

Ezechiël 35

יְחֶזְקֵאל
Hoofdstukken (48)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יְהִ֥י דְבַר יְהוָ֖ה אֵלַ֥/י לֵ/אמֹֽר
STATEN

Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:

2
בֶּן אָדָ֕ם שִׂ֥ים פָּנֶ֖י/ךָ עַל הַ֣ר שֵׂעִ֑יר וְ/הִנָּבֵ֖א עָלָֽי/ו
STATEN

Mensenkind! zet uw aangezicht tegen het gebergte Seïr, en profeteer tegen hetzelve,

3
וְ/אָמַ֣רְתָּ לּ֗/וֹ כֹּ֤ה אָמַר֙ אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֔ה הִנְ/נִ֥י אֵלֶ֖י/ךָ הַר שֵׂעִ֑יר וְ/נָטִ֤יתִי יָדִ/י֙ עָלֶ֔י/ךָ וּ/נְתַתִּ֖י/ךָ שְׁמָמָ֥ה וּ/מְשַׁמָּֽה
STATEN

En zeg tot hetzelve: Alzo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik wil aan u, o gebergte Seïr! en Ik zal Mijn hand tegen u uitstrekken, en zal u stellen tot een verwoesting en een schrik.

4
עָרֶ֨י/ךָ֙ חָרְבָּ֣ה אָשִׂ֔ים וְ/אַתָּ֖ה שְׁמָמָ֣ה תִֽהְיֶ֑ה וְ/יָדַעְתָּ֖ כִּֽי אֲנִ֥י יְהוָֽה
STATEN

Ik zal uw steden stellen tot eenzaamheid, en gij zult een verwoesting worden, en zult weten, dat Ik de HEERE ben.

5
יַ֗עַן הֱי֤וֹת לְ/ךָ֙ אֵיבַ֣ת עוֹלָ֔ם וַ/תַּגֵּ֥ר אֶת בְּנֵֽי יִשְׂרָאֵ֖ל עַל יְדֵי חָ֑רֶב בְּ/עֵ֣ת אֵידָ֔/ם בְּ/עֵ֖ת עֲוֺ֥ן קֵֽץ
STATEN

Omdat gij een eeuwige vijandschap hebt, en hebt de kinderen Israëls doen wegvloeien door het geweld des zwaards, ten tijde huns verderfs, ten tijde der uiterste ongerechtigheid;

6
לָ/כֵ֣ן חַי אָ֗נִי נְאֻם֙ אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֔ה כִּֽי לְ/דָ֥ם אֶעֶשְׂ/ךָ֖ וְ/דָ֣ם יִרְדֲּפֶ֑/ךָ אִם לֹ֥א דָ֛ם שָׂנֵ֖אתָ וְ/דָ֥ם יִרְדֲּפֶֽ/ךָ
STATEN

Daarom, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE; Ik zal u voorzeker ten bloede bereiden, en het bloed zal u vervolgen; alzo gij het bloed niet hebt gehaat, zal u het bloed ook vervolgen.

7
וְ/נָֽתַתִּי֙ אֶת הַ֣ר שֵׂעִ֔יר לְ/שִֽׁמְמָ֖ה וּ/שְׁמָמָ֑ה וְ/הִכְרַתִּ֥י מִמֶּ֖/נּוּ עֹבֵ֥ר וָ/שָֽׁב
STATEN

En Ik zal het gebergte Seïr tot de uiterste verwoesting stellen; en Ik zal uit hetzelve uitroeien dien, die er doorgaat, en dien, die wederkeert.

8
וּ/מִלֵּאתִ֥י אֶת הָרָ֖י/ו חֲלָלָ֑י/ו גִּבְעוֹתֶ֤י/ךָ וְ/גֵאוֹתֶ֨י/ךָ֙ וְ/כָל אֲפִיקֶ֔י/ךָ חַלְלֵי חֶ֖רֶב יִפְּל֥וּ בָ/הֶֽם
STATEN

En Ik zal zijn bergen met zijn verslagenen vervullen; uw heuvelen, en uw dalen, en al uw stromen, in dezelve zullen de verslagenen van het zwaard liggen.

