NEVIIM

Ezechiël 12

יְחֶזְקֵאל
Hoofdstukken (48)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יְהִ֥י דְבַר יְהוָ֖ה אֵלַ֥/י לֵ/אמֹֽר
STATEN

Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:

2
בֶּן אָדָ֕ם בְּ/ת֥וֹךְ בֵּית הַ/מֶּ֖רִי אַתָּ֣ה יֹשֵׁ֑ב אֲשֶׁ֣ר עֵינַיִם֩ לָ/הֶ֨ם לִ/רְא֜וֹת וְ/לֹ֣א רָא֗וּ אָזְנַ֨יִם לָ/הֶ֤ם לִ/שְׁמֹ֨עַ֙ וְ/לֹ֣א שָׁמֵ֔עוּ כִּ֛י בֵּ֥ית מְרִ֖י הֵֽם
STATEN

Mensenkind! gij woont in het midden van een wederspannig huis, dewelke ogen hebben om te zien, en niet zien, oren hebben om te horen, en niet horen, want zij zijn een wederspannig huis.

3
וְ/אַתָּ֣ה בֶן אָדָ֗ם עֲשֵׂ֤ה לְ/ךָ֙ כְּלֵ֣י גוֹלָ֔ה וּ/גְלֵ֥ה יוֹמָ֖ם לְ/עֵֽינֵי/הֶ֑ם וְ/גָלִ֨יתָ מִ/מְּקוֹמְ/ךָ֜ אֶל מָק֤וֹם אַחֵר֙ לְ/עֵ֣ינֵי/הֶ֔ם אוּלַ֣י יִרְא֔וּ כִּ֛י בֵּ֥ית מְרִ֖י הֵֽמָּה
STATEN

Daarom gij, mensenkind, maak u gereedschap van vertrekking; en vertrek bij dag voor hun ogen; en gij zult vertrekken van uw plaats tot een andere plaats voor hun ogen; misschien zullen zij het merken, hoewel zij een wederspannig huis zijn.

4
וְ/הוֹצֵאתָ֨ כֵלֶ֜י/ךָ כִּ/כְלֵ֥י גוֹלָ֛ה יוֹמָ֖ם לְ/עֵֽינֵי/הֶ֑ם וְ/אַתָּ֗ה תֵּצֵ֤א בָ/עֶ֨רֶב֙ לְ/עֵ֣ינֵי/הֶ֔ם כְּ/מוֹצָאֵ֖י גּוֹלָֽה
STATEN

Gij zult dan uw gereedschap bij dag voor hun ogen uitbrengen, als het gereedschap dergenen, die vertrekken; daarna zult gij in den avond uitgaan voor hun ogen, gelijk zij uitgaan, die vertrekken.

5
לְ/עֵינֵי/הֶ֖ם חֲתָר לְ/ךָ֣ בַ/קִּ֑יר וְ/הוֹצֵאתָ֖ בּֽ/וֹ
STATEN

Doorgraaf u den wand voor hun ogen, en breng daardoor uw gereedschap uit.

6
לְ/עֵ֨ינֵי/הֶ֜ם עַל כָּתֵ֤ף תִּשָּׂא֙ בָּ/עֲלָטָ֣ה תוֹצִ֔יא פָּנֶ֣י/ךָ תְכַסֶּ֔ה וְ/לֹ֥א תִרְאֶ֖ה אֶת הָ/אָ֑רֶץ כִּֽי מוֹפֵ֥ת נְתַתִּ֖י/ךָ לְ/בֵ֥ית יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Voor hun ogen zult gij het op de schouders dragen, in donker zult gij het uitbrengen; uw aangezicht zult gij bedekken, dat gij het land niet ziet; want Ik heb u den huize Israëls tot een wonderteken gegeven.

7
וָ/אַ֣עַשׂ כֵּן֮ כַּ/אֲשֶׁ֣ר צֻוֵּיתִי֒ כֵּ֠לַ/י הוֹצֵ֜אתִי כִּ/כְלֵ֤י גוֹלָה֙ יוֹמָ֔ם וּ/בָ/עֶ֛רֶב חָתַֽרְתִּי לִ֥/י בַ/קִּ֖יר בְּ/יָ֑ד בָּ/עֲלָטָ֥ה הוֹצֵ֛אתִי עַל כָּתֵ֥ף נָשָׂ֖אתִי לְ/עֵינֵי/הֶֽם
STATEN

En ik deed alzo, gelijk als mij bevolen was; ik bracht mijn gereedschap uit bij dag, als het gereedschap dergenen, die vertrekken; daarna in den avond doorgroef ik mij den wand met de hand; ik bracht het uit in donker, en ik droeg het op den schouder voor hun ogen.

