Het Woord · Ezechiël 2 NEVIIM
Ezechiël 2 יְחֶזְקֵאל
Hoofdstukken (48)← → toetsen
Patronen in dit hoofdstuk▾ Getuigen
WLC i ALEPPO i LXX-RAHLFS i TAHOT i STATEN i KJV i VULGATE i LUTHER i ULT i UST i WEB i ASV i DARBY i YLT i JPS1917 i
וַ/יֹּ֖אמֶר אֵלָ֑/י בֶּן אָדָם֙ עֲמֹ֣ד עַל רַגְלֶ֔י/ךָ וַ/אֲדַבֵּ֖ר אֹתָֽ/ךְ־־׃
STATEN
En Hij zeide tot mij: Mensenkind, sta op uw voeten, en Ik zal met u spreken.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/תָּ֧בֹא בִ֣/י ר֗וּחַ כַּֽ/אֲשֶׁר֙ דִּבֶּ֣ר אֵלַ֔/י וַ/תַּעֲמִדֵ֖/נִי עַל רַגְלָ֑/י וָ/אֶשְׁמַ֕ע אֵ֖ת מִדַּבֵּ֥ר אֵלָֽ/י־׃פ
STATEN
Zo kwam in mij, als Hij tot mij sprak, de Geest, Die mij stelde op mijn voeten; en ik hoorde Dien, Die tot mij sprak.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יֹּ֣אמֶר אֵלַ֗/י בֶּן אָדָם֙ שׁוֹלֵ֨חַ אֲנִ֤י אֽוֹתְ/ךָ֙ אֶל בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל אֶל גּוֹיִ֥ם הַ/מּוֹרְדִ֖ים אֲשֶׁ֣ר מָרְדוּ בִ֑/י הֵ֤מָּה וַ/אֲבוֹתָ/ם֙ פָּ֣שְׁעוּ בִ֔/י עַד עֶ֖צֶם הַ/יּ֥וֹם הַ/זֶּֽה־־־־־׃
STATEN
En Hij zeide tot mij: Mensenkind! Ik zend u tot de kinderen Israëls, tot de rebellerende volken, die tegen Mij gerebelleerd hebben; zij en hun vaderen hebben overtreden tegen Mij tot op dezen zelven huidigen dag.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/הַ/בָּנִ֗ים קְשֵׁ֤י פָנִים֙ וְ/חִזְקֵי לֵ֔ב אֲנִ֛י שׁוֹלֵ֥חַ אוֹתְ/ךָ֖ אֲלֵי/הֶ֑ם וְ/אָמַרְתָּ֣ אֲלֵי/הֶ֔ם כֹּ֥ה אָמַ֖ר אֲדֹנָ֥/י יְהֹוִֽה־׃
STATEN
En deze kinderen zijn hard van aangezicht, en stijf van hart; Ik zend u tot hen, en gij zult tot hen zeggen: Zo zegt de HEERE!
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/הֵ֨מָּה֙ אִם יִשְׁמְע֣וּ וְ/אִם יֶחְדָּ֔לוּ כִּ֛י בֵּ֥ית מְרִ֖י הֵ֑מָּה וְ/יָ֣דְע֔וּ כִּ֥י נָבִ֖יא הָיָ֥ה בְ/תוֹכָֽ/ם־־׃פ
STATEN
En zij, hetzij dat zij het horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen (want zij zijn een wederspannig huis), zo zullen zij weten, dat een profeet in het midden van hen geweest is.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/אַתָּ֣ה בֶן אָ֠דָם אַל תִּירָ֨א מֵ/הֶ֜ם וּ/מִ/דִּבְרֵי/הֶ֣ם אַל תִּירָ֗א כִּ֣י סָרָבִ֤ים וְ/סַלּוֹנִים֙ אוֹתָ֔/ךְ וְ/אֶל עַקְרַבִּ֖ים אַתָּ֣ה יוֹשֵׁ֑ב מִ/דִּבְרֵי/הֶ֤ם אַל תִּירָא֙ וּ/מִ/פְּנֵי/הֶ֣ם אַל תֵּחָ֔ת כִּ֛י בֵּ֥ית מְרִ֖י הֵֽמָּה־־־־־־׃
STATEN
En gij, mensenkind! vrees niet voor hen, en vrees niet voor hun woorden, hoewel wederwilligen en doornen bij u zijn, en gij bij schorpioenen woont; vrees voor hun woorden niet, en ontzet u niet voor hun aangezicht, want zij zijn een wederspannig huis.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/דִבַּרְתָּ֤ אֶת דְּבָרַ/י֙ אֲלֵי/הֶ֔ם אִֽם יִשְׁמְע֖וּ וְ/אִם יֶחְדָּ֑לוּ כִּ֥י מְרִ֖י הֵֽמָּה־־־׃פ
STATEN
Maar gij zult Mijn woorden tot hen spreken, hetzij dat zij horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen; want zij zijn wederspannig.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְ/אַתָּ֣ה בֶן אָדָ֗ם שְׁמַע֙ אֵ֤ת אֲשֶׁר אֲנִי֙ מְדַבֵּ֣ר אֵלֶ֔י/ךָ אַל תְּהִי מֶ֖רִי כְּ/בֵ֣ית הַ/מֶּ֑רִי פְּצֵ֣ה פִ֔י/ךָ וֶ/אֱכֹ֕ל אֵ֥ת אֲשֶׁר אֲנִ֖י נֹתֵ֥ן אֵלֶֽי/ךָ־־־־־׃
STATEN
Doch gij, mensenkind, hoor hetgeen Ik tot u spreek; wees gij niet wederspannig, gelijk dat wederspannig huis; open uw mond, en eet, wat Ik u geef.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וָ/אֶרְאֶ֕ה וְ/הִנֵּה יָ֖ד שְׁלוּחָ֣ה אֵלָ֑/י וְ/הִנֵּה ב֖/וֹ מְגִלַּת סֵֽפֶר־־־׃
STATEN
Toen zag ik, en ziet, er was een hand tot mij uitgestoken; en ziet, daarin was de rol eens boeks.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וַ/יִּפְרֹ֤שׂ אוֹתָ/הּ֙ לְ/פָנַ֔/י וְ/הִ֥יא כְתוּבָ֖ה פָּנִ֣ים וְ/אָח֑וֹר וְ/כָת֣וּב אֵלֶ֔י/הָ קִנִ֥ים וָ/הֶ֖גֶה וָ/הִֽי׃ס
STATEN
En Hij spreidde die voor mijn aangezicht uit; en zij was beschreven voor en achter; en daarin waren geschreven klaagliederen, en zuchting, en wee.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
← Hoofdstuk 1 ← → navigeer Hoofdstuk 3 →