Ga naar inhoud
NEVIIM

Ezechiël 40

יְחֶזְקֵאל
Hoofdstukken (48)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
בְּ/עֶשְׂרִ֣ים וְ/חָמֵ֣שׁ שָׁנָ֣ה לְ֠/גָלוּתֵ/נוּ בְּ/רֹ֨אשׁ הַ/שָּׁנָ֜ה בֶּ/עָשׂ֣וֹר לַ/חֹ֗דֶשׁ בְּ/אַרְבַּ֤ע עֶשְׂרֵה֙ שָׁנָ֔ה אַחַ֕ר אֲשֶׁ֥ר הֻכְּתָ֖ה הָ/עִ֑יר בְּ/עֶ֣צֶם הַ/יּ֣וֹם הַ/זֶּ֗ה הָיְתָ֤ה עָלַ/י֙ יַד יְהוָ֔ה וַ/יָּבֵ֥א אֹתִ֖/י שָֽׁמָּ/ה׀־׃
STATEN

In het vijf en twintigste jaar onzer gevankelijke wegvoering, in het begin des jaars, op den tienden der maand, in het veertiende jaar, nadat de stad geslagen was; even op dienzelfden dag, was de hand des HEEREN op mij, en Hij bracht mij derwaarts.

2
בְּ/מַרְא֣וֹת אֱלֹהִ֔ים הֱבִיאַ֖/נִי אֶל אֶ֣רֶץ יִשְׂרָאֵ֑ל וַ/יְנִיחֵ֗/נִי אֶל הַ֤ר גָּבֹ֨הַּ֙ מְאֹ֔ד וְ/עָלָ֥י/ו כְּ/מִבְנֵה עִ֖יר מִ/נֶּֽגֶב־־־׃
STATEN

In de gezichten Gods bracht Hij mij in het land Israëls, en Hij zette mij op een zeer hogen berg; en aan denzelven was als een gebouw ener stad tegen het zuiden.

3
וַ/יָּבֵ֨יא אוֹתִ֜/י שָׁ֗מָּ/ה וְ/הִנֵּה אִישׁ֙ מַרְאֵ֨/הוּ֙ כְּ/מַרְאֵ֣ה נְחֹ֔שֶׁת וּ/פְתִיל פִּשְׁתִּ֥ים בְּ/יָד֖/וֹ וּ/קְנֵ֣ה הַ/מִּדָּ֑ה וְ/ה֥וּא עֹמֵ֖ד בַּ/שָּֽׁעַר־־׃
STATEN

Als Hij mij daarhenen gebracht had, ziet, zo was er een man, wiens gedaante was als de gedaante van koper; en in zijn hand was een linnen snoer, en een meetriet; en hij stond in de poort.

4
וַ/יְדַבֵּ֨ר אֵלַ֜/י הָ/אִ֗ישׁ בֶּן אָדָ֡ם רְאֵ֣ה בְ/עֵינֶי/ךָ֩ וּ/בְ/אָזְנֶ֨י/ךָ שְּׁמָ֜ע וְ/שִׂ֣ים לִבְּ/ךָ֗ לְ/כֹ֤ל אֲשֶׁר אֲנִי֙ מַרְאֶ֣ה אוֹתָ֔/ךְ כִּ֛י לְמַ֥עַן הַרְאוֹתְ/כָ֖ה הֻבָ֣אתָה הֵ֑נָּה הַגֵּ֛ד אֶת כָּל אֲשֶׁר אַתָּ֥ה רֹאֶ֖ה לְ/בֵ֥ית יִשְׂרָאֵֽל־־־־־׃
STATEN

En die man sprak tot mij: Mensenkind! zie met uw ogen, en hoor met uw oren, en zet uw hart op alles, wat ik u zal doen zien; want, opdat ik u zou doen zien, zijt gij herwaarts gebracht; verkondig daarna den huize Israëls alles, wat gij ziet.

5
וְ/הִנֵּ֥ה חוֹמָ֛ה מִ/ח֥וּץ לַ/בַּ֖יִת סָבִ֣יב סָבִ֑יב וּ/בְ/יַ֨ד הָ/אִ֜ישׁ קְנֵ֣ה הַ/מִּדָּ֗ה שֵׁשׁ אַמּ֤וֹת בָּֽ/אַמָּה֙ וָ/טֹ֔פַח וַ/יָּ֜מָד אֶת רֹ֤חַב הַ/בִּנְיָן֙ קָנֶ֣ה אֶחָ֔ד וְ/קוֹמָ֖ה קָנֶ֥ה אֶחָֽד׀־־׃
STATEN

En ziet, er was een muur buiten aan het huis, rondom henen, en in des mans hand was een meetriet van zes ellen, elke el van een el en een handbreed, en hij mat de breedte des gebouws één riet, en de hoogte één riet.

6
וַ/יָּב֗וֹא אֶל שַׁ֨עַר֙ אֲשֶׁ֤ר פָּנָי/ו֙ דֶּ֣רֶךְ הַ/קָּדִ֔ימָ/ה וַ/יַּ֖עַל ב/מעלות/ו וַ/יָּ֣מָד אֶת סַ֣ף הַ/שַּׁ֗עַר קָנֶ֤ה אֶחָד֙ רֹ֔חַב וְ/אֵת֙ סַ֣ף אֶחָ֔ד קָנֶ֥ה אֶחָ֖ד רֹֽחַב־׀־׃ בְּ/מַֽעֲלוֹתָ֑י/ו
STATEN

Toen kwam hij tot de poort, welke zag den weg naar het oosten, en hij ging bij derzelver trappen op, en mat den dorpel der poort één riet de breedte, en den anderen dorpel één riet de breedte.

7
וְ/הַ/תָּ֗א קָנֶ֨ה אֶחָ֥ד אֹ֨רֶךְ֙ וְ/קָנֶ֤ה אֶחָד֙ רֹ֔חַב וּ/בֵ֥ין הַ/תָּאִ֖ים חָמֵ֣שׁ אַמּ֑וֹת וְ/סַ֣ף הַ֠/שַּׁעַר מֵ/אֵ֨צֶל אוּלָ֥ם הַ/שַּׁ֛עַר מֵֽ/הַ/בַּ֖יִת קָנֶ֥ה אֶחָֽד׃
STATEN

En elk kamertje één riet de lengte, en één riet de breedte; en tussen de kamertjes vijf ellen; en den dorpel der poort, bij het voorhuis der poort van binnen, één riet.

8
וַ/יָּ֜מָד אֶת אֻלָ֥ם הַ/שַּׁ֛עַר מֵ/הַ/בַּ֖יִת קָנֶ֥ה אֶחָֽד־׃
STATEN

Ook mat hij het voorhuis der poort van binnen, één riet.

9
וַ/יָּ֜מָד אֶת אֻלָ֤ם הַ/שַּׁ֨עַר֙ שְׁמֹנֶ֣ה אַמּ֔וֹת ו/איל/ו שְׁתַּ֣יִם אַמּ֑וֹת וְ/אֻלָ֥ם הַ/שַּׁ֖עַר מֵ/הַ/בָּֽיִת־׃ וְ/אֵילָ֖י/ו
STATEN

Toen mat hij het andere voorhuis der poort, acht ellen, en haar posten twee ellen; en het voorhuis der poort was van binnen.

10
וְ/תָאֵ֨י הַ/שַּׁ֜עַר דֶּ֣רֶךְ הַ/קָּדִ֗ים שְׁלֹשָׁ֤ה מִ/פֹּה֙ וּ/שְׁלֹשָׁ֣ה מִ/פֹּ֔ה מִדָּ֥ה אַחַ֖ת לִ/שְׁלָשְׁתָּ֑/ם וּ/מִדָּ֥ה אַחַ֛ת לָ/אֵילִ֖ם מִ/פֹּ֥ה וּ/מִ/פּֽוֹ׃
STATEN

En de kamertjes der poort, den weg naar het oosten, waren drie van deze, en drie van gene zijde; die drie hadden enerlei maat; ook hadden de posten, van deze en van gene zijde, enerlei maat.

11
וַ/יָּ֛מָד אֶת רֹ֥חַב פֶּֽתַח הַ/שַּׁ֖עַר עֶ֣שֶׂר אַמּ֑וֹת אֹ֣רֶךְ הַ/שַּׁ֔עַר שְׁל֥וֹשׁ עֶשְׂרֵ֖ה אַמּֽוֹת־־׃
STATEN

Voorts mat hij de wijdte der deur van de poort, tien ellen; de lengte der poort, dertien ellen.

12
וּ/גְב֞וּל לִ/פְנֵ֤י הַ/תָּאוֹת֙ אַמָּ֣ה אֶחָ֔ת וְ/אַמָּה אַחַ֥ת גְּב֖וּל מִ/פֹּ֑ה וְ/הַ/תָּ֕א שֵׁשׁ אַמּ֣וֹת מִ/פּ֔וֹ וְ/שֵׁ֥שׁ אַמּ֖וֹת מִ/פּֽוֹ־־׃
STATEN

En er was een ruim voor aan de kamertjes, van één el van deze, en een ruim van één el van gene zijde; en elk kamertje zes ellen van deze, en zes ellen van gene zijde.

Op De Naamdragers

Blogs over Ezechiël 40

Nog geen artikelen die specifiek naar Ezechiël 40 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →