Het Woord · Ezechiël 31 NEVIIM
Ezechiël 31 יְחֶזְקֵאל
Hoofdstukken (48)← → toetsen
Patronen in dit hoofdstuk▾ Getuigen
WLC i ALEPPO i LXX-RAHLFS i TAHOT i STATEN i KJV i VULGATE i ULT i UST i WEB i ASV i DARBY i JPS1917 i
וַ/יְהִ֗י בְּ/אַחַ֤ת עֶשְׂרֵה֙ שָׁנָ֔ה בַּ/שְּׁלִישִׁ֖י בְּ/אֶחָ֣ד לַ/חֹ֑דֶשׁ הָיָ֥ה דְבַר יְהוָ֖ה אֵלַ֥/י לֵ/אמֹֽר־׃
STATEN
Het gebeurde ook in het elfde jaar, in de derde maand, op den eersten der maand, dat des HEEREN woord tot mij geschiedde, zeggende:
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
בֶּן אָדָ֕ם אֱמֹ֛ר אֶל פַּרְעֹ֥ה מֶֽלֶךְ מִצְרַ֖יִם וְ/אֶל הֲמוֹנ֑/וֹ אֶל מִ֖י דָּמִ֥יתָ בְ/גָדְלֶֽ/ךָ־־־־־׃
STATEN
Mensenkind! zeg tot Faraö, den koning van Egypte, en tot zijn menigte: Wien zijt gij gelijk in uw grootheid?
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
הִנֵּ֨ה אַשּׁ֜וּר אֶ֣רֶז בַּ/לְּבָנ֗וֹן יְפֵ֥ה עָנָ֛ף וְ/חֹ֥רֶשׁ מֵצַ֖ל וּ/גְבַ֣הּ קוֹמָ֑ה וּ/בֵ֣ין עֲבֹתִ֔ים הָיְתָ֖ה צַמַּרְתּֽ/וֹ׃
STATEN
Zie, Assur was een ceder op den Libanon, schoon van takken, schaduwachtig van loof, en hoog van stam, en zijn top was tussen dichte takken.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
מַ֣יִם גִּדְּל֔וּ/הוּ תְּה֖וֹם רֹֽמְמָ֑תְ/הוּ אֶת נַהֲרֹתֶ֗י/הָ הֹלֵךְ֙ סְבִיב֣וֹת מַטָּעָ֔/הּ וְ/אֶת תְּעָלֹתֶ֣י/הָ שִׁלְחָ֔ה אֶ֖ל כָּל עֲצֵ֥י הַ/שָּׂדֶֽה־־־׃
STATEN
De wateren maakten hem groot, de afgrond maakte hem hoog; die ging met zijn stromen rondom zijn planting, en zond zijn waterleidingen uit tot alle bomen des velds.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
עַל כֵּן֙ גָּבְהָ֣א קֹמָת֔/וֹ מִ/כֹּ֖ל עֲצֵ֣י הַ/שָּׂדֶ֑ה וַ/תִּרְבֶּ֨ינָה סַֽרְעַפֹּתָ֜י/ו וַ/תֶּאֱרַ֧כְנָה פארת/ו מִ/מַּ֥יִם רַבִּ֖ים בְּ/שַׁלְּחֽ/וֹ־׃ פֹארֹתָ֛י/ו
STATEN
Daarom werd zijn stam hoger dan alle bomen des velds; en zijn takjes werden menigvuldig, en zijn scheuten lang, vanwege de grote wateren, als hij uitschoot.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
בִּ/סְעַפֹּתָ֤י/ו קִֽנְנוּ֙ כָּל ע֣וֹף הַ/שָּׁמַ֔יִם וְ/תַ֤חַת פֹּֽארֹתָי/ו֙ יָֽלְד֔וּ כֹּ֖ל חַיַּ֣ת הַ/שָּׂדֶ֑ה וּ/בְ/צִלּ/וֹ֙ יֵֽשְׁב֔וּ כֹּ֖ל גּוֹיִ֥ם רַבִּֽים־׃
STATEN
Alle vogelen des hemels nestelden op zijn takjes, en alle dieren des velds teelden onder zijn scheuten; en alle grote volken zaten onder zijn schaduw.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יְּיִ֣ף בְּ/גָדְל֔/וֹ בְּ/אֹ֖רֶךְ דָּֽלִיּוֹתָ֑י/ו כִּֽי הָיָ֥ה שָׁרְשׁ֖/וֹ אֶל מַ֥יִם רַבִּֽים־־׃
STATEN
Alzo was hij schoon in zijn grootheid en in de lengte zijner takken, omdat zijn wortel aan grote wateren was.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
אֲרָזִ֣ים לֹֽא עֲמָמֻ/הוּ֮ בְּ/גַן אֱלֹהִים֒ בְּרוֹשִׁ֗ים לֹ֤א דָמוּ֙ אֶל סְעַפֹּתָ֔י/ו וְ/עַרְמֹנִ֥ים לֹֽא הָי֖וּ כְּ/פֹֽארֹתָ֑י/ו כָּל עֵץ֙ בְּ/גַן אֱלֹהִ֔ים לֹא דָמָ֥ה אֵלָ֖י/ו בְּ/יָפְיֽ/וֹ־־־־־־־׃
STATEN
De cederen in Gods hof verduisterden hem niet, de dennebomen waren zijn takken niet gelijk, en de kastanjebomen waren niet gelijk zijn scheuten; geen boom in Gods hof was hem gelijk in zijn schoonheid.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
יָפֶ֣ה עֲשִׂיתִ֔י/ו בְּ/רֹ֖ב דָּֽלִיּוֹתָ֑י/ו וַ/יְקַנְאֻ֨/הוּ֙ כָּל עֲצֵי עֵ֔דֶן אֲשֶׁ֖ר בְּ/גַ֥ן הָ/אֱלֹהִֽים־־׃ס
STATEN
Ik had hem zo schoon gemaakt door de veelheid zijner takken, dat alle bomen van Eden, die in Gods hof waren, hem benijdden.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
לָ/כֵ֗ן כֹּ֤ה אָמַר֙ אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֔ה יַ֕עַן אֲשֶׁ֥ר גָּבַ֖הְתָּ בְּ/קוֹמָ֑ה וַ/יִּתֵּ֤ן צַמַּרְתּ/וֹ֙ אֶל בֵּ֣ין עֲבוֹתִ֔ים וְ/רָ֥ם לְבָב֖/וֹ בְּ/גָבְהֽ/וֹ־׃
STATEN
Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Omdat gij u verheven hebt over uw stam, ja, hij stak zijn top op boven het midden der dichte takken, en zijn hart verhief zich over zijn hoogte;
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/אֶ֨תְּנֵ֔/הוּ בְּ/יַ֖ד אֵ֣יל גּוֹיִ֑ם עָשׂ֤וֹ יַֽעֲשֶׂה֙ ל֔/וֹ כְּ/רִשְׁע֖/וֹ גֵּרַשְׁתִּֽ/הוּ׃
STATEN
Daarom gaf Ik hem in de hand van den machtigste der heidenen, dat die hem rechtschapen zou behandelen; Ik dreef hem uit om zijn goddeloosheid.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יִּכְרְתֻ֧/הוּ זָרִ֛ים עָרִיצֵ֥י גוֹיִ֖ם וַֽ/יִּטְּשֻׁ֑/הוּ אֶל הֶ֠/הָרִים וּ/בְ/כָל גֵּ֨אָי֜וֹת נָפְל֣וּ דָלִיּוֹתָ֗י/ו וַ/תִּשָּׁבַ֤רְנָה פֹֽארֹתָי/ו֙ בְּ/כֹל֙ אֲפִיקֵ֣י הָ/אָ֔רֶץ וַ/יֵּרְד֧וּ מִ/צִּלּ֛/וֹ כָּל עַמֵּ֥י הָ/אָ֖רֶץ וַֽ/יִּטְּשֻֽׁ/הוּ־־־׃
STATEN
En vreemden, de tirannigste der heidenen, roeiden hem uit en verlieten hem; zijn takken vielen op de bergen en in alle valleien, en zijn scheuten werden verbroken bij alle stromen des lands; en alle volken der aarde gingen af uit zijn schaduw, en verlieten hem.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
← Hoofdstuk 30 ← → navigeer Hoofdstuk 32 →