NEVIIM

Ezechiël 23

יְחֶזְקֵאל
Hoofdstukken (48)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יְהִ֥י דְבַר יְהוָ֖ה אֵלַ֥/י לֵ/אמֹֽר
STATEN

Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:

2
בֶּן אָדָ֑ם שְׁתַּ֣יִם נָשִׁ֔ים בְּנ֥וֹת אֵם אַחַ֖ת הָיֽוּ
STATEN

Mensenkind! daar waren twee vrouwen, dochteren van één moeder.

3
וַ/תִּזְנֶ֣ינָה בְ/מִצְרַ֔יִם בִּ/נְעוּרֵי/הֶ֖ן זָנ֑וּ שָׁ֚מָּ/ה מֹעֲכ֣וּ שְׁדֵי/הֶ֔ן וְ/שָׁ֣ם עִשּׂ֔וּ דַּדֵּ֖י בְּתוּלֵי/הֶֽן
STATEN

Dezen hoereerden in Egypte; in haar jeugd hoereerden zij; daar werden haar borsten gedrukt, en daar werden de tepelen haars maagdoms betast.

4
וּ/שְׁמוֹתָ֗/ן אָהֳלָ֤ה הַ/גְּדוֹלָה֙ וְ/אָהֳלִיבָ֣ה אֲחוֹתָ֔/הּ וַ/תִּֽהְיֶ֣ינָה לִ֔/י וַ/תֵּלַ֖דְנָה בָּנִ֣ים וּ/בָנ֑וֹת וּ/שְׁמוֹתָ֕/ן שֹׁמְר֣וֹן אָהֳלָ֔ה וִ/ירוּשָׁלִַ֖ם אָהֳלִיבָֽה
STATEN

Haar namen nu waren: Ohola, de grootste, en Oholiba, haar zuster; en zij werden de Mijne, en baarden zonen en dochteren; dit waren haar namen: Samaria is Ohola, en Jeruzalem Oholiba.

5
וַ/תִּ֥זֶן אָהֳלָ֖ה תַּחְתָּ֑/י וַ/תַּעְגַּב֙ עַֽל מְאַהֲבֶ֔י/הָ אֶל אַשּׁ֖וּר קְרוֹבִֽים
STATEN

Ohola nu hoereerde, zijnde onder Mij; en zij werd verliefd op haar boelen, op de Assyriërs, die nabij waren;

6
לְבֻשֵׁ֤י תְכֵ֨לֶת֙ פַּח֣וֹת וּ/סְגָנִ֔ים בַּח֥וּרֵי חֶ֖מֶד כֻּלָּ֑/ם פָּרָשִׁ֕ים רֹכְבֵ֖י סוּסִֽים
STATEN

Bekleed met hemelsblauw, vorsten en overheden, altemaal gewenste jongelingen, ruiteren, rijdende op paarden.

7
וַ/תִּתֵּ֤ן תַּזְנוּתֶ֨י/הָ֙ עֲלֵי/הֶ֔ם מִבְחַ֥ר בְּנֵֽי אַשּׁ֖וּר כֻּלָּ֑/ם וּ/בְ/כֹ֧ל אֲשֶׁר עָֽגְבָ֛ה בְּ/כָל גִּלּוּלֵי/הֶ֖ם נִטְמָֽאָה
STATEN

Alzo dreef zij haar hoererijen met dezelve, die allen de keure der kinderen van Assur waren; en met allen, op dewelke zij verliefd was, met al derzelver drekgoden, verontreinigde zij zich.

8
וְ/אֶת תַּזְנוּתֶ֤י/הָ מִ/מִּצְרַ֨יִם֙ לֹ֣א עָזָ֔בָה כִּ֤י אוֹתָ/הּ֙ שָׁכְב֣וּ בִ/נְעוּרֶ֔י/הָ וְ/הֵ֥מָּה עִשּׂ֖וּ דַּדֵּ֣י בְתוּלֶ֑י/הָ וַ/יִּשְׁפְּכ֥וּ תַזְנוּתָ֖/ם עָלֶֽי/הָ
STATEN

Zij verliet ook haar hoererijen niet, gebracht uit Egypte; want zij hadden bij haar in haar jeugd gelegen, en zij hadden de tepelen haars maagdoms betast, en zij hadden hun hoererij over haar uitgestort.

