Ga naar inhoud
NEVIIM

Ezechiël 20

יְחֶזְקֵאל
Hoofdstukken (48)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יְהִ֣י בַּ/שָּׁנָ֣ה הַ/שְּׁבִיעִ֗ית בַּֽ/חֲמִשִׁי֙ בֶּ/עָשׂ֣וֹר לַ/חֹ֔דֶשׁ בָּ֧אוּ אֲנָשִׁ֛ים מִ/זִּקְנֵ֥י יִשְׂרָאֵ֖ל לִ/דְרֹ֣שׁ אֶת יְהוָ֑ה וַ/יֵּשְׁב֖וּ לְ/פָנָֽ/י׀־׃ס
STATEN

En het geschiedde in het zevende jaar, in de vijfde maand, op den tienden derzelver maand, dat er mannen uit de oudsten van Israël kwamen, om den HEERE te vragen; en zij zaten neder voor mijn aangezicht.

2
וַ/יְהִ֥י דְבַר יְהוָ֖ה אֵלַ֥/י לֵ/אמֹֽר־׃
STATEN

Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:

3
בֶּן אָדָ֗ם דַּבֵּ֞ר אֶת זִקְנֵ֤י יִשְׂרָאֵל֙ וְ/אָמַרְתָּ֣ אֲלֵ/הֶ֔ם כֹּ֤ה אָמַר֙ אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֔ה הֲ/לִ/דְרֹ֥שׁ אֹתִ֖/י אַתֶּ֣ם בָּאִ֑ים חַי אָ֨נִי֙ אִם אִדָּרֵ֣שׁ לָ/כֶ֔ם נְאֻ֖ם אֲדֹנָ֥/י יְהוִֽה־־־־׃
STATEN

Mensenkind, spreek tot de oudsten van Israël, en zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Komt gij, om Mij te vragen? Zo waarachtig als Ik leef, zo Ik van u gevraagd worde, spreekt de Heere HEERE.

4
הֲ/תִשְׁפֹּ֣ט אֹתָ֔/ם הֲ/תִשְׁפּ֖וֹט בֶּן אָדָ֑ם אֶת תּוֹעֲבֹ֥ת אֲבוֹתָ֖/ם הוֹדִיעֵֽ/ם־־׃
STATEN

Zoudt gij hun recht geven, zoudt gij hun recht geven, o mensenkind? Maak hun de gruwelen hunner vaderen bekend;

5
וְ/אָמַרְתָּ֣ אֲלֵי/הֶ֗ם כֹּֽה אָמַר֮ אֲדֹנָ֣/י יְהוִה֒ בְּ/יוֹם֙ בָּחֳרִ֣/י בְ/יִשְׂרָאֵ֔ל וָ/אֶשָּׂ֣א יָדִ֗/י לְ/זֶ֨רַע֙ בֵּ֣ית יַֽעֲקֹ֔ב וָ/אִוָּדַ֥ע לָ/הֶ֖ם בְּ/אֶ֣רֶץ מִצְרָ֑יִם וָ/אֶשָּׂ֨א יָדִ֤/י לָ/הֶם֙ לֵ/אמֹ֔ר אֲנִ֖י יְהוָ֥ה אֱלֹהֵי/כֶֽם־׃
STATEN

En zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Ten dage als Ik Israël verkoos, zo hief Ik Mijn hand op tot het zaad van het huis Jakobs, en maakte Mijzelven hun in Egypteland bekend; ja, Ik hief Mijn hand tot hen op, zeggende: Ik ben de HEERE, uw God.

6
בַּ/יּ֣וֹם הַ/ה֗וּא נָשָׂ֤אתִי יָדִ/י֙ לָ/הֶ֔ם לְ/הֽוֹצִיאָ֖/ם מֵ/אֶ֣רֶץ מִצְרָ֑יִם אֶל אֶ֜רֶץ אֲשֶׁר תַּ֣רְתִּי לָ/הֶ֗ם זָבַ֤ת חָלָב֙ וּ/דְבַ֔שׁ צְבִ֥י הִ֖יא לְ/כָל הָ/אֲרָצֽוֹת־־־׃
STATEN

Ten zelven dage hief Ik Mijn hand tot hen op, dat Ik hen uit Egypteland uitvoeren zou, in een land, dat Ik voor hen uitgespeurd had, vloeiende van melk en honig, hetwelk het sieraad is van alle landen.

7
וָ/אֹמַ֣ר אֲלֵ/הֶ֗ם אִ֣ישׁ שִׁקּוּצֵ֤י עֵינָי/ו֙ הַשְׁלִ֔יכוּ וּ/בְ/גִלּוּלֵ֥י מִצְרַ֖יִם אַל תִּטַּמָּ֑אוּ אֲנִ֖י יְהוָ֥ה אֱלֹהֵי/כֶֽם־׃
STATEN

En Ik zeide tot hen: Een ieder werpe de verfoeiselen zijner ogen weg; en verontreinigt ulieden niet met de drekgoden van Egypte; Ik, de HEERE, ben uw God.

8
וַ/יַּמְרוּ בִ֗/י וְ/לֹ֤א אָבוּ֙ לִּ/שְׁמֹ֣עַ אֵלַ֔/י אִ֣ישׁ אֶת שִׁקּוּצֵ֤י עֵֽינֵי/הֶם֙ לֹ֣א הִשְׁלִ֔יכוּ וְ/אֶת גִּלּוּלֵ֥י מִצְרַ֖יִם לֹ֣א עָזָ֑בוּ וָ/אֹמַ֞ר לִ/שְׁפֹּ֧ךְ חֲמָתִ֣/י עֲלֵי/הֶ֗ם לְ/כַלּ֤וֹת אַפִּ/י֙ בָּ/הֶ֔ם בְּ/ת֖וֹךְ אֶ֥רֶץ מִצְרָֽיִם־־־׃
STATEN

Maar zij waren wederspannig tegen Mij, en wilden naar Mij niet horen; niemand wierp de verfoeiselen zijner ogen weg, noch verliet de drekgoden van Egypte; daarom zeide Ik, dat Ik Mijn grimmigheid over hen uitgieten zou, om Mijn toorn tegen hen te volbrengen in het midden van Egypteland.

9
וָ/אַ֨עַשׂ֙ לְמַ֣עַן שְׁמִ֔/י לְ/בִלְתִּ֥י הֵחֵ֛ל לְ/עֵינֵ֥י הַ/גּוֹיִ֖ם אֲשֶׁר הֵ֣מָּה בְ/תוֹכָ֑/ם אֲשֶׁ֨ר נוֹדַ֤עְתִּי אֲלֵי/הֶם֙ לְ/עֵ֣ינֵי/הֶ֔ם לְ/הוֹצִיאָ֖/ם מֵ/אֶ֥רֶץ מִצְרָֽיִם־׃
STATEN

Doch Ik deed het om Mijns Naams wil, opdat hij niet ontheiligd wierde voor de ogen der heidenen, in welker midden zij waren; aan welke Ik Mij, voor derzelver ogen, bekend gemaakt heb, om hen uit Egypteland uit te voeren.

10
וָ/אֽוֹצִיאֵ֖/ם מֵ/אֶ֣רֶץ מִצְרָ֑יִם וָ/אֲבִאֵ֖/ם אֶל הַ/מִּדְבָּֽר־׃
STATEN

En Ik voerde hen uit Egypteland, en bracht hen in de woestijn.

11
וָ/אֶתֵּ֤ן לָ/הֶם֙ אֶת חֻקּוֹתַ֔/י וְ/אֶת מִשְׁפָּטַ֖/י הוֹדַ֣עְתִּי אוֹתָ֑/ם אֲשֶׁ֨ר יַעֲשֶׂ֥ה אוֹתָ֛/ם הָ/אָדָ֖ם וָ/חַ֥י בָּ/הֶֽם־־׃
STATEN

Daar gaf Ik hun Mijn inzettingen, en maakte hun Mijn rechten bekend, dewelke, zo ze een mens doet, zal hij door dezelve leven.

12
וְ/גַ֤ם אֶת שַׁבְּתוֹתַ/י֙ נָתַ֣תִּי לָ/הֶ֔ם לִ/הְי֣וֹת לְ/א֔וֹת בֵּינִ֖/י וּ/בֵֽינֵי/הֶ֑ם לָ/דַ֕עַת כִּ֛י אֲנִ֥י יְהוָ֖ה מְקַדְּשָֽׁ/ם־׃
STATEN

Daartoe ook gaf Ik hun Mijn sabbatten, om een teken te zijn tussen Mij en tussen hen, opdat zij zouden weten, dat Ik de HEERE ben, Die hen heilige.

Op De Naamdragers

Blogs over Ezechiël 20

Nog geen artikelen die specifiek naar Ezechiël 20 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →