Ga naar inhoud
NEVIIM

Ezechiël 19

יְחֶזְקֵאל
Hoofdstukken (48)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וְ/אַתָּה֙ שָׂ֣א קִינָ֔ה אֶל נְשִׂיאֵ֖י יִשְׂרָאֵֽל־׃
STATEN

Verder, hef gij een weeklage op over de vorsten van Israël,

2
וְ/אָמַרְתָּ֗ מָ֤ה אִמְּ/ךָ֙ לְבִיָּ֔א בֵּ֥ין אֲרָי֖וֹת רָבָ֑צָה בְּ/ת֥וֹךְ כְּפִרִ֖ים רִבְּתָ֥ה גוּרֶֽי/הָ׃
STATEN

En zeg: Wat was uw moeder? Een leeuwin, onder de leeuwen nederliggende; zij bracht haar welpen op in het midden der jonge leeuwen.

3
וַ/תַּ֛עַל אֶחָ֥ד מִ/גֻּרֶ֖י/הָ כְּפִ֣יר הָיָ֑ה וַ/יִּלְמַ֥ד לִ/טְרָף טֶ֖רֶף אָדָ֥ם אָכָֽל־׃
STATEN

Zij toog nu één van haar welpen op; het werd een jonge leeuw, die leerde roof te roven, hij at mensen op.

4
וַ/יִּשְׁמְע֥וּ אֵלָ֛י/ו גּוֹיִ֖ם בְּ/שַׁחְתָּ֣/ם נִתְפָּ֑שׂ וַ/יְבִאֻ֥/הוּ בַֽ/חַחִ֖ים אֶל אֶ֥רֶץ מִצְרָֽיִם־׃
STATEN

Dit hoorden de volken van hem, hij werd gegrepen in hun groeve; en zij brachten hem met haken naar Egypteland.

5
וַ/תֵּ֨רֶא֙ כִּ֣י נֽוֹחֲלָ֔ה אָבְדָ֖ה תִּקְוָתָ֑/הּ וַ/תִּקַּ֛ח אֶחָ֥ד מִ/גֻּרֶ֖י/הָ כְּפִ֥יר שָׂמָֽתְ/הוּ׃
STATEN

Zij nu ziende, dat zij in hope was geweest, doch haar verwachting verloren was, zo nam zij een ander van haar welpen, hetwelk zij tot een jongen leeuw stelde.

6
וַ/יִּתְהַלֵּ֥ךְ בְּ/תוֹךְ אֲרָי֖וֹת כְּפִ֣יר הָיָ֑ה וַ/יִּלְמַ֥ד לִ/טְרָף טֶ֖רֶף אָדָ֥ם אָכָֽל־־׃
STATEN

Deze wandelde steeds onder de leeuwen, werd een jonge leeuw, en leerde roof te roven, hij at mensen op.

7
וַ/יֵּ֨דַע֙ אַלְמְנוֹתָ֔י/ו וְ/עָרֵי/הֶ֖ם הֶחֱרִ֑יב וַ/תֵּ֤שַׁם אֶ֨רֶץ֙ וּ/מְלֹאָ֔/הּ מִ/קּ֖וֹל שַׁאֲגָתֽ/וֹ׃
STATEN

Hij bekende zijn weduwen, en hij verwoestte hun steden; zodat het land en zijn volheid ontzet werd van de stem zijner brulling.

8
וַ/יִּתְּנ֨וּ עָלָ֥י/ו גּוֹיִ֛ם סָבִ֖יב מִ/מְּדִינ֑וֹת וַֽ/יִּפְרְשׂ֥וּ עָלָ֛י/ו רִשְׁתָּ֖/ם בְּ/שַׁחְתָּ֥/ם נִתְפָּֽשׂ׃
STATEN

Toen begaven zich de volken tegen hem rondom uit de landschappen, en zij spreidden hun net over hem uit; in hun groeve werd hij gegrepen.

9
וַֽ/יִּתְּנֻ֤/הוּ בַ/סּוּגַר֙ בַּֽ/חַחִ֔ים וַ/יְבִאֻ֖/הוּ אֶל מֶ֣לֶךְ בָּבֶ֑ל יְבִאֻ֨/הוּ֙ בַּ/מְּצֹד֔וֹת לְמַ֗עַן לֹא יִשָּׁמַ֥ע קוֹל֛/וֹ ע֖וֹד אֶל הָרֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל־־־׃פ
STATEN

En zij stelden hem in gesloten bewaring met haken, opdat zij hem brachten tot den koning van Babel; zij brachten hem in vestingen, opdat zijn stem niet meer gehoord wierde op de bergen Israëls.

10
אִמְּ/ךָ֥ כַ/גֶּ֛פֶן בְּ/דָמְ/ךָ֖ עַל מַ֣יִם שְׁתוּלָ֑ה פֹּֽרִיָּה֙ וַֽ/עֲנֵפָ֔ה הָיְתָ֖ה מִ/מַּ֥יִם רַבִּֽים־׃
STATEN

Uw moeder was als een wijnstok in uw stilheid, geplant bij wateren; hij was vruchtbaar en vol ranken vanwege vele wateren.

11
וַ/יִּֽהְיוּ לָ֞/הּ מַטּ֣וֹת עֹ֗ז אֶל שִׁבְטֵי֙ מֹֽשְׁלִ֔ים וַ/תִּגְבַּ֥הּ קֽוֹמָת֖/וֹ עַל בֵּ֣ין עֲבֹתִ֑ים וַ/יֵּרָ֣א בְ/גָבְה֔/וֹ בְּ/רֹ֖ב דָּלִיֹּתָֽי/ו־־־׃
STATEN

En hij had sterke roeden tot scepteren der heersers, en de stam van elke roede werd hoog tussen de dichte takken; en hij werd gezien door zijn hoogte, met de menigte zijner takken.

12
וַ/תֻּתַּ֤שׁ בְּ/חֵמָה֙ לָ/אָ֣רֶץ הֻשְׁלָ֔כָה וְ/ר֥וּחַ הַ/קָּדִ֖ים הוֹבִ֣ישׁ פִּרְיָ֑/הּ הִתְפָּרְק֧וּ וְ/יָבֵ֛שׁוּ מַטֵּ֥ה עֻזָּ֖/הּ אֵ֥שׁ אֲכָלָֽתְ/הוּ׃
STATEN

Maar hij werd door grimmigheid uitgerukt, en ter aarde geworpen, en de oostenwind heeft zijn vrucht verdroogd; zijn sterke roeden zijn afgebroken en zijn verdroogd; het vuur heeft ze verteerd.

Op De Naamdragers

Blogs over Ezechiël 19

Nog geen artikelen die specifiek naar Ezechiël 19 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →