NEVIIM

Ezechiël 44

יְחֶזְקֵאל
Hoofdstukken (48)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יָּ֣שֶׁב אֹתִ֗/י דֶּ֣רֶךְ שַׁ֤עַר הַ/מִּקְדָּשׁ֙ הַֽ/חִיצ֔וֹן הַ/פֹּנֶ֖ה קָדִ֑ים וְ/ה֖וּא סָגֽוּר
STATEN

Toen deed hij mij wederkeren den weg naar de poort van het buitenste heiligdom, die naar het oosten zag; en die was toegesloten.

2
וַ/יֹּ֨אמֶר אֵלַ֜/י יְהוָ֗ה הַ/שַּׁ֣עַר הַ/זֶּה֩ סָג֨וּר יִהְיֶ֜ה לֹ֣א יִפָּתֵ֗חַ וְ/אִישׁ֙ לֹא יָ֣בֹא ב֔/וֹ כִּ֛י יְהוָ֥ה אֱלֹהֵֽי יִשְׂרָאֵ֖ל בָּ֣א ב֑/וֹ וְ/הָיָ֖ה סָגֽוּר
STATEN

En de HEERE zeide tot mij: Deze poort zal toegesloten zijn, zij zal niet geopend worden, noch iemand door dezelve ingaan, omdat de HEERE, de God Israëls, door dezelve is ingegaan; daarom zal zij toegesloten zijn.

3
אֶֽת הַ/נָּשִׂ֗יא נָ֥שִׂיא ה֛וּא יֵֽשֶׁב בּ֥/וֹ לֶ/אֱכָול לֶ֖חֶם לִ/פְנֵ֣י יְהוָ֑ה מִ/דֶּ֨רֶךְ אֻלָ֤ם הַ/שַּׁ֨עַר֙ יָב֔וֹא וּ/מִ/דַּרְכּ֖/וֹ יֵצֵֽא
STATEN

De vorst, de vorst, die zal in dezelve zitten, om brood te eten voor het aangezicht des HEEREN; door den weg van het voorhuis der poort zal hij ingaan, en door den weg van hetzelve zal hij uitgaan.

4
וַ/יְבִיאֵ֜/נִי דֶּֽרֶךְ שַׁ֣עַר הַ/צָּפוֹן֮ אֶל פְּנֵ֣י הַ/בַּיִת֒ וָ/אֵ֕רֶא וְ/הִנֵּ֛ה מָלֵ֥א כְבוֹד יְהוָ֖ה אֶת בֵּ֣ית יְהוָ֑ה וָ/אֶפֹּ֖ל אֶל פָּנָֽ/י
STATEN

Daarna bracht hij mij den weg der noorderpoort, voor aan het huis; en ik zag, en ziet, de heerlijkheid des HEEREN had het huis des HEEREN vervuld; toen viel ik op mijn aangezicht.

5
וַ/יֹּ֨אמֶר אֵלַ֜/י יְהֹוָ֗ה בֶּן אָדָ֡ם שִׂ֣ים לִבְּ/ךָ֩ וּ/רְאֵ֨ה בְ/עֵינֶ֜י/ךָ וּ/בְ/אָזְנֶ֣י/ךָ שְּׁמָ֗ע אֵ֣ת כָּל אֲשֶׁ֤ר אֲנִי֙ מְדַבֵּ֣ר אֹתָ֔/ךְ לְ/כָל חֻקּ֥וֹת בֵּית יְהוָ֖ה וּ/לְ/כָל תורת/ו וְ/שַׂמְתָּ֤ לִבְּ/ךָ֙ לִ/מְב֣וֹא הַ/בַּ֔יִת בְּ/כֹ֖ל מוֹצָאֵ֥י הַ/מִּקְדָּֽשׁ תּֽוֹרֹתָ֑י/ו
STATEN

En de HEERE zeide tot mij: Mensenkind! zet er uw hart op, en zie met uw ogen, en hoor met uw oren alles, wat Ik met u spreken zal, van alle inzettingen van het huis des HEEREN, en van al zijn wetten; en zet uw hart op den ingang van het huis, met alle uitgangen des heiligdoms.

6
וְ/אָמַרְתָּ֤ אֶל מֶ֨רִי֙ אֶל בֵּ֣ית יִשְׂרָאֵ֔ל כֹּ֥ה אָמַ֖ר אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֑ה רַב לָ/כֶ֛ם מִֽ/כָּל תּוֹעֲבֽוֹתֵי/כֶ֖ם בֵּ֥ית יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

En zeg tot die wederspannigen, tot het huis Israëls: Zo zegt de Heere HEERE: Het is te veel voor ulieden, vanwege al uw gruwelen, o huis Israëls.

