Ga naar inhoud
NEVIIM

Ezechiël 36

יְחֶזְקֵאל
Hoofdstukken (48)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וְ/אַתָּ֣ה בֶן אָדָ֔ם הִנָּבֵ֖א אֶל הָרֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל וְ/אָ֣מַרְתָּ֔ הָרֵי֙ יִשְׂרָאֵ֔ל שִׁמְע֖וּ דְּבַר יְהוָֽה־־־׃
STATEN

En gij, mensenkind! profeteer tot de bergen Israëls, en zeg: Gij bergen Israëls! hoort des HEEREN woord.

2
כֹּ֤ה אָמַר֙ אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֔ה יַ֣עַן אָמַ֧ר הָ/אוֹיֵ֛ב עֲלֵי/כֶ֖ם הֶאָ֑ח וּ/בָמ֣וֹת עוֹלָ֔ם לְ/מֽוֹרָשָׁ֖ה הָ֥יְתָה לָּֽ/נוּ׃
STATEN

Alzo zegt de Heere HEERE: Omdat de vijand van u zegt: Heah! zelfs de eeuwige hoogten zijn ons ten erve geworden!

3
לָ/כֵן֙ הִנָּבֵ֣א וְ/אָמַרְתָּ֔ כֹּ֥ה אָמַ֖ר אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֑ה יַ֣עַן בְּ/יַ֡עַן שַׁמּוֹת֩ וְ/שָׁאֹ֨ף אֶתְ/כֶ֜ם מִ/סָּבִ֗יב לִֽ/הְיוֹתְ/כֶ֤ם מֽוֹרָשָׁה֙ לִ/שְׁאֵרִ֣ית הַ/גּוֹיִ֔ם וַ/תֵּֽעֲל֛וּ עַל שְׂפַ֥ת לָשׁ֖וֹן וְ/דִבַּת עָֽם־־׃
STATEN

Daarom profeteer en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Daarom, omdat men u van rondom verwoest en opgeslokt heeft, opdat gij voor het overblijfsel der heidenen ten erve zoudt zijn, en gij gebracht zijt op de klapachtige lip en in opspraak des volks;

4
לָ/כֵן֙ הָרֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל שִׁמְע֖וּ דְּבַר אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֑ה כֹּֽה אָמַ֣ר אֲדֹנָ֣/י יְ֠הוִה לֶ/הָרִ֨ים וְ/לַ/גְּבָע֜וֹת לָ/אֲפִיקִ֣ים וְ/לַ/גֵּאָי֗וֹת וְ/לֶ/חֳרָב֤וֹת הַ/שֹּֽׁמְמוֹת֙ וְ/לֶ/עָרִ֣ים הַ/נֶּעֱזָב֔וֹת אֲשֶׁ֨ר הָי֤וּ לְ/בַז֙ וּ/לְ/לַ֔עַג לִ/שְׁאֵרִ֥ית הַ/גּוֹיִ֖ם אֲשֶׁ֥ר מִ/סָּבִֽיב־־׃ס
STATEN

Daarom, gij bergen Israëls! hoort het woord des Heeren HEEREN: Zo zegt de Heere HEERE tot de bergen en tot de heuvelen, tot de stromen en tot de dalen, tot de verwoeste eenzame plaatsen en tot de verlaten steden, die tot een roof en tot een spot geworden zijn voor het overblijfsel der heidenen, die rondom zijn;

5
לָ/כֵ֗ן כֹּֽה אָמַר֮ אֲדֹנָ֣/י יְהוִה֒ אִם לֹ֠א בְּ/אֵ֨שׁ קִנְאָתִ֥/י דִבַּ֛רְתִּי עַל שְׁאֵרִ֥ית הַ/גּוֹיִ֖ם וְ/עַל אֱד֣וֹם כֻּלָּ֑/א אֲשֶׁ֣ר נָתְנֽוּ אֶת אַרְצִ֣/י לָ֠/הֶם לְ/מ֨וֹרָשָׁ֜ה בְּ/שִׂמְחַ֤ת כָּל לֵבָב֙ בִּ/שְׁאָ֣ט נֶ֔פֶשׁ לְמַ֥עַן מִגְרָשָׁ֖/הּ לָ/בַֽז־־־־־־׀־׃
STATEN

Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zo Ik niet in het vuur Mijns ijvers gesproken heb tegen het overblijfsel der heidenen, en tegen het ganse Edom; die Mijn land zichzelven ten erve gegeven hebben met blijdschap des gansen harten, met begerige plundering, opdat de landerij daarvan ten rove zou zijn!

