NEVIIM

Ezechiël 15

יְחֶזְקֵאל
Hoofdstukken (48)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יְהִ֥י דְבַר יְהוָ֖ה אֵלַ֥/י לֵ/אמֹֽר
STATEN

En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:

2
בֶּן אָדָ֕ם מַה יִּֽהְיֶ֥ה עֵץ הַ/גֶּ֖פֶן מִ/כָּל עֵ֑ץ הַ/זְּמוֹרָ֕ה אֲשֶׁ֥ר הָיָ֖ה בַּ/עֲצֵ֥י הַ/יָּֽעַר
STATEN

Mensenkind, wat is het hout des wijnstoks meer dan alle hout, of de wijnrank meer dan dat onder het hout eens wouds is?

3
הֲ/יֻקַּ֤ח מִמֶּ֨/נּוּ֙ עֵ֔ץ לַ/עֲשׂ֖וֹת לִ/מְלָאכָ֑ה אִם יִקְח֤וּ מִמֶּ֨/נּוּ֙ יָתֵ֔ד לִ/תְל֥וֹת עָלָ֖י/ו כָּל כֶּֽלִי
STATEN

Wordt daarvan hout genomen, om een stuk werks te maken? Neemt men daarvan een pin, om enig vat daaraan te hangen?

4
הִנֵּ֥ה לָ/אֵ֖שׁ נִתַּ֣ן לְ/אָכְלָ֑ה אֵת֩ שְׁנֵ֨י קְצוֹתָ֜י/ו אָכְלָ֤ה הָ/אֵשׁ֙ וְ/תוֹכ֣/וֹ נָחָ֔ר הֲ/יִצְלַ֖ח לִ/מְלָאכָֽה
STATEN

Ziet, het wordt aan het vuur overgegeven, opdat het verteerd worde; het vuur verteert beide zijn einden, en zijn middelste wordt verbrand; zou het deugen tot een stuk werks?

5
הִנֵּה֙ בִּֽ/הְיוֹת֣/וֹ תָמִ֔ים לֹ֥א יֵֽעָשֶׂ֖ה לִ/מְלָאכָ֑ה אַ֣ף כִּי אֵ֤שׁ אֲכָלַ֨תְ/הוּ֙ וַ/יֵּחָ֔ר וְ/נַעֲשָׂ֥ה ע֖וֹד לִ/מְלָאכָֽה
STATEN

Ziet, toen het geheel was, werd het tot geen stuk werks gemaakt; hoeveel te min als het vuur dat verteerd heeft, zodat het verbrand is, zal het dan nog tot een stuk werks gemaakt worden?

6
לָ/כֵ֗ן כֹּ֤ה אָמַר֙ אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֔ה כַּ/אֲשֶׁ֤ר עֵץ הַ/גֶּ֨פֶן֙ בְּ/עֵ֣ץ הַ/יַּ֔עַר אֲשֶׁר נְתַתִּ֥י/ו לָ/אֵ֖שׁ לְ/אָכְלָ֑ה כֵּ֣ן נָתַ֔תִּי אֶת יֹשְׁבֵ֖י יְרוּשָׁלִָֽם
STATEN

Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Gelijk als het hout des wijnstoks is onder het hout des wouds, hetwelk Ik aan het vuur overgeef, opdat het verteerd worde, alzo zal Ik de inwoners van Jeruzalem overgeven.

7
וְ/נָתַתִּ֤י אֶת פָּנַ/י֙ בָּ/הֶ֔ם מֵ/הָ/אֵ֣שׁ יָצָ֔אוּ וְ/הָ/אֵ֖שׁ תֹּֽאכְלֵ֑/ם וִֽ/ידַעְתֶּם֙ כִּֽי אֲנִ֣י יְהוָ֔ה בְּ/שׂוּמִ֥/י אֶת פָּנַ֖/י בָּ/הֶֽם
STATEN

Want Ik zal Mijn aangezicht tegen hen zetten; als zij van het ene vuur uitgaan, zal het andere vuur hen verteren; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik Mijn aangezicht tegen hen gesteld zal hebben.

8
וְ/נָתַתִּ֥י אֶת הָ/אָ֖רֶץ שְׁמָמָ֑ה יַ֚עַן מָ֣עֲלוּ מַ֔עַל נְאֻ֖ם אֲדֹנָ֥/י יְהוִֽה
STATEN

En Ik zal het land woest maken, omdat zij zwaarlijk overtreden hebben, spreekt de Heere HEERE.