8
וַ/יְהִ֧י דְבַר יְהוָ֛ה אֵלַ֖/י בַּ/בֹּ֥קֶר לֵ/אמֹֽר
STATEN

En des morgens geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:

9
בֶּן אָדָ֕ם הֲ/לֹ֨א אָמְר֥וּ אֵלֶ֛י/ךָ בֵּ֥ית יִשְׂרָאֵ֖ל בֵּ֣ית הַ/מֶּ֑רִי מָ֖ה אַתָּ֥ה עֹשֶֽׂה
STATEN

Mensenkind, heeft niet het huis Israëls, het wederspannig huis, tot u gezegd: Wat doet gij?

10
אֱמֹ֣ר אֲלֵי/הֶ֔ם כֹּ֥ה אָמַ֖ר אֲדֹנָ֣/י יְהֹוִ֑ה הַ/נָּשִׂ֞יא הַ/מַּשָּׂ֤א הַ/זֶּה֙ בִּ/יר֣וּשָׁלִַ֔ם וְ/כָל בֵּ֥ית יִשְׂרָאֵ֖ל אֲשֶׁר הֵ֥מָּה בְ/תוֹכָֽ/ם
STATEN

Zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Deze last is tegen den vorst te Jeruzalem, en het ganse huis Israëls, dat in het midden van hen is.

11
אֱמֹ֖ר אֲנִ֣י מֽוֹפֶתְ/כֶ֑ם כַּ/אֲשֶׁ֣ר עָשִׂ֗יתִי כֵּ֚ן יֵעָשֶׂ֣ה לָ/הֶ֔ם בַּ/גּוֹלָ֥ה בַ/שְּׁבִ֖י יֵלֵֽכוּ
STATEN

Zeg: Ik ben ulieder wonderteken; gelijk als ik gedaan heb, alzo zal hun gedaan worden; zij zullen door wegvoering in de gevangenis heengaan.

12
וְ/הַ/נָּשִׂ֨יא אֲשֶׁר בְּ/תוֹכָ֜/ם אֶל כָּתֵ֤ף יִשָּׂא֙ בָּ/עֲלָטָ֣ה וְ/יֵצֵ֔א בַּ/קִּ֥יר יַחְתְּר֖וּ לְ/ה֣וֹצִיא ב֑/וֹ פָּנָ֣י/ו יְכַסֶּ֔ה יַ֗עַן אֲשֶׁ֨ר לֹא יִרְאֶ֥ה לַ/עַ֛יִן ה֖וּא אֶת הָ/אָֽרֶץ
STATEN

En de vorst, die in het midden van hen is, zal het gereedschap op den schouder dragen in donker, en hij zal uitgaan; zij zullen door den wand graven, om hem daardoor uit te brengen; hij zal zijn aangezicht bedekken, opdat hij met het oog de aarde niet zie.

13
וּ/פָרַשְׂתִּ֤י אֶת רִשְׁתִּ/י֙ עָלָ֔י/ו וְ/נִתְפַּ֖שׂ בִּ/מְצֽוּדָתִ֑/י וְ/הֵבֵאתִ֨י אֹת֤/וֹ בָבֶ֨לָ/ה֙ אֶ֣רֶץ כַּשְׂדִּ֔ים וְ/אוֹתָ֥/הּ לֹֽא יִרְאֶ֖ה וְ/שָׁ֥ם יָמֽוּת
STATEN

Ik zal ook Mijn net over hem uitspreiden, dat hij in Mijn jachtgaren gegrepen worde; en Ik zal hem brengen in Babylonië, het land der Chaldeeën; ook zal hij dat niet zien, hoewel hij daar sterven zal.

14
וְ/כֹל֩ אֲשֶׁ֨ר סְבִיבֹתָ֥י/ו עזר/ה וְ/כָל אֲגַפָּ֖י/ו אֱזָרֶ֣ה לְ/כָל ר֑וּחַ וְ/חֶ֖רֶב אָרִ֥יק אַחֲרֵי/הֶֽם עֶזְר֛/וֹ
STATEN

En allen, die rondom hem zijn tot zijn hulp, en al zijn benden zal Ik in alle winden verstrooien; en Ik zal het zwaard achter hen uittrekken.

15
וְ/יָדְע֖וּ כִּֽי אֲנִ֣י יְהוָ֑ה בַּ/הֲפִיצִ֤/י אוֹתָ/ם֙ בַּ/גּוֹיִ֔ם וְ/זֵרִיתִ֥י אוֹתָ֖/ם בָּ/אֲרָצֽוֹת
STATEN

Alzo zullen zij weten, dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik hen onder de heidenen verspreiden en hen in de landen verstrooien zal.

16
וְ/הוֹתַרְתִּ֤י מֵ/הֶם֙ אַנְשֵׁ֣י מִסְפָּ֔ר מֵ/חֶ֖רֶב מֵ/רָעָ֣ב וּ/מִ/דָּ֑בֶר לְמַ֨עַן יְסַפְּר֜וּ אֶת כָּל תּוֹעֲבֽוֹתֵי/הֶ֗ם בַּ/גּוֹיִם֙ אֲשֶׁר בָּ֣אוּ שָׁ֔ם וְ/יָדְע֖וּ כִּֽי אֲנִ֥י יְהוָֽה
STATEN

Doch Ik zal van hen weinige lieden doen overblijven van het zwaard, van den honger en van de pestilentie; opdat zij al hun gruwelen vertellen onder de heidenen, waarhenen zij komen zullen, en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.

17
וַ/יְהִ֥י דְבַר יְהוָ֖ה אֵלַ֥/י לֵ/אמֹֽר
STATEN

Daarna geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:

18
בֶּן אָדָ֕ם לַחְמְ/ךָ֖ בְּ/רַ֣עַשׁ תֹּאכֵ֑ל וּ/מֵימֶ֕י/ךָ בְּ/רָגְזָ֥ה וּ/בִ/דְאָגָ֖ה תִּשְׁתֶּֽה
STATEN

Mensenkind, gij zult uw brood eten met beven, en uw water zult gij met beroerte en met kommer drinken.

19
וְ/אָמַרְתָּ֣ אֶל עַ֣ם הָ/אָ֡רֶץ כֹּֽה אָמַר֩ אֲדֹנָ֨/י יְהוִ֜ה לְ/יוֹשְׁבֵ֤י יְרוּשָׁלִַ֨ם֙ אֶל אַדְמַ֣ת יִשְׂרָאֵ֔ל לַחְמָ/ם֙ בִּ/דְאָגָ֣ה יֹאכֵ֔לוּ וּ/מֵֽימֵי/הֶ֖ם בְּ/שִׁמָּמ֣וֹן יִשְׁתּ֑וּ לְמַ֜עַן תֵּשַׁ֤ם אַרְצָ/הּ֙ מִ/מְּלֹאָ֔/הּ מֵ/חֲמַ֖ס כָּֽל הַ/יֹּשְׁבִ֥ים בָּֽ/הּ
STATEN

En gij zult tot het volk des lands zeggen: Alzo zegt de Heere HEERE, van de inwoners van Jeruzalem, in het land Israëls: Zij zullen hun brood met kommer eten, en hun water zullen zij met verbaasdheid drinken, omdat hun land woest zal worden van zijn volheid, vanwege het geweld van al degenen, die daarin wonen;

20
וְ/הֶ/עָרִ֤ים הַ/נּֽוֹשָׁבוֹת֙ תֶּחֱרַ֔בְנָה וְ/הָ/אָ֖רֶץ שְׁמָמָ֣ה תִֽהְיֶ֑ה וִֽ/ידַעְתֶּ֖ם כִּֽי אֲנִ֥י יְהוָֽה
STATEN

En de bewoonde steden zullen woest worden, en het land zal een wildernis zijn; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben.

21
וַ/יְהִ֥י דְבַר יְהוָ֖ה אֵלַ֥/י לֵ/אמֹֽר
STATEN

Wederom geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:

22
בֶּן אָדָ֗ם מָֽה הַ/מָּשָׁ֤ל הַ/זֶּה֙ לָ/כֶ֔ם עַל אַדְמַ֥ת יִשְׂרָאֵ֖ל לֵ/אמֹ֑ר יַֽאַרְכוּ֙ הַ/יָּמִ֔ים וְ/אָבַ֖ד כָּל חָזֽוֹן
STATEN

Mensenkind, wat is dit voor een spreekwoord, dat gijlieden hebt in het land Israëls, zeggende: De dagen zullen verlengd worden, en al het gezicht zal vergaan?

23
לָ/כֵ֞ן אֱמֹ֣ר אֲלֵי/הֶ֗ם כֹּֽה אָמַר֮ אֲדֹנָ֣/י יְהוִה֒ הִשְׁבַּ֨תִּי֙ אֶת הַ/מָּשָׁ֣ל הַ/זֶּ֔ה וְ/לֹֽא יִמְשְׁל֥וּ אֹת֛/וֹ ע֖וֹד בְּ/יִשְׂרָאֵ֑ל כִּ֚י אִם דַּבֵּ֣ר אֲלֵי/הֶ֔ם קָֽרְבוּ֙ הַ/יָּמִ֔ים וּ/דְבַ֖ר כָּל חָזֽוֹן
STATEN

Daarom zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Ik zal dit spreekwoord doen ophouden, dat zij het niet meer ten spreekwoord gebruiken zullen in Israël. Maar spreek tot hen: De dagen zijn nabij gekomen, en het woord van ieder gezicht.

24
כִּ֠י לֹ֣א יִֽהְיֶ֥ה ע֛וֹד כָּל חֲז֥וֹן שָׁ֖וְא וּ/מִקְסַ֣ם חָלָ֑ק בְּ/ת֖וֹךְ בֵּ֥ית יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Want geen ijdel gezicht zal er meer wezen, noch vleiende waarzegging, in het midden van het huis Israëls.

25
כִּ֣י אֲנִ֣י יְהוָ֗ה אֲדַבֵּר֙ אֵת֩ אֲשֶׁ֨ר אֲדַבֵּ֤ר דָּבָר֙ וְ/יֵ֣עָשֶׂ֔ה לֹ֥א תִמָּשֵׁ֖ךְ ע֑וֹד כִּ֣י בִֽ/ימֵי/כֶ֞ם בֵּ֣ית הַ/מֶּ֗רִי אֲדַבֵּ֤ר דָּבָר֙ וַ/עֲשִׂיתִ֔י/ו נְאֻ֖ם אֲדֹנָ֥/י יְהוִֽה
STATEN

Want Ik ben de HEERE, Ik zal spreken; het woord, dat Ik zal spreken, zal gedaan worden, de tijd zal niet meer uitgesteld worden; want in uw dagen, o wederspannig huis, zal Ik een woord spreken, en hetzelve doen, spreekt de Heere HEERE.

26
וַ/יְהִ֥י דְבַר יְהוָ֖ה אֵלַ֥/י לֵ/אמֹֽר
STATEN

Verder geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:

27
בֶּן אָדָ֗ם הִנֵּ֤ה בֵֽית יִשְׂרָאֵל֙ אֹֽמְרִ֔ים הֶ/חָז֛וֹן אֲשֶׁר ה֥וּא חֹזֶ֖ה לְ/יָמִ֣ים רַבִּ֑ים וּ/לְ/עִתִּ֥ים רְחוֹק֖וֹת ה֥וּא נִבָּֽא
STATEN

Mensenkind, zie, die van het huis Israëls zeggen: Het gezicht dat hij ziet, is voor vele dagen, en hij profeteert van tijden, die verre zijn.

28
לָ/כֵ֞ן אֱמֹ֣ר אֲלֵי/הֶ֗ם כֹּ֤ה אָמַר֙ אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֔ה לֹא תִמָּשֵׁ֥ךְ ע֖וֹד כָּל דְּבָרָ֑/י אֲשֶׁ֨ר אֲדַבֵּ֤ר דָּבָר֙ וְ/יֵ֣עָשֶׂ֔ה נְאֻ֖ם אֲדֹנָ֥/י יְהוִֽה
STATEN

Daarom zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Geen Mijner woorden zullen meer uitgesteld worden; het woord, hetwelk Ik gesproken heb, dat zal gedaan worden, spreekt de Heere HEERE.