9
שִֽׁמְמ֤וֹת עוֹלָם֙ אֶתֶּנְ/ךָ֔ וְ/עָרֶ֖י/ךָ לֹ֣א תישבנה וִֽ/ידַעְתֶּ֖ם כִּֽי אֲנִ֥י יְהוָֽה תָשֹׁ֑בְנָה
STATEN

Tot eeuwige verwoestingen zal Ik u stellen, en uw steden zullen niet bewoond worden; alzo zult gij weten, dat Ik de HEERE ben.

10
יַ֣עַן אֲ֠מָרְ/ךָ אֶת שְׁנֵ֨י הַ/גּוֹיִ֜ם וְ/אֶת שְׁתֵּ֧י הָ/אֲרָצ֛וֹת לִ֥/י תִהְיֶ֖ינָה וִֽ/ירַשְׁנ֑וּ/הָ וַֽ/יהוָ֖ה שָׁ֥ם הָיָֽה
STATEN

Omdat gij zegt: Die twee volken en die twee landen zullen mij geworden, en wij zullen ze erfelijk bezitten, ofschoon de HEERE daar ware;

11
לָ/כֵ֣ן חַי אָ֗נִי נְאֻם֮ אֲדֹנָ֣/י יְהוִה֒ וְ/עָשִׂ֗יתִי כְּ/אַפְּ/ךָ֙ וּ/כְ/קִנְאָ֣תְ/ךָ֔ אֲשֶׁ֣ר עָשִׂ֔יתָה מִ/שִּׂנְאָתֶ֖י/ךָ בָּ֑/ם וְ/נוֹדַ֥עְתִּי בָ֖/ם כַּ/אֲשֶׁ֥ר אֶשְׁפְּטֶֽ/ךָ
STATEN

Daarom, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE: Ik zal ook handelen naar uw toorn en naar uw nijdigheid, die gij uit uw haat tegen hen hebt te werk gesteld; en Ik zal bij hen bekend worden, wanneer Ik u zal gericht hebben.

12
וְֽ/יָדַעְתָּ֮ כִּֽי אֲנִ֣י יְהוָה֒ שָׁמַ֣עְתִּי אֶת כָּל נָאָֽצוֹתֶ֗י/ךָ אֲשֶׁ֥ר אָמַ֛רְתָּ עַל הָרֵ֥י יִשְׂרָאֵ֖ל לֵ/אמֹ֣ר שממה לָ֥/נוּ נִתְּנ֖וּ לְ/אָכְלָֽה שָׁמֵ֑מוּ
STATEN

En gij zult weten, dat Ik, de HEERE, al uw lasteringen gehoord heb, die gij tegen de bergen Israëls gesproken hebt, zeggende: Zij zijn verwoest, zij zijn ons ter spijze gegeven.

13
וַ/תַּגְדִּ֤ילוּ עָלַ/י֙ בְּ/פִי/כֶ֔ם וְ/הַעְתַּרְתֶּ֥ם עָלַ֖/י דִּבְרֵי/כֶ֑ם אֲנִ֖י שָׁמָֽעְתִּי
STATEN

Alzo hebt gij u met uw mond tegen Mij groot gemaakt, en uw woorden tegen Mij vermenigvuldigd; Ik heb het gehoord.

14
כֹּ֥ה אָמַ֖ר אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֑ה כִּ/שְׂמֹ֨חַ֙ כָּל הָ/אָ֔רֶץ שְׁמָמָ֖ה אֶעֱשֶׂה לָּֽ/ךְ
STATEN

Alzo zegt de Heere HEERE: Gelijk het ganse land verblijd is, alzo zal Ik u de verwoesting aandoen.

15
כְּ/שִׂמְחָ֨תְ/ךָ֜ לְ/נַחְלַ֧ת בֵּֽית יִשְׂרָאֵ֛ל עַ֥ל אֲשֶׁר שָׁמֵ֖מָה כֵּ֣ן אֶעֱשֶׂה לָּ֑/ךְ שְׁמָמָ֨ה תִֽהְיֶ֤ה הַר שֵׂעִיר֙ וְ/כָל אֱד֣וֹם כֻּלָּ֔/הּ וְ/יָדְע֖וּ כִּֽי אֲנִ֥י יְהוָֽה
STATEN

Gelijk gij u verblijd hebt over de erfenis van het huis Israëls, omdat zij verwoest is, alzo zal Ik aan u doen; het gebergte van Seïr, en gans Edom, zal geheel een verwoesting worden; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.