NEVIIM

Ezechiël 40

יְחֶזְקֵאל
Hoofdstukken (48)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748
Getuigen
Interlineair
1
בְּ/עֶשְׂרִ֣ים וְ/חָמֵ֣שׁ שָׁנָ֣ה לְ֠/גָלוּתֵ/נוּ בְּ/רֹ֨אשׁ הַ/שָּׁנָ֜ה בֶּ/עָשׂ֣וֹר לַ/חֹ֗דֶשׁ בְּ/אַרְבַּ֤ע עֶשְׂרֵה֙ שָׁנָ֔ה אַחַ֕ר אֲשֶׁ֥ר הֻכְּתָ֖ה הָ/עִ֑יר בְּ/עֶ֣צֶם הַ/יּ֣וֹם הַ/זֶּ֗ה הָיְתָ֤ה עָלַ/י֙ יַד יְהוָ֔ה וַ/יָּבֵ֥א אֹתִ֖/י שָֽׁמָּ/ה
STATEN

In het vijf en twintigste jaar onzer gevankelijke wegvoering, in het begin des jaars, op den tienden der maand, in het veertiende jaar, nadat de stad geslagen was; even op dienzelfden dag, was de hand des HEEREN op mij, en Hij bracht mij derwaarts.

2
בְּ/מַרְא֣וֹת אֱלֹהִ֔ים הֱבִיאַ֖/נִי אֶל אֶ֣רֶץ יִשְׂרָאֵ֑ל וַ/יְנִיחֵ֗/נִי אֶל הַ֤ר גָּבֹ֨הַּ֙ מְאֹ֔ד וְ/עָלָ֥י/ו כְּ/מִבְנֵה עִ֖יר מִ/נֶּֽגֶב
STATEN

In de gezichten Gods bracht Hij mij in het land Israëls, en Hij zette mij op een zeer hogen berg; en aan denzelven was als een gebouw ener stad tegen het zuiden.

3
וַ/יָּבֵ֨יא אוֹתִ֜/י שָׁ֗מָּ/ה וְ/הִנֵּה אִישׁ֙ מַרְאֵ֨/הוּ֙ כְּ/מַרְאֵ֣ה נְחֹ֔שֶׁת וּ/פְתִיל פִּשְׁתִּ֥ים בְּ/יָד֖/וֹ וּ/קְנֵ֣ה הַ/מִּדָּ֑ה וְ/ה֥וּא עֹמֵ֖ד בַּ/שָּֽׁעַר
STATEN

Als Hij mij daarhenen gebracht had, ziet, zo was er een man, wiens gedaante was als de gedaante van koper; en in zijn hand was een linnen snoer, en een meetriet; en hij stond in de poort.

4
וַ/יְדַבֵּ֨ר אֵלַ֜/י הָ/אִ֗ישׁ בֶּן אָדָ֡ם רְאֵ֣ה בְ/עֵינֶי/ךָ֩ וּ/בְ/אָזְנֶ֨י/ךָ שְּׁמָ֜ע וְ/שִׂ֣ים לִבְּ/ךָ֗ לְ/כֹ֤ל אֲשֶׁר אֲנִי֙ מַרְאֶ֣ה אוֹתָ֔/ךְ כִּ֛י לְמַ֥עַן הַרְאוֹתְ/כָ֖ה הֻבָ֣אתָה הֵ֑נָּה הַגֵּ֛ד אֶת כָּל אֲשֶׁר אַתָּ֥ה רֹאֶ֖ה לְ/בֵ֥ית יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

En die man sprak tot mij: Mensenkind! zie met uw ogen, en hoor met uw oren, en zet uw hart op alles, wat ik u zal doen zien; want, opdat ik u zou doen zien, zijt gij herwaarts gebracht; verkondig daarna den huize Israëls alles, wat gij ziet.

5
וְ/הִנֵּ֥ה חוֹמָ֛ה מִ/ח֥וּץ לַ/בַּ֖יִת סָבִ֣יב סָבִ֑יב וּ/בְ/יַ֨ד הָ/אִ֜ישׁ קְנֵ֣ה הַ/מִּדָּ֗ה שֵׁשׁ אַמּ֤וֹת בָּֽ/אַמָּה֙ וָ/טֹ֔פַח וַ/יָּ֜מָד אֶת רֹ֤חַב הַ/בִּנְיָן֙ קָנֶ֣ה אֶחָ֔ד וְ/קוֹמָ֖ה קָנֶ֥ה אֶחָֽד
STATEN

En ziet, er was een muur buiten aan het huis, rondom henen, en in des mans hand was een meetriet van zes ellen, elke el van een el en een handbreed, en hij mat de breedte des gebouws één riet, en de hoogte één riet.

6
וַ/יָּב֗וֹא אֶל שַׁ֨עַר֙ אֲשֶׁ֤ר פָּנָי/ו֙ דֶּ֣רֶךְ הַ/קָּדִ֔ימָ/ה וַ/יַּ֖עַל ב/מעלות/ו וַ/יָּ֣מָד אֶת סַ֣ף הַ/שַּׁ֗עַר קָנֶ֤ה אֶחָד֙ רֹ֔חַב וְ/אֵת֙ סַ֣ף אֶחָ֔ד קָנֶ֥ה אֶחָ֖ד רֹֽחַב בְּ/מַֽעֲלוֹתָ֑י/ו
STATEN

Toen kwam hij tot de poort, welke zag den weg naar het oosten, en hij ging bij derzelver trappen op, en mat den dorpel der poort één riet de breedte, en den anderen dorpel één riet de breedte.

7
וְ/הַ/תָּ֗א קָנֶ֨ה אֶחָ֥ד אֹ֨רֶךְ֙ וְ/קָנֶ֤ה אֶחָד֙ רֹ֔חַב וּ/בֵ֥ין הַ/תָּאִ֖ים חָמֵ֣שׁ אַמּ֑וֹת וְ/סַ֣ף הַ֠/שַּׁעַר מֵ/אֵ֨צֶל אוּלָ֥ם הַ/שַּׁ֛עַר מֵֽ/הַ/בַּ֖יִת קָנֶ֥ה אֶחָֽד
STATEN

En elk kamertje één riet de lengte, en één riet de breedte; en tussen de kamertjes vijf ellen; en den dorpel der poort, bij het voorhuis der poort van binnen, één riet.

8
וַ/יָּ֜מָד אֶת אֻלָ֥ם הַ/שַּׁ֛עַר מֵ/הַ/בַּ֖יִת קָנֶ֥ה אֶחָֽד
STATEN

Ook mat hij het voorhuis der poort van binnen, één riet.

9
וַ/יָּ֜מָד אֶת אֻלָ֤ם הַ/שַּׁ֨עַר֙ שְׁמֹנֶ֣ה אַמּ֔וֹת ו/איל/ו שְׁתַּ֣יִם אַמּ֑וֹת וְ/אֻלָ֥ם הַ/שַּׁ֖עַר מֵ/הַ/בָּֽיִת וְ/אֵילָ֖י/ו
STATEN

Toen mat hij het andere voorhuis der poort, acht ellen, en haar posten twee ellen; en het voorhuis der poort was van binnen.

10
וְ/תָאֵ֨י הַ/שַּׁ֜עַר דֶּ֣רֶךְ הַ/קָּדִ֗ים שְׁלֹשָׁ֤ה מִ/פֹּה֙ וּ/שְׁלֹשָׁ֣ה מִ/פֹּ֔ה מִדָּ֥ה אַחַ֖ת לִ/שְׁלָשְׁתָּ֑/ם וּ/מִדָּ֥ה אַחַ֛ת לָ/אֵילִ֖ם מִ/פֹּ֥ה וּ/מִ/פּֽוֹ
STATEN

En de kamertjes der poort, den weg naar het oosten, waren drie van deze, en drie van gene zijde; die drie hadden enerlei maat; ook hadden de posten, van deze en van gene zijde, enerlei maat.

11
וַ/יָּ֛מָד אֶת רֹ֥חַב פֶּֽתַח הַ/שַּׁ֖עַר עֶ֣שֶׂר אַמּ֑וֹת אֹ֣רֶךְ הַ/שַּׁ֔עַר שְׁל֥וֹשׁ עֶשְׂרֵ֖ה אַמּֽוֹת
STATEN

Voorts mat hij de wijdte der deur van de poort, tien ellen; de lengte der poort, dertien ellen.