9
לָ/כֵ֥ן נְתַתִּ֖י/הָ בְּ/יַד מְאַֽהֲבֶ֑י/הָ בְּ/יַד֙ בְּנֵ֣י אַשּׁ֔וּר אֲשֶׁ֥ר עָגְבָ֖ה עֲלֵי/הֶֽם
STATEN

Daarom gaf Ik haar in de hand van haar boelen over, in de hand der kinderen van Assur, op dewelke zij verliefd was.

10
הֵמָּה֮ גִּלּ֣וּ עֶרְוָתָ/הּ֒ בָּנֶ֤י/הָ וּ/בְנוֹתֶ֨י/הָ֙ לָקָ֔חוּ וְ/אוֹתָ֖/הּ בַּ/חֶ֣רֶב הָרָ֑גוּ וַ/תְּהִי שֵׁם֙ לַ/נָּשִׁ֔ים וּ/שְׁפוּטִ֖ים עָ֥שׂוּ בָֽ/הּ
STATEN

Dezen ontdekten haar schaamte, haar zonen en haar dochteren namen zij weg, maar haar doodden zij met het zwaard; en zij kreeg een naam onder de vrouwen, nadat men gerichten over haar geoefend had.

11
וַ/תֵּ֨רֶא֙ אֲחוֹתָ֣/הּ אָהֳלִיבָ֔ה וַ/תַּשְׁחֵ֥ת עַגְבָתָ֖/הּ מִמֶּ֑/נָּה וְ/אֶת תַּ֨זְנוּתֶ֔י/הָ מִ/זְּנוּנֵ֖י אֲחוֹתָֽ/הּ
STATEN

Als haar zuster, Oholiba, dit zag, zo verdierf zij haar minne nog meer dan zij, en haar hoererijen meer dan de hoererijen van haar zuster.

12
אֶל בְּנֵי֩ אַשּׁ֨וּר עָגָ֜בָה פַּח֨וֹת וּ/סְגָנִ֤ים קְרֹבִים֙ לְבֻשֵׁ֣י מִכְל֔וֹל פָּרָשִׁ֖ים רֹכְבֵ֣י סוּסִ֑ים בַּח֥וּרֵי חֶ֖מֶד כֻּלָּֽ/ם
STATEN

Zij werd verliefd op de kinderen van Assur, de vorsten en overheden, die nabij waren, bekleed met volkomen sieraad, ruiteren, rijdende op paarden, altemaal gewenste jongelingen.

13
וָ/אֵ֖רֶא כִּ֣י נִטְמָ֑אָה דֶּ֥רֶךְ אֶחָ֖ד לִ/שְׁתֵּי/הֶֽן
STATEN

Toen zag Ik, dat zij verontreinigd was; zij hadden beiden enerlei weg.

14
וַ/תּ֖וֹסֶף אֶל תַּזְנוּתֶ֑י/הָ וַ/תֵּ֗רֶא אַנְשֵׁי֙ מְחֻקֶּ֣ה עַל הַ/קִּ֔יר צַלְמֵ֣י כשדיים חֲקֻקִ֖ים בַּ/שָּׁשַֽׁר כַשְׂדִּ֔ים
STATEN

Ja, zij deed tot haar hoererijen nog meer toe; want toen zij geschilderde mannen aan den wand zag, de beelden der Chaldeeën, geschilderd met menie,

15
חֲגוֹרֵ֨י אֵז֜וֹר בְּ/מָתְנֵי/הֶ֗ם סְרוּחֵ֤י טְבוּלִים֙ בְּ/רָ֣אשֵׁי/הֶ֔ם מַרְאֵ֥ה שָׁלִשִׁ֖ים כֻּלָּ֑/ם דְּמ֤וּת בְּנֵֽי בָבֶל֙ כַּשְׂדִּ֔ים אֶ֖רֶץ מוֹלַדְתָּֽ/ם
STATEN

Gegord met een gordel aan hun lenden, hebbende overvloedig geverfde hoeden op hun hoofden, die allen in het aanzien hoofdmannen waren, naar de gelijkenis der kinderen van Babel, van Chaldéa, het land hunner geboorte;

16
ו/תעגב עֲלֵי/הֶ֖ם לְ/מַרְאֵ֣ה עֵינֶ֑י/הָ וַ/תִּשְׁלַ֧ח מַלְאָכִ֛ים אֲלֵי/הֶ֖ם כַּשְׂדִּֽימָ/ה וַ/תַּעְגְּבָ֥/ה
STATEN

Zo werd zij op dezelve verliefd met het opzien van haar ogen, en zij zond boden tot hen, naar Chaldéa.

17
וַ/יָּבֹ֨אוּ אֵלֶ֤י/הָ בְנֵֽי בָבֶל֙ לְ/מִשְׁכַּ֣ב דֹּדִ֔ים וַ/יְטַמְּא֥וּ אוֹתָ֖/הּ בְּ/תַזְנוּתָ֑/ם וַ/תִּ֨טְמָא בָ֔/ם וַ/תֵּ֥קַע נַפְשָׁ֖/הּ מֵ/הֶֽם
STATEN

De kinderen van Babel nu kwamen tot haar in tot het leger der minne, en verontreinigden haar met hun hoererij; ook verontreinigde zij zich met hen; daarna werd haar ziel van hen afgetrokken.

18
וַ/תְּגַל֙ תַּזְנוּתֶ֔י/הָ וַ/תְּגַ֖ל אֶת עֶרְוָתָ֑/הּ וַ/תֵּ֤קַע נַפְשִׁ/י֙ מֵֽ/עָלֶ֔י/הָ כַּ/אֲשֶׁ֛ר נָקְעָ֥ה נַפְשִׁ֖/י מֵ/עַ֥ל אֲחוֹתָֽ/הּ
STATEN

Alzo ontdekte zij haar hoererijen, en ontdekte haar schaamte; toen werd Mijn ziel van haar afgetrokken, gelijk als Mijn ziel was afgetrokken van haar zuster.

19
וַ/תַּרְבֶּ֖ה אֶת תַּזְנוּתֶ֑י/הָ לִ/זְכֹּר֙ אֶת יְמֵ֣י נְעוּרֶ֔י/הָ אֲשֶׁ֥ר זָנְתָ֖ה בְּ/אֶ֥רֶץ מִצְרָֽיִם
STATEN

Doch zij vermenigvuldigde haar hoererijen, gedenkende aan de dagen van haar jeugd, als zij gehoereerd had in het land van Egypte.

20
וַֽ/תַּעְגְּבָ֔/ה עַ֖ל פִּֽלַגְשֵׁי/הֶ֑ם אֲשֶׁ֤ר בְּשַׂר חֲמוֹרִים֙ בְּשָׂרָ֔/ם וְ/זִרְמַ֥ת סוּסִ֖ים זִרְמָתָֽ/ם
STATEN

En zij werd verliefd meer dan derzelver bijwijven, welker vlees is als het vlees der ezelen, en welker vloed is als de vloed der paarden.

21
וַֽ/תִּפְקְדִ֔י אֵ֖ת זִמַּ֣ת נְעוּרָ֑יִ/ךְ בַּ/עְשׂ֤וֹת מִ/מִּצְרַ֨יִם֙ דַּדַּ֔יִ/ךְ לְמַ֖עַן שְׁדֵ֥י נְעוּרָֽיִ/ךְ
STATEN

Alzo hebt gij weder opgehaald de schandelijke daad uwer jeugd, als die van Egypte uw tepelen betastten, vanwege de borsten uwer jeugd.

22
לָ/כֵ֣ן אָהֳלִיבָ֗ה כֹּֽה אָמַר֮ אֲדֹנָ֣/י יְהוִה֒ הִנְ/נִ֨י מֵעִ֤יר אֶת מְאַהֲבַ֨יִ/ךְ֙ עָלַ֔יִ/ךְ אֵ֛ת אֲשֶׁר נָקְעָ֥ה נַפְשֵׁ֖/ךְ מֵ/הֶ֑ם וַ/הֲבֵאתִ֥י/ם עָלַ֖יִ/ךְ מִ/סָּבִֽיב
STATEN

Daarom, o Oholiba! alzo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal uw boelen, van welke uw ziel is afgetrokken, tegen u verwekken, en Ik zal hen van rondom tegen u aanbrengen.

23
בְּנֵ֧י בָבֶ֣ל וְ/כָל כַּשְׂדִּ֗ים פְּק֤וֹד וְ/שׁ֨וֹעַ֙ וְ/ק֔וֹעַ כָּל בְּנֵ֥י אַשּׁ֖וּר אוֹתָ֑/ם בַּח֨וּרֵי חֶ֜מֶד פַּח֤וֹת וּ/סְגָנִים֙ כֻּלָּ֔/ם שָֽׁלִשִׁים֙ וּ/קְרוּאִ֔ים רֹכְבֵ֥י סוּסִ֖ים כֻּלָּֽ/ם
STATEN

De kinderen van Babel en alle Chaldeeën, Pekod, en Soa, en Koa, en alle kinderen van Assur met hen; gewenste jongelingen, die allen vorsten en overheden zijn, hoofdmannen en vermaarde lieden, die allen te paard rijden.

24
וּ/בָ֣אוּ עָלַ֡יִ/ךְ הֹ֠צֶן רֶ֤כֶב וְ/גַלְגַּל֙ וּ/בִ/קְהַ֣ל עַמִּ֔ים צִנָּ֤ה וּ/מָגֵן֙ וְ/קוֹבַ֔ע יָשִׂ֥ימוּ עָלַ֖יִ/ךְ סָבִ֑יב וְ/נָתַתִּ֤י לִ/פְנֵי/הֶם֙ מִשְׁפָּ֔ט וּ/שְׁפָט֖וּ/ךְ בְּ/מִשְׁפְּטֵי/הֶֽם
STATEN

Die zullen tegen u komen met karren, wagenen en wielen, en met een vergadering van volken, rondassen, en schilden, en helmen; zij zullen zich rondom tegen u zetten; en Ik zal voor hun aangezicht het gericht stellen, en zij zullen u richten naar hun rechten.

25
וְ/נָתַתִּ֨י קִנְאָתִ֜/י בָּ֗/ךְ וְ/עָשׂ֤וּ אוֹתָ/ךְ֙ בְּ/חֵמָ֔ה אַפֵּ֤/ךְ וְ/אָזְנַ֨יִ/ךְ֙ יָסִ֔ירוּ וְ/אַחֲרִיתֵ֖/ךְ בַּ/חֶ֣רֶב תִּפּ֑וֹל הֵ֗מָּה בָּנַ֤יִ/ךְ וּ/בְנוֹתַ֨יִ/ךְ֙ יִקָּ֔חוּ וְ/אַחֲרִיתֵ֖/ךְ תֵּאָכֵ֥ל בָּ/אֵֽשׁ
STATEN

En Ik zal Mijn ijver tegen u zetten, dat zij in grimmigheid met u zullen handelen; zij zullen uw neus en uw oren afnemen, en het laatste van u zal door het zwaard vallen; zij zullen uw zonen en uw dochteren wegnemen, en het laatste van u zal door het vuur verteerd worden.

26
וְ/הִפְשִׁיט֖וּ/ךְ אֶת בְּגָדָ֑יִ/ךְ וְ/לָקְח֖וּ כְּלֵ֥י תִפְאַרְתֵּֽ/ךְ
STATEN

Zij zullen u ook uw klederen uittrekken, en uw sieraadtuig wegnemen.

27
וְ/הִשְׁבַּתִּ֤י זִמָּתֵ/ךְ֙ מִמֵּ֔/ךְ וְ/אֶת זְנוּתֵ֖/ךְ מֵ/אֶ֣רֶץ מִצְרָ֑יִם וְ/לֹֽא תִשְׂאִ֤י עֵינַ֨יִ/ךְ֙ אֲלֵי/הֶ֔ם וּ/מִצְרַ֖יִם לֹ֥א תִזְכְּרִי עֽוֹד
STATEN

Zo zal Ik uw schandelijkheid van u doen ophouden, mitsgaders uw hoererij, gebracht uit Egypteland; en gij zult uw ogen naar hen niet opheffen, en aan Egypte niet meer gedenken.

28
כִּ֣י כֹ֤ה אָמַר֙ אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֔ה הִנְ/נִי֙ נֹֽתְנָ֔/ךְ בְּ/יַ֖ד אֲשֶׁ֣ר שָׂנֵ֑את בְּ/יַ֛ד אֲשֶׁר נָקְעָ֥ה נַפְשֵׁ֖/ךְ מֵ/הֶֽם
STATEN

Want alzo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal u overgeven in de hand dergenen, die gij haat, in de hand dergenen, van dewelken uw ziel is afgetrokken.

29
וְ/עָשׂ֨וּ אוֹתָ֜/ךְ בְּ/שִׂנְאָ֗ה וְ/לָקְחוּ֙ כָּל יְגִיעֵ֔/ךְ וַ/עֲזָב֖וּ/ךְ עֵירֹ֣ם וְ/עֶרְיָ֑ה וְ/נִגְלָה֙ עֶרְוַ֣ת זְנוּנַ֔יִ/ךְ וְ/זִמָּתֵ֖/ךְ וְ/תַזְנוּתָֽיִ/ךְ
STATEN

Die zullen met u handelen uit haat, en al uw arbeid wegnemen, en u naakt en bloot laten, dat uw hoerenschaamte ontdekt worde, mitsgaders uw schandelijkheid en uw hoererijen.

30
עָשֹׂ֥ה אֵ֖לֶּה לָ֑/ךְ בִּ/זְנוֹתֵ/ךְ֙ אַחֲרֵ֣י גוֹיִ֔ם עַ֥ל אֲשֶׁר נִטְמֵ֖את בְּ/גִלּוּלֵי/הֶֽם
STATEN

Deze dingen zal men u doen, dewijl gij de heidenen nagehoereerd hebt, en omdat gij u met hun drekgoden verontreinigd hebt.

31
בְּ/דֶ֥רֶךְ אֲחוֹתֵ֖/ךְ הָלָ֑כְתְּ וְ/נָתַתִּ֥י כוֹסָ֖/הּ בְּ/יָדֵֽ/ךְ
STATEN

In den weg uwer zuster hebt gij gewandeld, daarom zal Ik haar beker in uw hand geven.

32
כֹּ֤ה אָמַר֙ אֲדֹנָ֣/י יְהֹוִ֔ה כּ֤וֹס אֲחוֹתֵ/ךְ֙ תִּשְׁתִּ֔י הָ/עֲמֻקָּ֖ה וְ/הָ/רְחָבָ֑ה תִּהְיֶ֥ה לִ/צְחֹ֛ק וּ/לְ/לַ֖עַג מִרְבָּ֥ה לְ/הָכִֽיל
STATEN

Alzo zegt de Heere HEERE: Gij zult den beker uwer zuster drinken, die diep en wijd is; gij zult tot belaching en spot worden; de beker houdt veel in.

33
שִׁכָּר֥וֹן וְ/יָג֖וֹן תִּמָּלֵ֑אִי כּ֚וֹס שַׁמָּ֣ה וּ/שְׁמָמָ֔ה כּ֖וֹס אֲחוֹתֵ֥/ךְ שֹׁמְרֽוֹן
STATEN

Van dronkenschap en jammer zult gij vol worden; de beker van uw zuster Samaria is een beker der verwoesting en der eenzaamheid.

34
וְ/שָׁתִ֨ית אוֹתָ֜/הּ וּ/מָצִ֗ית וְ/אֶת חֲרָשֶׂ֛י/הָ תְּגָרֵ֖מִי וְ/שָׁדַ֣יִ/ךְ תְּנַתֵּ֑קִי כִּ֚י אֲנִ֣י דִבַּ֔רְתִּי נְאֻ֖ם אֲדֹנָ֥/י יְהוִֽה
STATEN

Gij zult hem drinken en uitzuigen, en zijn scherven zult gij brijzelen, en uw borsten zult gij afrukken; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE.

35
לָ/כֵ֗ן כֹּ֤ה אָמַר֙ אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֔ה יַ֚עַן שָׁכַ֣חַתְּ אוֹתִ֔/י וַ/תַּשְׁלִ֥יכִי אוֹתִ֖/י אַחֲרֵ֣י גַוֵּ֑/ךְ וְ/גַם אַ֛תְּ שְׂאִ֥י זִמָּתֵ֖/ךְ וְ/אֶת תַּזְנוּתָֽיִ/ךְ
STATEN

Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Omdat gij Mijner vergeten, en Mij achter uw rug geworpen hebt, zo draagt gij ook uw schandelijkheid en uw hoererijen.

36
וַ/יֹּ֤אמֶר יְהוָה֙ אֵלַ֔/י בֶּן אָדָ֕ם הֲ/תִשְׁפּ֥וֹט אֶֽת אָהֳלָ֖ה וְ/אֶת אָהֳלִיבָ֑ה וְ/הַגֵּ֣ד לָ/הֶ֔ן אֵ֖ת תוֹעֲבוֹתֵי/הֶֽן
STATEN

En de HEERE zeide tot mij: Mensenkind! zoudt gij Ohola en Oholiba recht geven? Ja, vertoon haar haar gruwelen.

37
כִּ֣י נִאֵ֗פוּ וְ/דָם֙ בִּֽ/ידֵי/הֶ֔ן וְ/אֶת גִּלּֽוּלֵי/הֶ֖ן נִאֵ֑פוּ וְ/גַ֤ם אֶת בְּנֵי/הֶן֙ אֲשֶׁ֣ר יָֽלְדוּ לִ֔/י הֶעֱבִ֥ירוּ לָ/הֶ֖ם לְ/אָכְלָֽה
STATEN

Want zij hebben overspel gedaan, en er is bloed in haar handen; en zij hebben met haar drekgoden overspel gedaan; daartoe hebben zij ook haar kinderen, die zij Mij gebaard hadden, voor hen door het vuur laten doorgaan, tot spijze.

38
ע֥וֹד זֹ֖את עָ֣שׂוּ לִ֑/י טִמְּא֤וּ אֶת מִקְדָּשִׁ/י֙ בַּ/יּ֣וֹם הַ/ה֔וּא וְ/אֶת שַׁבְּתוֹתַ֖/י חִלֵּֽלוּ
STATEN

Nog hebben zij Mij dit gedaan; zij hebben Mijn heiligdom ten zelven dage verontreinigd, en Mijn sabbatten ontheiligd.

39
וּֽ/בְ/שַׁחֲטָ֤/ם אֶת בְּנֵי/הֶם֙ לְ/גִלּ֣וּלֵי/הֶ֔ם וַ/יָּבֹ֧אוּ אֶל מִקְדָּשִׁ֛/י בַּ/יּ֥וֹם הַ/ה֖וּא לְ/חַלְּל֑/וֹ וְ/הִנֵּה כֹ֥ה עָשׂ֖וּ בְּ/ת֥וֹךְ בֵּיתִֽ/י
STATEN

Want als zij hun kinderen hun drekgoden geslacht hadden, zo kwamen zij op dienzelven dag in Mijn heiligdom, om dat te ontheiligen; en ziet, alzo hebben zij gedaan in het midden van Mijn huis.

40
וְ/אַ֗ף כִּ֤י תִשְׁלַ֨חְנָה֙ לַֽ/אֲנָשִׁ֔ים בָּאִ֖ים מִ/מֶּרְחָ֑ק אֲשֶׁ֨ר מַלְאָ֜ךְ שָׁל֤וּחַ אֲלֵי/הֶם֙ וְ/הִנֵּה בָ֔אוּ לַ/אֲשֶׁ֥ר רָחַ֛צְתְּ כָּחַ֥לְתְּ עֵינַ֖יִ/ךְ וְ/עָ֥דִית עֶֽדִי
STATEN

Dit is er ook, dat zij gezonden hebben tot mannen, die van verre zouden komen; tot dewelken als een bode gezonden was, ziet, zo kwamen zij, voor dewelken gij u wiest, uw ogen blankettet en u met sieraad versierdet;

41
וְ/יָשַׁבְתְּ֙ עַל מִטָּ֣ה כְבוּדָּ֔ה וְ/שֻׁלְחָ֥ן עָר֖וּךְ לְ/פָנֶ֑י/הָ וּ/קְטָרְתִּ֥/י וְ/שַׁמְנִ֖/י שַׂ֥מְתְּ עָלֶֽי/הָ
STATEN

En gij zat op een heerlijk bed, voor hetwelk een tafel toegericht was, en op hetwelk gij Mijn reukwerk en Mijn olie gezet hadt.

42
וְ/ק֣וֹל הָמוֹן֮ שָׁלֵ֣ו בָ/הּ֒ וְ/אֶל אֲנָשִׁים֙ מֵ/רֹ֣ב אָדָ֔ם מוּבָאִ֥ים סובאים מִ/מִּדְבָּ֑ר וַֽ/יִּתְּנ֤וּ צְמִידִים֙ אֶל יְדֵי/הֶ֔ן וַ/עֲטֶ֥רֶת תִּפְאֶ֖רֶת עַל רָאשֵׁי/הֶֽן סָבָאִ֖ים
STATEN

Als nu het geruis der menigte daarop stil was, zo zonden zij tot mannen uit de menigte der mensen, en daar werden wijnzuipers aangebracht uit de woestijn; die deden armringen aan haar handen, en een sierlijke kroon op haar hoofden.

43
וָ/אֹמַ֕ר לַ/בָּלָ֖ה נִֽאוּפִ֑ים עת יזנה תַזְנוּתֶ֖/הָ וָ/הִֽיא עַתָּ֛ה יִזְנ֥וּ
STATEN

Toen zeide Ik van deze, die van overspelerijen verouderd was: Nu zullen zij hoereren de hoererijen dezer hoer, en die ook.

44
וַ/יָּב֣וֹא אֵלֶ֔י/הָ כְּ/ב֖וֹא אֶל אִשָּׁ֣ה זוֹנָ֑ה כֵּ֣ן בָּ֗אוּ אֶֽל אָֽהֳלָה֙ וְ/אֶל אָ֣הֳלִיבָ֔ה אִשֹּׁ֖ת הַ/זִּמָּֽה
STATEN

En men ging tot haar in, gelijk men ingaat tot een vrouw, die een hoer is; alzo gingen zij in tot Ohola en tot Oholiba, die schandelijke vrouwen.

45
וַ/אֲנָשִׁ֣ים צַדִּיקִ֗ם הֵ֚מָּה יִשְׁפְּט֣וּ אֽוֹתְ/הֶ֔ם מִשְׁפַּט֙ נֹֽאֲפ֔וֹת וּ/מִשְׁפַּ֖ט שֹׁפְכ֣וֹת דָּ֑ם כִּ֤י נֹֽאֲפֹת֙ הֵ֔נָּה וְ/דָ֖ם בִּֽ/ידֵי/הֶֽן
STATEN

Rechtvaardige mannen dan, die zullen haar richten naar het recht der overspeelsters, en naar het recht der bloedvergietsters; want zij zijn overspeelsters, en bloed is in haar handen.

46
כִּ֛י כֹּ֥ה אָמַ֖ר אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֑ה הַעֲלֵ֤ה עֲלֵי/הֶם֙ קָהָ֔ל וְ/נָתֹ֥ן אֶתְ/הֶ֖ן לְ/זַעֲוָ֥ה וְ/לָ/בַֽז
STATEN

Want alzo zegt de Heere HEERE: Ik zal een vergadering tegen haar doen opkomen, en zal ze ter beroering en ten roof overgeven.

47
וְ/רָגְמ֨וּ עֲלֵי/הֶ֥ן אֶ֨בֶן֙ קָהָ֔ל וּ/בָרֵ֥א אוֹתְ/הֶ֖ן בְּ/חַרְבוֹתָ֑/ם בְּנֵי/הֶ֤ם וּ/בְנֽוֹתֵי/הֶם֙ יַהֲרֹ֔גוּ וּ/בָתֵּי/הֶ֖ן בָּ/אֵ֥שׁ יִשְׂרֹֽפוּ
STATEN

En de vergadering zal ze met stenen stenigen, en dezelve met hun zwaarden nederhouwen; haar zonen en haar dochteren zullen zij doden, en haar huizen met vuur verbranden.

48
וְ/הִשְׁבַּתִּ֥י זִמָּ֖ה מִן הָ/אָ֑רֶץ וְ/נִֽוַּסְּרוּ֙ כָּל הַ/נָּשִׁ֔ים וְ/לֹ֥א תַעֲשֶׂ֖ינָה כְּ/זִמַּתְ/כֶֽנָה
STATEN

Alzo zal Ik de schandelijkheid uit het land doen ophouden; opdat alle vrouwen onderwezen worden, dat zij naar uw schandelijkheid niet doen.

49
וְ/נָתְנ֤וּ זִמַּתְ/כֶ֨נָה֙ עֲלֵי/כֶ֔ן וַ/חֲטָאֵ֥י גִלּוּלֵי/כֶ֖ן תִּשֶּׂ֑אינָה וִ/ידַעְתֶּ֕ם כִּ֥י אֲנִ֖י אֲדֹנָ֥/י יְהוִֽה
STATEN

Alzo zullen zij uw schandelijkheid op u leggen, en gij zult de zonden uwer drekgoden dragen; en gijlieden zult weten, dat Ik de Heere HEERE ben.