7
בַּ/הֲבִיאֲ/כֶ֣ם בְּנֵֽי נֵכָ֗ר עַרְלֵי לֵב֙ וְ/עַרְלֵ֣י בָשָׂ֔ר לִ/הְי֥וֹת בְּ/מִקְדָּשִׁ֖/י לְ/חַלְּל֣/וֹ אֶת בֵּיתִ֑/י בְּ/הַקְרִֽיבְ/כֶ֤ם אֶת לַחְמִ/י֙ חֵ֣לֶב וָ/דָ֔ם וַ/יָּפֵ֨רוּ֙ אֶת בְּרִיתִ֔/י אֶ֖ל כָּל תּוֹעֲבוֹתֵי/כֶֽם
STATEN

Dewijl gijlieden vreemden hebt ingebracht, onbesnedenen van hart en onbesnedenen van vlees, om in Mijn heiligdom te zijn, om dat te ontheiligen, te weten Mijn huis; als gij Mijn brood, het vette en het bloed offerdet, en zij Mijn verbond verbraken, nevens al uw gruwelen.

8
וְ/לֹ֥א שְׁמַרְתֶּ֖ם מִשְׁמֶ֣רֶת קָדָשָׁ֑/י וַ/תְּשִׂימ֗וּ/ן לְ/שֹׁמְרֵ֧י מִשְׁמַרְתִּ֛/י בְּ/מִקְדָּשִׁ֖/י לָ/כֶֽם
STATEN

En gijlieden hebt de wacht van Mijn heilige dingen niet waargenomen; maar gij hebt uzelven enigen tot wachters Mijner wacht gesteld in Mijn heiligdom.

9
כֹּה אָמַר֮ אֲדֹנָ֣/י יְהוִה֒ כָּל בֶּן נֵכָ֗ר עֶ֤רֶל לֵב֙ וְ/עֶ֣רֶל בָּשָׂ֔ר לֹ֥א יָב֖וֹא אֶל מִקְדָּשִׁ֑/י לְ/כָל בֶּן נֵכָ֔ר אֲשֶׁ֕ר בְּ/ת֖וֹךְ בְּנֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Alzo zegt de Heere HEERE: Geen vreemde, onbesneden van hart, en onbesneden van vlees, zal in Mijn heiligdom ingaan, van enigen vreemde, die in het midden der kinderen Israëls is.

10
כִּ֣י אִם הַ/לְוִיִּ֗ם אֲשֶׁ֤ר רָֽחֲקוּ֙ מֵֽ/עָלַ֔/י בִּ/תְע֤וֹת יִשְׂרָאֵל֙ אֲשֶׁ֣ר תָּע֣וּ מֵֽ/עָלַ֔/י אַחֲרֵ֖י גִּלּֽוּלֵי/הֶ֑ם וְ/נָשְׂא֖וּ עֲוֺנָֽ/ם
STATEN

Maar de Levieten, die verre van Mij geweken zijn, als Israël ging dolen, die van Mij zijn afgedwaald, hun drekgoden achterna, zullen wel hun ongerechtigheid dragen;

11
וְ/הָי֤וּ בְ/מִקְדָּשִׁ/י֙ מְשָׁ֣רְתִ֔ים פְּקֻדּוֹת֙ אֶל שַׁעֲרֵ֣י הַ/בַּ֔יִת וּֽ/מְשָׁרְתִ֖ים אֶת הַ/בָּ֑יִת הֵ֠מָּה יִשְׁחֲט֨וּ אֶת הָ/עֹלָ֤ה וְ/אֶת הַ/זֶּ֨בַח֙ לָ/עָ֔ם וְ/הֵ֛מָּה יַעַמְד֥וּ לִ/פְנֵי/הֶ֖ם לְ/שָֽׁרְתָֽ/ם
STATEN

Nochtans zullen zij in Mijn heiligdom bedienaars zijn, in de ambten aan de poorten van het huis, en zij zullen het huis bedienen; zij zullen het brandoffer en het slachtoffer voor het volk slachten, en zullen voor hun aangezicht staan, om hen te dienen;

12
יַ֗עַן אֲשֶׁ֨ר יְשָׁרְת֤וּ אוֹתָ/ם֙ לִ/פְנֵ֣י גִלּֽוּלֵי/הֶ֔ם וְ/הָי֥וּ לְ/בֵֽית יִשְׂרָאֵ֖ל לְ/מִכְשׁ֣וֹל עָוֺ֑ן עַל כֵּן֩ נָשָׂ֨אתִי יָדִ֜/י עֲלֵי/הֶ֗ם נְאֻם֙ אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֔ה וְ/נָשְׂא֖וּ עֲוֺנָֽ/ם
STATEN

Omdat zij henlieden gediend hebben voor het aangezicht hunner drekgoden, en den huize Israëls tot een aanstoot der ongerechtigheid geweest zijn, daarom heb Ik Mijn hand tegen hen opgeheven, spreekt de Heere HEERE, dat zij hun ongerechtigheid zullen dragen.

13
וְ/לֹֽא יִגְּשׁ֤וּ אֵלַ/י֙ לְ/כַהֵ֣ן לִ֔/י וְ/לָ/גֶ֨שֶׁת֙ עַל כָּל קָ֣דָשַׁ֔/י אֶל קָדְשֵׁ֖י הַ/קְּדָשִׁ֑ים וְ/נָֽשְׂאוּ֙ כְּלִמָּתָ֔/ם וְ/תוֹעֲבוֹתָ֖/ם אֲשֶׁ֥ר עָשֽׂוּ
STATEN

En zij zullen tot Mij niet naderen, om Mij het priesterambt te bedienen, en om te naderen tot al Mijn heilige dingen, tot de allerheiligste dingen; maar zullen hun schande dragen, en hun gruwelen, die zij gedaan hebben.

14
וְ/נָתַתִּ֣י אוֹתָ֔/ם שֹׁמְרֵ֖י מִשְׁמֶ֣רֶת הַ/בָּ֑יִת לְ/כֹל֙ עֲבֹ֣דָת֔/וֹ וּ/לְ/כֹ֛ל אֲשֶׁ֥ר יֵעָשֶׂ֖ה בּֽ/וֹ
STATEN

Daarom zal Ik hen stellen tot wachters van de wacht des huizes, aan al zijn dienst, en aan alles, wat daarin zal gedaan worden.

15
וְ/הַ/כֹּהֲנִ֨ים הַ/לְוִיִּ֜ם בְּנֵ֣י צָד֗וֹק אֲשֶׁ֨ר שָׁמְר֜וּ אֶת מִשְׁמֶ֤רֶת מִקְדָּשִׁ/י֙ בִּ/תְע֤וֹת בְּנֵֽי יִשְׂרָאֵל֙ מֵֽ/עָלַ֔/י הֵ֛מָּה יִקְרְב֥וּ אֵלַ֖/י לְ/שָֽׁרְתֵ֑/נִי וְ/עָמְד֣וּ לְ/פָנַ֗/י לְ/הַקְרִ֥יב לִ/י֙ חֵ֣לֶב וָ/דָ֔ם נְאֻ֖ם אֲדֹנָ֥/י יְהוִֽה
STATEN

Maar de Levietische priesters, de kinderen van Zadok, die de wacht Mijns heiligdoms hebben waargenomen, als de kinderen Israëls van Mij afdwaalden, die zullen tot Mij naderen, om Mij te dienen; en zullen voor Mijn aangezicht staan, om Mij het vette en het bloed te offeren, spreekt de Heere HEERE;

16
הֵ֜מָּה יָבֹ֣אוּ אֶל מִקְדָּשִׁ֗/י וְ/הֵ֛מָּה יִקְרְב֥וּ אֶל שֻׁלְחָנִ֖/י לְ/שָׁרְתֵ֑/נִי וְ/שָׁמְר֖וּ אֶת מִשְׁמַרְתִּֽ/י
STATEN

Die zullen in Mijn heiligdom ingaan, en die zullen tot Mijn tafel naderen, om Mij te dienen, en zij zullen Mijn wacht waarnemen.

17
וְ/הָיָ֗ה בְּ/בוֹאָ/ם֙ אֶֽל שַׁעֲרֵי֙ הֶ/חָצֵ֣ר הַ/פְּנִימִ֔ית בִּגְדֵ֥י פִשְׁתִּ֖ים יִלְבָּ֑שׁוּ וְ/לֹֽא יַעֲלֶ֤ה עֲלֵי/הֶם֙ צֶ֔מֶר בְּ/שָֽׁרְתָ֗/ם בְּ/שַׁעֲרֵ֛י הֶ/חָצֵ֥ר הַ/פְּנִימִ֖ית וָ/בָֽיְתָ/ה
STATEN

En het zal geschieden, als zij tot de poorten van het binnenste voorhof zullen ingaan, dat zij linnen klederen zullen aantrekken; maar wol zal op hen niet komen, als zij dienen in de poorten van het binnenste voorhof, en inwaarts.

18
פַּאֲרֵ֤י פִשְׁתִּים֙ יִהְי֣וּ עַל רֹאשָׁ֔/ם וּ/מִכְנְסֵ֣י פִשְׁתִּ֔ים יִהְי֖וּ עַל מָתְנֵי/הֶ֑ם לֹ֥א יַחְגְּר֖וּ בַּ/יָּֽזַע
STATEN

Linnen huiven zullen op hun hoofd zijn, en linnen onderbroeken zullen op hun lenden zijn; zij zullen zich niet gorden in het zweet.

19
וּ֠/בְ/צֵאתָ/ם אֶל הֶ/חָצֵ֨ר הַ/חִיצוֹנָ֜ה אֶל הֶ/חָצֵ֣ר הַ/חִיצוֹנָה֮ אֶל הָ/עָם֒ יִפְשְׁט֣וּ אֶת בִּגְדֵי/הֶ֗ם אֲשֶׁר הֵ֨מָּה֙ מְשָׁרְתִ֣ם בָּ֔/ם וְ/הִנִּ֥יחוּ אוֹתָ֖/ם בְּ/לִֽשְׁכֹ֣ת הַ/קֹּ֑דֶשׁ וְ/לָֽבְשׁוּ֙ בְּגָדִ֣ים אֲחֵרִ֔ים וְ/לֹֽא יְקַדְּשׁ֥וּ אֶת הָ/עָ֖ם בְּ/בִגְדֵי/הֶֽם
STATEN

En als zij uitgaan tot het buitenste voorhof, namelijk tot het buitenste voorhof tot het volk, zullen zij hun klederen, in dewelke zij gediend hebben, uittrekken, en dezelve henenleggen in de heilige kameren; en zullen andere klederen aantrekken, opdat zij het volk niet heiligen met hun klederen.

20
וְ/רֹאשָׁ/ם֙ לֹ֣א יְגַלֵּ֔חוּ וּ/פֶ֖רַע לֹ֣א יְשַׁלֵּ֑חוּ כָּס֥וֹם יִכְסְמ֖וּ אֶת רָאשֵׁי/הֶֽם
STATEN

En zij zullen hun hoofd niet glad afscheren, ook de lokken niet lang laten wassen; behoorlijk zullen zij hun hoofden bescheren.

21
וְ/יַ֥יִן לֹֽא יִשְׁתּ֖וּ כָּל כֹּהֵ֑ן בְּ/בוֹאָ֖/ם אֶל הֶ/חָצֵ֥ר הַ/פְּנִימִֽית
STATEN

Ook zal geen priester wijn drinken, als zij in het binnenste voorhof zullen ingaan.

22
וְ/אַלְמָנָה֙ וּ/גְרוּשָׁ֔ה לֹֽא יִקְח֥וּ לָ/הֶ֖ם לְ/נָשִׁ֑ים כִּ֣י אִם בְּתוּלֹ֗ת מִ/זֶּ֨רַע֙ בֵּ֣ית יִשְׂרָאֵ֔ל וְ/הָֽ/אַלְמָנָה֙ אֲשֶׁ֣ר תִּֽהְיֶ֣ה אַלְמָנָ֔ה מִ/כֹּהֵ֖ן יִקָּֽחוּ
STATEN

Ook zullen zij zich geen weduwe of verstotene tot vrouwen nemen; maar jonge dochters van het zaad van het huis Israëls, of een weduwe, die een weduwe zal geweest zijn van een priester, zullen zij nemen.

23
וְ/אֶת עַמִּ֣/י יוֹר֔וּ בֵּ֥ין קֹ֖דֶשׁ לְ/חֹ֑ל וּ/בֵין טָמֵ֥א לְ/טָה֖וֹר יוֹדִעֻֽ/ם
STATEN

En zij zullen Mijn volk onderscheid leren tussen het heilige en onheilige, en hun bekend maken het onderscheid tussen het onreine en reine.

24
וְ/עַל רִ֗יב הֵ֚מָּה יַעַמְד֣וּ ל/שפט בְּ/מִשְׁפָּטַ֖/י ו/שפט/הו וְ/אֶת תּוֹרֹתַ֤/י וְ/אֶת חֻקֹּתַ/י֙ בְּ/כָל מוֹעֲדַ֣/י יִשְׁמֹ֔רוּ וְ/אֶת שַׁבְּתוֹתַ֖/י יְקַדֵּֽשׁוּ לְ/מִשְׁפָּ֔ט יִשְׁפְּט֑וּ/הוּ
STATEN

En over een twistzaak zullen zij staan om te richten; naar Mijn rechten zullen zij hen richten; en zij zullen Mijn wetten en Mijn inzettingen op al Mijn gezette hoogtijden houden, en Mijn sabbatten heiligen.

25
וְ/אֶל מֵ֣ת אָדָ֔ם לֹ֥א יָב֖וֹא לְ/טָמְאָ֑ה כִּ֣י אִם לְ/אָ֡ב וּ֠/לְ/אֵם וּ/לְ/בֵ֨ן וּ/לְ/בַ֜ת לְ/אָ֗ח וּ/לְ/אָח֛וֹת אֲשֶֽׁר לֹא הָיְתָ֥ה לְ/אִ֖ישׁ יִטַּמָּֽאוּ
STATEN

Ook zal geen van hen tot een doden mens ingaan, dat hij onrein worde; maar om een vader, of om een moeder, of om een zoon, of om een dochter, om een broeder of om een zuster, die geens mans geweest is, zullen zij zich mogen verontreinigen.

26
וְ/אַחֲרֵ֖י טָֽהֳרָת֑/וֹ שִׁבְעַ֥ת יָמִ֖ים יִסְפְּרוּ לֽ/וֹ
STATEN

En na zijn reiniging zullen zij hem zeven dagen tellen.

27
וּ/בְ/יוֹם֩ בֹּא֨/וֹ אֶל הַ/קֹּ֜דֶשׁ אֶל הֶ/חָצֵ֤ר הַ/פְּנִימִית֙ לְ/שָׁרֵ֣ת בַּ/קֹּ֔דֶשׁ יַקְרִ֖יב חַטָּאת֑/וֹ נְאֻ֖ם אֲדֹנָ֥/י יְהוִֽה
STATEN

En ten dage, als hij in het heilige zal ingaan, in het binnenste voorhof, om in het heilige te dienen, zal hij zijn zondoffer offeren, spreekt de Heere HEERE.

28
וְ/הָיְתָ֤ה לָ/הֶם֙ לְֽ/נַחֲלָ֔ה אֲנִ֖י נַֽחֲלָתָ֑/ם וַ/אֲחֻזָּ֗ה לֹֽא תִתְּנ֤וּ לָ/הֶם֙ בְּ/יִשְׂרָאֵ֔ל אֲנִ֖י אֲחֻזָּתָֽ/ם
STATEN

Dit nu zal hun tot een erfenis zijn: Ik ben hun Erfenis; daarom zult gij hunlieden geen bezitting geven in Israël; Ik ben hun Bezitting.

29
הַ/מִּנְחָה֙ וְ/הַ/חַטָּ֣את וְ/הָ/אָשָׁ֔ם הֵ֖מָּה יֹֽאכְל֑וּ/ם וְ/כָל חֵ֥רֶם בְּ/יִשְׂרָאֵ֖ל לָ/הֶ֥ם יִהְיֶֽה
STATEN

Het spijsoffer, en het zondoffer, en het schuldoffer, die zullen zij eten; ook zal al het verbannene in Israël het hunne zijn.

30
וְ/רֵאשִׁית֩ כָּל בִּכּ֨וּרֵי כֹ֜ל וְ/כָל תְּר֣וּמַת כֹּ֗ל מִ/כֹּל֙ תְּרוּמ֣וֹתֵי/כֶ֔ם לַ/כֹּהֲנִ֖ים יִֽהְיֶ֑ה וְ/רֵאשִׁ֤ית עֲרִסֽוֹתֵי/כֶם֙ תִּתְּנ֣וּ לַ/כֹּהֵ֔ן לְ/הָנִ֥יחַ בְּרָכָ֖ה אֶל בֵּיתֶֽ/ךָ
STATEN

En de eerstelingen van alle eerste vruchten van alles, en alle hefoffer van alles, van al uw hefofferen, zullen der priesteren zijn; ook zult gij de eerstelingen van uw deeg den priester geven, om den zegen op uw huis te doen rusten.

31
כָּל נְבֵלָה֙ וּ/טְרֵפָ֔ה מִן הָ/ע֖וֹף וּ/מִן הַ/בְּהֵמָ֑ה לֹ֥א יֹאכְל֖וּ הַ/כֹּהֲנִֽים
STATEN

Geen aas, noch wat verscheurd is van het gevogelte, of van het vee, zullen de priesters eten.