12
וּ/גְב֞וּל לִ/פְנֵ֤י הַ/תָּאוֹת֙ אַמָּ֣ה אֶחָ֔ת וְ/אַמָּה אַחַ֥ת גְּב֖וּל מִ/פֹּ֑ה וְ/הַ/תָּ֕א שֵׁשׁ אַמּ֣וֹת מִ/פּ֔וֹ וְ/שֵׁ֥שׁ אַמּ֖וֹת מִ/פּֽוֹ
STATEN

En er was een ruim voor aan de kamertjes, van één el van deze, en een ruim van één el van gene zijde; en elk kamertje zes ellen van deze, en zes ellen van gene zijde.

13
וַ/יָּ֣מָד אֶת הַ/שַּׁ֗עַר מִ/גַּ֤ג הַ/תָּא֙ לְ/גַגּ֔/וֹ רֹ֕חַב עֶשְׂרִ֥ים וְ/חָמֵ֖שׁ אַמּ֑וֹת פֶּ֖תַח נֶ֥גֶד פָּֽתַח
STATEN

Toen mat hij de poort van het dak van een kamertje af tot aan het dak van een ander; de breedte was vijf en twintig ellen; deur was tegenover deur.

14
וַ/יַּ֥עַשׂ אֶת אֵילִ֖ים שִׁשִּׁ֣ים אַמָּ֑ה וְ/אֶל אֵיל֙ הֶֽ/חָצֵ֔ר הַ/שַּׁ֖עַר סָבִ֥יב סָבִֽיב
STATEN

Ook maakte hij posten van zestig ellen, namelijk tot den post des voorhofs, rondom de poort henen.

15
וְ/עַ֗ל פְּנֵי֙ הַ/שַּׁ֣עַר ה/יאתון עַל לִ/פְנֵ֕י אֻלָ֥ם הַ/שַּׁ֖עַר הַ/פְּנִימִ֑י חֲמִשִּׁ֖ים אַמָּֽה הָֽ/אִית֔וֹן
STATEN

En van het voorste deel der poort des ingangs, tot aan het voorste deel van het voorhuis van de binnenpoort, waren vijftig ellen.

16
וְ/חַלֹּנ֣וֹת אֲטֻמ֣וֹת אֶֽל הַ/תָּאִ֡ים וְ/אֶל֩ אֵלֵי/הֵ֨מָה לִ/פְנִ֤ימָה לַ/שַּׁ֨עַר֙ סָבִ֣יב סָבִ֔יב וְ/כֵ֖ן לָ/אֵֽלַמּ֑וֹת וְ/חַלּוֹנ֞וֹת סָבִ֤יב סָבִיב֙ לִ/פְנִ֔ימָה וְ/אֶל אַ֖יִל תִּמֹרִֽים
STATEN

En er waren gesloten vensters aan de kamertjes, en aan hun posten inwaarts in de poort rondom henen; alzo ook aan de voorhuizen; de vensters nu waren rondom henen inwaarts, en aan de posten waren palmbomen.

17
וַ/יְבִיאֵ֗/נִי אֶל הֶֽ/חָצֵר֙ הַ/חִ֣יצוֹנָ֔ה וְ/הִנֵּ֤ה לְשָׁכוֹת֙ וְ/רִֽצְפָ֔ה עָשׂ֥וּי לֶ/חָצֵ֖ר סָבִ֣יב סָבִ֑יב שְׁלֹשִׁ֥ים לְשָׁכ֖וֹת אֶל הָ/רִֽצְפָֽה
STATEN

Voorts bracht hij mij in het buitenste voorhof, en ziet, er waren kameren, en een plaveisel, dat gemaakt was in het voorhof rondom henen, dertig kameren waren er op het plaveisel.

18
וְ/הָ/רִֽצְפָה֙ אֶל כֶּ֣תֶף הַ/שְּׁעָרִ֔ים לְ/עֻמַּ֖ת אֹ֣רֶךְ הַ/שְּׁעָרִ֑ים הָ/רִֽצְפָ֖ה הַ/תַּחְתּוֹנָֽה
STATEN

Het plaveisel nu was aan de zijde van de poorten, tegenover de lengte van de poorten; dit was het benedenste plaveisel.

19
וַ/יָּ֣מָד רֹ֡חַב מִ/לִּ/פְנֵי֩ הַ/שַּׁ֨עַר הַ/תַּחְתּ֜וֹנָ/ה לִ/פְנֵ֨י הֶ/חָצֵ֧ר הַ/פְּנִימִ֛י מִ/ח֖וּץ מֵאָ֣ה אַמָּ֑ה הַ/קָּדִ֖ים וְ/הַ/צָּפֽוֹן
STATEN

En hij mat de breedte, van het voorste deel der benedenste poort af, voor aan het binnenste voorhof, van buiten, honderd ellen, oostwaarts en noordwaarts.

20
וְ/הַ/שַּׁ֗עַר אֲשֶׁ֤ר פָּנָי/ו֙ דֶּ֣רֶךְ הַ/צָּפ֔וֹן לֶ/חָצֵ֖ר הַ/חִֽיצוֹנָ֑ה מָדַ֥ד אָרְכּ֖/וֹ וְ/רָחְבּֽ/וֹ
STATEN

Aangaande de poort nu, die den weg naar het noorden zag, aan het buitenste voorhof, hij mat derzelver lengte en derzelver breedte.

21
ו/תא/ו שְׁלוֹשָׁ֤ה מִ/פּוֹ֙ וּ/שְׁלֹשָׁ֣ה מִ/פּ֔וֹ ו/איל/ו ו/אלמ/ו הָיָ֔ה כְּ/מִדַּ֖ת הַ/שַּׁ֣עַר הָ/רִאשׁ֑וֹן חֲמִשִּׁ֤ים אַמָּה֙ אָרְכּ֔/וֹ וְ/רֹ֕חַב חָמֵ֥שׁ וְ/עֶשְׂרִ֖ים בָּ/אַמָּֽה וְ/תָאָ֗י/ו וְ/אֵילָ֤י/ו וְ/אֵֽלַמָּי/ו֙
STATEN

En haar kamertjes, drie van deze en drie van gene zijde; en haar posten en haar voorhuizen waren naar de maat der eerste poort; vijftig ellen haar lengte, en de breedte van vijf en twintig ellen.

22
ו/חלונ/ו ו/אלמ/ו ו/תמר/ו כְּ/מִדַּ֣ת הַ/שַּׁ֔עַר אֲשֶׁ֥ר פָּנָ֖י/ו דֶּ֣רֶךְ הַ/קָּדִ֑ים וּ/בְ/מַעֲל֥וֹת שֶׁ֨בַע֙ יַֽעֲלוּ ב֔/וֹ ו/אילמ/ו לִ/פְנֵי/הֶֽם וְ/חַלּוֹנָ֤י/ו וְ/אֵֽלַמָּי/ו֙ וְ/תִ֣מֹרָ֔י/ו וְ/אֵֽילַמָּ֖י/ו
STATEN

En haar vensters, en haar voorhuizen, en haar palmbomen, waren naar de maat der poort, die den weg naar het oosten zag; en men ging daarin op met zeven trappen, en haar voorhuizen waren voor aan dezelve.

23
וְ/שַׁ֨עַר֙ לֶ/חָצֵ֣ר הַ/פְּנִימִ֔י נֶ֣גֶד הַ/שַּׁ֔עַר לַ/צָּפ֖וֹן וְ/לַ/קָּדִ֑ים וַ/יָּ֧מָד מִ/שַּׁ֛עַר אֶל שַׁ֖עַר מֵאָ֥ה אַמָּֽה
STATEN

De poort nu van het binnenste voorhof was tegenover de poort van het noorden en van het oosten; en hij mat van poort tot poort honderd ellen.

24
וַ/יּוֹלִכֵ֨/נִי֙ דֶּ֣רֶךְ הַ/דָּר֔וֹם וְ/הִנֵּה שַׁ֖עַר דֶּ֣רֶךְ הַ/דָּר֑וֹם וּ/מָדַ֤ד איל/ו ו/אילמ/ו כַּ/מִּדּ֖וֹת הָ/אֵֽלֶּה אֵילָי/ו֙ וְ/אֵ֣ילַמָּ֔י/ו
STATEN

Daarna voerde hij mij den weg naar het zuiden; en ziet, er was een poort den weg naar het zuiden; en hij mat derzelver posten, en derzelver voorhuizen, naar deze maten.

25
וְ/חַלּוֹנִ֨ים ל֤/וֹ ו/ל/אילמ/ו סָבִ֣יב סָבִ֔יב כְּ/הַ/חֲלֹּנ֖וֹת הָ/אֵ֑לֶּה חֲמִשִּׁ֤ים אַמָּה֙ אֹ֔רֶךְ וְ/רֹ֕חַב חָמֵ֥שׁ וְ/עֶשְׂרִ֖ים אַמָּֽה וּ/לְ/אֵֽילַמָּי/ו֙
STATEN

En zij had vensteren, ook aan haar voorhuizen, rondom henen, gelijk deze vensteren; de lengte was vijftig ellen, en de breedte vijf en twintig ellen.

26
וּ/מַעֲל֤וֹת שִׁבְעָה֙ עלות/ו ו/אלמ/ו לִ/פְנֵי/הֶ֑ם וְ/תִמֹרִ֣ים ל֗/וֹ אֶחָ֥ד מִ/פּ֛וֹ וְ/אֶחָ֥ד מִ/פּ֖וֹ אֶל איל/ו עֹֽלוֹתָ֔י/ו וְ/אֵֽלַמָּ֖י/ו אֵילָֽי/ו
STATEN

En haar opgangen waren van zeven trappen, en haar voorhuizen waren voor aan dezelve; en zij had palmbomen, een van deze, en een van gene zijde aan haar posten.

27
וְ/שַׁ֛עַר לֶ/חָצֵ֥ר הַ/פְּנִימִ֖י דֶּ֣רֶךְ הַ/דָּר֑וֹם וַ/יָּ֨מָד מִ/שַּׁ֧עַר אֶל הַ/שַּׁ֛עַר דֶּ֥רֶךְ הַ/דָּר֖וֹם מֵאָ֥ה אַמּֽוֹת
STATEN

Ook was er een poort in het binnenste voorhof, den weg naar het zuiden; en hij mat van poort tot poort, den weg naar het zuiden, honderd ellen.

28
וַ/יְבִיאֵ֛/נִי אֶל חָצֵ֥ר הַ/פְּנִימִ֖י בְּ/שַׁ֣עַר הַ/דָּר֑וֹם וַ/יָּ֨מָד֙ אֶת הַ/שַּׁ֣עַר הַ/דָּר֔וֹם כַּ/מִּדּ֖וֹת הָ/אֵֽלֶּה
STATEN

Voorts bracht hij mij door de zuiderpoort tot het binnenvoorhof; en hij mat de zuiderpoort naar deze maten.

29
ו/תא/ו ו/איל/ו ו/אלמ/ו כַּ/מִּדּ֣וֹת הָ/אֵ֔לֶּה וְ/חַלּוֹנ֥וֹת ל֛/וֹ ו/ל/אלמ/ו סָבִ֣יב סָבִ֑יב חֲמִשִּׁ֤ים אַמָּה֙ אֹ֔רֶךְ וְ/רֹ֕חַב עֶשְׂרִ֥ים וְ/חָמֵ֖שׁ אַמּֽוֹת וְ/תָאָ֞י/ו וְ/אֵילָ֤י/ו וְ/אֵֽלַמָּי/ו֙ וּ/לְ/אֵלַמָּ֖י/ו
STATEN

En haar kamertjes, en haar posten, en haar voorhuizen waren naar deze maten; en zij had vensteren, ook in haar voorhuizen, rondom henen; de lengte was vijftig ellen, en de breedte vijf en twintig ellen.

30
וְ/אֵֽלַמּ֖וֹת סָבִ֣יב סָבִ֑יב אֹ֗רֶךְ חָמֵ֤שׁ וְ/עֶשְׂרִים֙ אַמָּ֔ה וְ/רֹ֖חַב חָמֵ֥שׁ אַמּֽוֹת
STATEN

En er waren voorhuizen rondom henen; de lengte was vijf en twintig ellen, en de breedte vijf ellen.

31
וְ/אֵלַמָּ֗/ו אֶל חָצֵר֙ הַ/חִ֣צוֹנָ֔ה וְ/תִמֹרִ֖ים אֶל איל/ו וּ/מַעֲל֥וֹת שְׁמוֹנֶ֖ה מעל/ו אֵילָ֑י/ו מַעֲלָֽי/ו
STATEN

En haar voorhuizen waren aan het buitenste voorhof, ook waren er palmbomen aan haar posten, en haar opgangen waren van acht trappen.

32
וַ/יְבִיאֵ֛/נִי אֶל הֶ/חָצֵ֥ר הַ/פְּנִימִ֖י דֶּ֣רֶךְ הַ/קָּדִ֑ים וַ/יָּ֣מָד אֶת הַ/שַּׁ֔עַר כַּ/מִּדּ֖וֹת הָ/אֵֽלֶּה
STATEN

Daarna bracht hij mij tot het binnenste voorhof, den weg naar het oosten; en hij mat de poort, naar deze maten;

33
ו/תא/ו ו/אל/ו ו/אלמ/ו כַּ/מִּדּ֣וֹת הָ/אֵ֔לֶּה וְ/חַלּוֹנ֥וֹת ל֛/וֹ ו/ל/אלמ/ו סָבִ֣יב סָבִ֑יב אֹ֚רֶךְ חֲמִשִּׁ֣ים אַמָּ֔ה וְ/רֹ֕חַב חָמֵ֥שׁ וְ/עֶשְׂרִ֖ים אַמָּֽה וְ/תָאָ֞י/ו וְ/אֵלָ֤י/ו וְ/אֵֽלַמָּי/ו֙ וּ/לְ/אֵלַמָּ֖י/ו
STATEN

Ook haar kamertjes, en haar posten, en haar voorhuizen naar deze maten; en zij had vensteren ook aan haar voorhuizen, rondom henen; de lengte was vijftig ellen, en de breedte vijf en twintig ellen.

34
ו/אלמ/ו לֶֽ/חָצֵר֙ הַ/חִ֣יצוֹנָ֔ה וְ/תִמֹרִ֥ים אֶל אל/ו מִ/פּ֣וֹ וּ/מִ/פּ֑וֹ וּ/שְׁמֹנֶ֥ה מַעֲל֖וֹת מעל/ו וְ/אֵלַמָּ֗י/ו אֵלָ֖י/ו מַעֲלָֽי/ו
STATEN

En haar voorhuizen waren aan het buitenste voorhof; ook waren er palmbomen aan haar posten, van deze en van gene zijde; en haar opgangen waren van acht trappen.

35
וַ/יְבִיאֵ֖/נִי אֶל שַׁ֣עַר הַ/צָּפ֑וֹן וּ/מָדַ֖ד כַּ/מִּדּ֥וֹת הָ/אֵֽלֶּה
STATEN

Daarna bracht hij mij tot de noorderpoort; en hij mat naar deze maten.

36
תא/ו אל/ו ו/אלמ/ו וְ/חַלּוֹנ֥וֹת ל֖/וֹ סָבִ֣יב סָבִ֑יב אֹ֚רֶךְ חֲמִשִּׁ֣ים אַמָּ֔ה וְ/רֹ֕חַב חָמֵ֥שׁ וְ/עֶשְׂרִ֖ים אַמָּֽה תָּאָי/ו֙ אֵלָ֣י/ו וְ/אֵֽלַמָּ֔י/ו
STATEN

Haar kamertjes, haar posten en haar voorhuizen; ook had zij vensteren rondom henen; de lengte was vijftig ellen, en de breedte vijf en twintig ellen.

37
ו/איל/ו לֶֽ/חָצֵר֙ הַ/חִ֣יצוֹנָ֔ה וְ/תִמֹרִ֥ים אֶל איל/ו מִ/פּ֣וֹ וּ/מִ/פּ֑וֹ וּ/שְׁמֹנֶ֥ה מַעֲל֖וֹת מעל/ו וְ/אֵילָ֗י/ו אֵילָ֖י/ו מַעֲלָֽי/ו
STATEN

En haar posten waren aan het buitenste voorhof; ook waren er palmbomen aan haar posten, van deze en van gene zijde; en haar opgangen waren van acht trappen.

38
וְ/לִשְׁכָּ֣ה וּ/פִתְחָ֔/הּ בְּ/אֵילִ֖ים הַ/שְּׁעָרִ֑ים שָׁ֖ם יָדִ֥יחוּ אֶת הָ/עֹלָֽה
STATEN

Haar kameren nu en haar deuren waren bij de posten der poorten; aldaar wies men het brandoffer.

39
וּ/בְ/אֻלָ֣ם הַ/שַּׁ֗עַר שְׁנַ֤יִם שֻׁלְחָנוֹת֙ מִ/פּ֔וֹ וּ/שְׁנַ֥יִם שֻׁלְחָנ֖וֹת מִ/פֹּ֑ה לִ/שְׁח֤וֹט אֲלֵי/הֶם֙ הָ/עוֹלָ֔ה וְ/הַ/חַטָּ֖את וְ/הָ/אָשָֽׁם
STATEN

En in het voorhuis der poort waren twee tafelen van deze, en twee tafelen van gene zijde, om daarop te slachten het brandoffer, en het zondoffer, en het schuldoffer.

40
וְ/אֶל הַ/כָּתֵ֣ף מִ/ח֗וּצָ/ה לָ/עוֹלֶה֙ לְ/פֶ֨תַח֙ הַ/שַּׁ֣עַר הַ/צָּפ֔וֹנָ/ה שְׁנַ֖יִם שֻׁלְחָנ֑וֹת וְ/אֶל הַ/כָּתֵ֣ף הָ/אַחֶ֗רֶת אֲשֶׁר֙ לְ/אֻלָ֣ם הַ/שַּׁ֔עַר שְׁנַ֖יִם שֻׁלְחָנֽוֹת
STATEN

Ook waren er aan de zijde van buiten des opgangs, aan de deur der noorderpoort, twee tafelen; en aan de andere zijde, die aan het voorhuis der poort was, twee tafelen.

41
אַרְבָּעָ֨ה שֻׁלְחָנ֜וֹת מִ/פֹּ֗ה וְ/אַרְבָּעָ֧ה שֻׁלְחָנ֛וֹת מִ/פֹּ֖ה לְ/כֶ֣תֶף הַ/שָּׁ֑עַר שְׁמוֹנָ֥ה שֻׁלְחָנ֖וֹת אֲלֵי/הֶ֥ם יִשְׁחָֽטוּ
STATEN

Vier tafelen van deze, en vier tafelen van gene zijde, aan de zijde der poort, acht tafelen, waarop men slachtte.

42
וְ/אַרְבָּעָה֩ שֻׁלְחָנ֨וֹת לָ/עוֹלָ֜ה אַבְנֵ֣י גָזִ֗ית אֹרֶךְ֩ אַמָּ֨ה אַחַ֤ת וָ/חֵ֨צִי֙ וְ/רֹ֨חַב אַמָּ֤ה אַחַת֙ וָ/חֵ֔צִי וְ/גֹ֖בַהּ אַמָּ֣ה אֶחָ֑ת אֲלֵי/הֶ֗ם וְ/יַנִּ֤יחוּ אֶת הַ/כֵּלִים֙ אֲשֶׁ֨ר יִשְׁחֲט֧וּ אֶת הָ/עוֹלָ֛ה בָּ֖/ם וְ/הַ/זָּֽבַח
STATEN

Maar de vier tafelen voor het brandoffer waren van gehouwen stenen, de lengte een el en een halve, en de breedte een el en een halve, en de hoogte een el; op dezelve nu legde men het gereedschap henen, waarmede men het brandoffer en slachtoffer slachtte.

43
וְ/הַֽ/שְׁפַתַּ֗יִם טֹ֧פַח אֶחָ֛ד מוּכָנִ֥ים בַּ/בַּ֖יִת סָבִ֣יב סָבִ֑יב וְ/אֶל הַ/שֻּׁלְחָנ֖וֹת בְּשַׂ֥ר הַ/קָּרְבָֽן
STATEN

De haardstenen nu waren een handbreed dik, ordentelijk geschikt in het huis rondom henen; en op de tafelen was het offervlees.

44
וּ/מִ/חוּצָ/ה֩ לַ/שַּׁ֨עַר הַ/פְּנִימִ֜י לִֽשְׁכ֣וֹת שָׁרִ֗ים בֶּ/חָצֵ֤ר הַ/פְּנִימִי֙ אֲשֶׁ֗ר אֶל כֶּ֨תֶף֙ שַׁ֣עַר הַ/צָּפ֔וֹן וּ/פְנֵי/הֶ֖ם דֶּ֣רֶךְ הַ/דָּר֑וֹם אֶחָ֗ד אֶל כֶּ֨תֶף֙ שַׁ֣עַר הַ/קָּדִ֔ים פְּנֵ֖י דֶּ֥רֶךְ הַ/צָּפֹֽן
STATEN

En van buiten de binnenste poort waren de kameren der zangers, in het binnenste voorhof, dat aan de zijde van de noorderpoort was; en het voorste deel derzelve was den weg naar het zuiden; een was er aan de zijde van de oostpoort, ziende den weg naar het noorden.

45
וַ/יְדַבֵּ֖ר אֵלָ֑/י זֹ֣ה הַ/לִּשְׁכָּ֗ה אֲשֶׁ֤ר פָּנֶ֨י/הָ֙ דֶּ֣רֶךְ הַ/דָּר֔וֹם לַ/כֹּ֣הֲנִ֔ים שֹׁמְרֵ֖י מִשְׁמֶ֥רֶת הַ/בָּֽיִת
STATEN

En hij sprak tot mij: Deze kamer, welker voorste deel den weg naar het zuiden is, is voor de priesteren, die de wacht des huizes waarnemen.

46
וְ/הַ/לִּשְׁכָּ֗ה אֲשֶׁ֤ר פָּנֶ֨י/הָ֙ דֶּ֣רֶךְ הַ/צָּפ֔וֹן לַ/כֹּ֣הֲנִ֔ים שֹׁמְרֵ֖י מִשְׁמֶ֣רֶת הַ/מִּזְבֵּ֑חַ הֵ֣מָּה בְנֵֽי צָד֗וֹק הַ/קְּרֵבִ֧ים מִ/בְּנֵֽי לֵוִ֛י אֶל יְהוָ֖ה לְ/שָׁרְתֽ/וֹ
STATEN

Maar de kamer, welker voorste deel den weg naar het noorden is, is voor de priesteren, die de wacht des altaars waarnemen; dat zijn de kinderen van Zadok, die uit de kinderen van Levi tot den HEERE naderen, om Hem te dienen.

47
וַ/יָּ֨מָד אֶת הֶ/חָצֵ֜ר אֹ֣רֶךְ מֵאָ֣ה אַמָּ֗ה וְ/רֹ֛חַב מֵאָ֥ה אַמָּ֖ה מְרֻבָּ֑עַת וְ/הַ/מִּזְבֵּ֖חַ לִ/פְנֵ֥י הַ/בָּֽיִת
STATEN

En hij mat het voorhof: de lengte honderd ellen, en de breedte honderd ellen, vierkant; en het altaar was voor aan het huis.

48
וַ/יְבִאֵ/נִי֮ אֶל אֻלָ֣ם הַ/בַּיִת֒ וַ/יָּ֨מָד֙ אֵ֣ל אֻלָ֔ם חָמֵ֤שׁ אַמּוֹת֙ מִ/פֹּ֔ה וְ/חָמֵ֥שׁ אַמּ֖וֹת מִ/פֹּ֑ה וְ/רֹ֣חַב הַ/שַּׁ֔עַר שָׁלֹ֤שׁ אַמּוֹת֙ מִ/פּ֔וֹ וְ/שָׁלֹ֥שׁ אַמּ֖וֹת מִ/פּֽוֹ
STATEN

Toen bracht hij mij tot het voorhuis des huizes, en hij mat elken post van het voorhuis, vijf ellen van deze, en vijf ellen van gene zijde; en de breedte der poort, drie ellen van deze, en drie ellen van gene zijde.

49
אֹ֣רֶךְ הָ/אֻלָ֞ם עֶשְׂרִ֣ים אַמָּ֗ה וְ/רֹ֨חַב֙ עַשְׁתֵּ֣י עֶשְׂרֵ֣ה אַמָּ֔ה וּ/בַֽ/מַּעֲל֔וֹת אֲשֶׁ֥ר יַעֲל֖וּ אֵלָ֑י/ו וְ/עַמֻּדִים֙ אֶל הָ֣/אֵילִ֔ים אֶחָ֥ד מִ/פֹּ֖ה וְ/אֶחָ֥ד מִ/פֹּֽה
STATEN

De lengte van het voorhuis twintig ellen, en de breedte elf ellen; en het was met trappen, bij dewelke men daarin opging; ook waren er pilaren aan de posten, een van deze, en een van gene zijde.