NEVIIM

Ezechiël 25

יְחֶזְקֵאל
Hoofdstukken (48)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יְהִ֥י דְבַר יְהוָ֖ה אֵלַ֥/י לֵ/אמֹֽר
STATEN

En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:

2
בֶּן אָדָ֕ם שִׂ֥ים פָּנֶ֖י/ךָ אֶל בְּנֵ֣י עַמּ֑וֹן וְ/הִנָּבֵ֖א עֲלֵי/הֶֽם
STATEN

Mensenkind! zet uw aangezicht tegen de kinderen Ammons, en profeteer tegen dezelve;

3
וְ/אָֽמַרְתָּ֙ לִ/בְנֵ֣י עַמּ֔וֹן שִׁמְע֖וּ דְּבַר אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֑ה כֹּה אָמַ֣ר אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֡ה יַעַן֩ אָמְרֵ֨/ךְ הֶאָ֜ח אֶל מִקְדָּשִׁ֣/י כִֽי נִחָ֗ל וְ/אֶל אַדְמַ֤ת יִשְׂרָאֵל֙ כִּ֣י נָשַׁ֔מָּה וְ/אֶל בֵּ֣ית יְהוּדָ֔ה כִּ֥י הָלְכ֖וּ בַּ/גּוֹלָֽה
STATEN

En zeg tot de kinderen Ammons: Hoort des Heeren HEEREN woord: Alzo zegt de Heere HEERE: Omdat gij gezegd hebt: Heah! over Mijn heiligdom, als het ontheiligd werd, en over het land Israëls, als het verwoest werd, en over het huis van Juda, als zij in gevangenis gingen;

4
לָ/כֵ֡ן הִנְ/נִי֩ נֹתְנָ֨/ךְ לִ/בְנֵי קֶ֜דֶם לְ/מֽוֹרָשָׁ֗ה וְ/יִשְּׁב֤וּ טִירֽוֹתֵי/הֶם֙ בָּ֔/ךְ וְ/נָ֥תְנוּ בָ֖/ךְ מִשְׁכְּנֵי/הֶ֑ם הֵ֚מָּה יֹאכְל֣וּ פִרְיֵ֔/ךְ וְ/הֵ֖מָּה יִשְׁתּ֥וּ חֲלָבֵֽ/ךְ
STATEN

Daarom, ziet, Ik zal u aan die van het oosten overgeven tot een bezitting, dat zij hun burgen in u zetten, en hun woningen in u stellen, die zullen uw vruchten eten, en die zullen uw melk drinken.

5
וְ/נָתַתִּ֤י אֶת רַבָּה֙ לִ/נְוֵ֣ה גְמַלִּ֔ים וְ/אֶת בְּנֵ֥י עַמּ֖וֹן לְ/מִרְבַּץ צֹ֑אן וִֽ/ידַעְתֶּ֖ם כִּֽי אֲנִ֥י יְהוָֽה
STATEN

En Ik zal Rabba tot een kemelstal maken, en de kinderen Ammons tot een schaapskooi; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben.

6
כִּ֣י כֹ֤ה אָמַר֙ אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֔ה יַ֚עַן מַחְאֲ/ךָ֣ יָ֔ד וְ/רַקְעֲ/ךָ֖ בְּ/רָ֑גֶל וַ/תִּשְׂמַ֤ח בְּ/כָל שָֽׁאטְ/ךָ֙ בְּ/נֶ֔פֶשׁ אֶל אַדְמַ֖ת יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Want alzo zegt de Heere HEERE: Omdat gij met de hand geklapt, en met den voet gestampt hebt, en van harte verblijd zijt geweest in al uw plundering, over het land Israëls;

7
לָ/כֵ֡ן הִנְ/נִי֩ נָטִ֨יתִי אֶת יָדִ֜/י עָלֶ֗י/ךָ וּ/נְתַתִּ֤י/ךָֽ ל/בג לַ/גּוֹיִ֔ם וְ/הִכְרַתִּ֨י/ךָ֙ מִן הָ֣/עַמִּ֔ים וְ/הַאֲבַדְתִּ֖י/ךָ מִן הָ/אֲרָצ֑וֹת אַשְׁמִ֣ידְ/ךָ֔ וְ/יָדַעְתָּ֖ כִּֽי אֲנִ֥י יְהוָֽה לְ/בַז֙
STATEN

Daarom, ziet, Ik zal Mijn hand tegen u uitstrekken, en u den heidenen ten buit geven, en zal u uit de volken uitroeien, en u uit de landen verdoen; Ik zal u verdelgen; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben.

8
כֹּ֥ה אָמַ֖ר אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֑ה יַ֗עַן אֲמֹ֤ר מוֹאָב֙ וְ/שֵׂעִ֔יר הִנֵּ֥ה כְּ/כָֽל הַ/גּוֹיִ֖ם בֵּ֥ית יְהוּדָֽה
STATEN

Alzo zegt de Heere HEERE: Omdat Moab en Seïr zeggen: Ziet, het huis van Juda is gelijk al de heidenen;

9
לָ/כֵן֩ הִנְ/נִ֨י פֹתֵ֜חַ אֶת כֶּ֤תֶף מוֹאָב֙ מֵ/הֶ֣/עָרִ֔ים מֵֽ/עָרָ֖י/ו מִ/קָּצֵ֑/הוּ צְבִ֗י אֶ֚רֶץ בֵּ֣ית הַיְשִׁימֹ֔ת בַּ֥עַל מְע֖וֹן ו/קריתמ/ה וְ/קִרְיָתָֽיְמָ/ה
STATEN

Daarom, ziet, Ik zal de zijde van Moab openen, van de steden af, van zijn steden, die van zijn grenzen af zijn, het sieraad des lands, Beth-Jesimôth, Baäl-Meon, en tot Kiriatháïm toe;

10
לִ/בְנֵי קֶ֨דֶם֙ עַל בְּנֵ֣י עַמּ֔וֹן וּ/נְתַתִּ֖י/הָ לְ/מֽוֹרָשָׁ֑ה לְמַ֛עַן לֹֽא תִזָּכֵ֥ר בְּנֵֽי עַמּ֖וֹן בַּ/גּוֹיִֽם
STATEN

Voor die van het oosten, met het land der kinderen Ammons, hetwelk Ik ter bezitting zal overgeven; opdat der kinderen Ammons onder de heidenen niet meer gedacht worde.

11
וּ/בְ/מוֹאָ֖ב אֶעֱשֶׂ֣ה שְׁפָטִ֑ים וְ/יָדְע֖וּ כִּֽי אֲנִ֥י יְהוָֽה
STATEN

Ik zal ook in Moab gerichten oefenen; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.

12
כֹּ֤ה אָמַר֙ אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֔ה יַ֣עַן עֲשׂ֥וֹת אֱד֛וֹם בִּ/נְקֹ֥ם נָקָ֖ם לְ/בֵ֣ית יְהוּדָ֑ה וַ/יֶּאְשְׁמ֥וּ אָשׁ֖וֹם וְ/נִקְּמ֥וּ בָ/הֶֽם
STATEN

Alzo zegt de Heere HEERE: Omdat Edom met enkel wraakgierigheid gehandeld heeft tegen het huis van Juda; en zij zich zeer schuldig gemaakt hebben, dat zij zich aan hen gewroken hebben:

13
לָ/כֵ֗ן כֹּ֤ה אָמַר֙ אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֔ה וְ/נָטִ֤תִי יָדִ/י֙ עַל אֱד֔וֹם וְ/הִכְרַתִּ֥י מִמֶּ֖/נָּה אָדָ֣ם וּ/בְהֵמָ֑ה וּ/נְתַתִּ֤י/הָ חָרְבָּה֙ מִ/תֵּימָ֔ן וּ/דְדָ֖נֶ/ה בַּ/חֶ֥רֶב יִפֹּֽלוּ
STATEN

Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Ik zal ook Mijn hand uitstrekken tegen Edom, en Ik zal mens en beest uit haar uitroeien; en zal haar tot een woestheid stellen van Theman af; en zij zullen tot Dedan toe door het zwaard vallen.

14
וְ/נָתַתִּ֨י אֶת נִקְמָתִ֜/י בֶּ/אֱד֗וֹם בְּ/יַד֙ עַמִּ֣/י יִשְׂרָאֵ֔ל וְ/עָשׂ֣וּ בֶ/אֱד֔וֹם כְּ/אַפִּ֖/י וְ/כַ/חֲמָתִ֑/י וְ/יָֽדְעוּ֙ אֶת נִקְמָתִ֔/י נְאֻ֖ם אֲדֹנָ֥/י יְהוִֽה
STATEN

En Ik zal Mijn wraak doen aan Edom, door de hand van Mijn volk Israël; en zij zullen tegen Edom naar Mijn toorn en naar Mijn grimmigheid handelen; alzo zullen zij Mijn wraak gewaar worden, spreekt de Heere HEERE.

15
כֹּ֤ה אָמַר֙ אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֔ה יַ֛עַן עֲשׂ֥וֹת פְּלִשְׁתִּ֖ים בִּ/נְקָמָ֑ה וַ/יִּנָּקְמ֤וּ נָקָם֙ בִּ/שְׁאָ֣ט בְּ/נֶ֔פֶשׁ לְ/מַשְׁחִ֖ית אֵיבַ֥ת עוֹלָֽם
STATEN

Alzo zegt de Heere HEERE: Omdat de Filistijnen door wraak gehandeld hebben, en van harte wraak geoefend hebben door plundering, om te vernielen door een eeuwige vijandschap;

16
לָ/כֵ֗ן כֹּ֤ה אָמַר֙ אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֔ה הִנְ/נִ֨י נוֹטֶ֤ה יָדִ/י֙ עַל פְּלִשְׁתִּ֔ים וְ/הִכְרַתִּ֖י אֶת כְּרֵתִ֑ים וְ/הַ֣אֲבַדְתִּ֔י אֶת שְׁאֵרִ֖ית ח֥וֹף הַ/יָּֽם
STATEN

Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik strek Mijn hand uit tegen de Filistijnen, en zal de Cherethieten uitroeien, en het overblijfsel van de zeehaven verdoen.

17
וְ/עָשִׂ֤יתִי בָ/ם֙ נְקָמ֣וֹת גְּדֹל֔וֹת בְּ/תוֹכְח֖וֹת חֵמָ֑ה וְ/יָֽדְעוּ֙ כִּֽי אֲנִ֣י יְהוָ֔ה בְּ/תִתִּ֥/י אֶת נִקְמָתִ֖/י בָּֽ/ם
STATEN

En Ik zal grote wraak met grimmige straffingen onder hen doen; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik Mijn wraak aan hen gedaan zal hebben.