6
לָ/כֵ֕ן הִנָּבֵ֖א עַל אַדְמַ֣ת יִשְׂרָאֵ֑ל וְ/אָמַרְתָּ֡ לֶ/הָרִ֣ים וְ֠/לַ/גְּבָעוֹת לָ/אֲפִיקִ֨ים וְ/לַ/גֵּאָי֜וֹת כֹּֽה אָמַ֣ר אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֗ה הִנְ/נִ֨י בְ/קִנְאָתִ֤/י וּ/בַ/חֲמָתִ/י֙ דִּבַּ֔רְתִּי יַ֛עַן כְּלִמַּ֥ת גּוֹיִ֖ם נְשָׂאתֶֽם־־׀׃
STATEN

Daarom profeteer van het land Israëls, en zeg tot de bergen en tot de heuvelen, tot de stromen en tot de dalen: Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik heb in Mijn ijver en in Mijn grimmigheid gesproken, omdat gij den smaad der heidenen gedragen hebt;

7
לָ/כֵ֗ן כֹּ֤ה אָמַר֙ אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֔ה אֲנִ֖י נָשָׂ֣אתִי אֶת יָדִ֑/י אִם לֹ֤א הַ/גּוֹיִם֙ אֲשֶׁ֣ר לָ/כֶ֣ם מִ/סָּבִ֔יב הֵ֖מָּה כְּלִמָּתָ֥/ם יִשָּֽׂאוּ־־׃
STATEN

Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Ik heb Mijn hand opgeheven; zo niet de heidenen, die rondom u zijn, zelf hun schande zullen dragen!

8
וְ/אַתֶּ֞ם הָרֵ֤י יִשְׂרָאֵל֙ עַנְפְּ/כֶ֣ם תִּתֵּ֔נוּ וּ/פֶרְיְ/כֶ֥ם תִּשְׂא֖וּ לְ/עַמִּ֣/י יִשְׂרָאֵ֑ל כִּ֥י קֵרְב֖וּ לָ/בֽוֹא׃
STATEN

Maar gij, o bergen Israëls! gij zult weder uw takken geven, en uw vrucht voor Mijn volk Israël dragen, want zij naderen te komen.

9
כִּ֖י הִנְ/נִ֣י אֲלֵי/כֶ֑ם וּ/פָנִ֣יתִי אֲלֵי/כֶ֔ם וְ/נֶעֱבַדְתֶּ֖ם וְ/נִזְרַעְתֶּֽם׃
STATEN

Want ziet, Ik ben bij u, en Ik zal u aanzien, en gij zult gebouwd en bezaaid worden.

10
וְ/הִרְבֵּיתִ֤י עֲלֵי/כֶם֙ אָדָ֔ם כָּל בֵּ֥ית יִשְׂרָאֵ֖ל כֻּלֹּ֑/ה וְ/נֹֽשְׁבוּ֙ הֶֽ/עָרִ֔ים וְ/הֶ/חֳרָב֖וֹת תִּבָּנֶֽינָה־׃
STATEN

En Ik zal mensen op u vermenigvuldigen, het ganse huis Israëls, ja, dat geheel; en de steden zullen bewoond, en de eenzame plaatsen bebouwd worden.

11
וְ/הִרְבֵּיתִ֧י עֲלֵי/כֶ֛ם אָדָ֥ם וּ/בְהֵמָ֖ה וְ/רָב֣וּ וּ/פָר֑וּ וְ/הוֹשַׁבְתִּ֨י אֶתְ/כֶ֜ם כְּ/קַדְמֽוֹתֵי/כֶ֗ם וְ/הֵטִֽבֹתִי֙ מֵ/רִאשֹׁ֣תֵי/כֶ֔ם וִֽ/ידַעְתֶּ֖ם כִּֽי אֲנִ֥י יְהוָֽה־׃
STATEN

Ja, Ik zal mensen en beesten op u vermenigvuldigen, en zij zullen vermenigvuldigd worden en vruchtbaar zijn; en Ik zal u doen bewonen, als in uw vorige tijden, ja, Ik zal het beter maken dan in uw beginselen; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben.

12
וְ/הוֹלַכְתִּי֩ עֲלֵי/כֶ֨ם אָדָ֜ם אֶת עַמִּ֤/י יִשְׂרָאֵל֙ וִֽ/ירֵשׁ֔וּ/ךָ וְ/הָיִ֥יתָ לָ/הֶ֖ם לְ/נַחֲלָ֑ה וְ/לֹא תוֹסִ֥ף ע֖וֹד לְ/שַׁכְּלָֽ/ם־־׃ס
STATEN

En Ik zal mensen op u doen wandelen, namelijk Mijn volk Israël, die zullen u erfelijk bezitten, en gij zult hun ter erfenis zijn, en gij zult ze voortaan niet meer beroven.

Op De Naamdragers

Blogs over Ezechiël 36

Nog geen artikelen die specifiek naar Ezechiël 36 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →