NEVIIM

Ezechiël 27

יְחֶזְקֵאל
Hoofdstukken (48)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יְהִ֥י דְבַר יְהוָ֖ה אֵלַ֥/י לֵ/אמֹֽר
STATEN

Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:

2
וְ/אַתָּ֣ה בֶן אָדָ֔ם שָׂ֥א עַל צֹ֖ר קִינָֽה
STATEN

Gij dan, mensenkind! hef een klaaglied op over Tyrus;

3
וְ/אָמַרְתָּ֣ לְ/צ֗וֹר ה/ישבתי עַל מְבוֹאֹ֣ת יָ֔ם רֹכֶ֨לֶת֙ הָֽ/עַמִּ֔ים אֶל אִיִּ֖ים רַבִּ֑ים כֹּ֤ה אָמַר֙ אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֔ה צ֕וֹר אַ֣תְּ אָמַ֔רְתְּ אֲנִ֖י כְּלִ֥ילַת יֹֽפִי הַ/יֹּשֶׁ֨בֶת֙
STATEN

En zeg tot Tyrus, die daar woont aan de ingangen der zee, handelende met de volken in vele eilanden: Zo zegt de Heere HEERE: O Tyrus! gij zegt: Ik ben volmaakt in schoonheid.

4
בְּ/לֵ֥ב יַמִּ֖ים גְּבוּלָ֑יִ/ךְ בֹּנַ֕יִ/ךְ כָּלְל֖וּ יָפְיֵֽ/ךְ
STATEN

Uw landpalen zijn in het hart der zeeën; uw bouwers hebben uw schoonheid volkomen gemaakt.

5
בְּרוֹשִׁ֤ים מִ/שְּׂנִיר֙ בָּ֣נוּ לָ֔/ךְ אֵ֖ת כָּל לֻֽחֹתָ֑יִם אֶ֤רֶז מִ/לְּבָנוֹן֙ לָקָ֔חוּ לַ/עֲשׂ֥וֹת תֹּ֖רֶן עָלָֽיִ/ךְ
STATEN

Zij hebben al uw denningen uit dennebomen van Senir gebouwd; zij hebben cederen van den Libanon gehaald, om masten voor u te maken.

6
אַלּוֹנִים֙ מִ/בָּ֔שָׁן עָשׂ֖וּ מִשּׁוֹטָ֑יִ/ךְ קַרְשֵׁ֤/ךְ עָֽשׂוּ שֵׁן֙ בַּת אֲשֻׁרִ֔ים מֵ/אִיֵּ֖י כתים כִּתִּיִּֽים
STATEN

Zij hebben uw riemen uit eiken van Basan gemaakt; uw berderen hebben zij gemaakt van welbetreden elpenbeen, uit de eilanden der Chittieten.

7
שֵׁשׁ בְּ/רִקְמָ֤ה מִ/מִּצְרַ֨יִם֙ הָיָ֣ה מִפְרָשֵׂ֔/ךְ לִ/הְי֥וֹת לָ֖/ךְ לְ/נֵ֑ס תְּכֵ֧לֶת וְ/אַרְגָּמָ֛ן מֵ/אִיֵּ֥י אֱלִישָׁ֖ה הָיָ֥ה מְכַסֵּֽ/ךְ
STATEN

Fijn linnen met stiksel uit Egypte was uw uitbreidsel, dat het u tot een zeil ware; hemelsblauw en purper, uit de eilanden van Elísa, was uw deksel.

8
יֹשְׁבֵ֤י צִידוֹן֙ וְ/אַרְוַ֔ד הָי֥וּ שָׁטִ֖ים לָ֑/ךְ חֲכָמַ֤יִ/ךְ צוֹר֙ הָ֣יוּ בָ֔/ךְ הֵ֖מָּה חֹבְלָֽיִ/ךְ
STATEN

De inwoners van Sidon en Arvad waren uw roeiers; uw wijzen, o Tyrus! die in u waren, die waren uw schippers.

9
זִקְנֵ֨י גְבַ֤ל וַ/חֲכָמֶ֨י/הָ֙ הָ֣יוּ בָ֔/ךְ מַחֲזִיקֵ֖י בִּדְקֵ֑/ךְ כָּל אֳנִיּ֨וֹת הַ/יָּ֤ם וּ/מַלָּֽחֵי/הֶם֙ הָ֣יוּ בָ֔/ךְ לַ/עֲרֹ֖ב מַעֲרָבֵֽ/ךְ
STATEN

De oudsten van Gebal en haar wijzen waren in u, verbeterende uw breuken; alle schepen der zee en hun zeelieden waren in u, om onderlingen handel met u te drijven.

10
פָּרַ֨ס וְ/ל֤וּד וּ/פוּט֙ הָי֣וּ בְ/חֵילֵ֔/ךְ אַנְשֵׁ֖י מִלְחַמְתֵּ֑/ךְ מָגֵ֤ן וְ/כוֹבַע֙ תִּלּוּ בָ֔/ךְ הֵ֖מָּה נָתְנ֥וּ הֲדָרֵֽ/ךְ
STATEN

Perzen, en Lydiërs, en Puteeërs waren in uw heir, uw krijgslieden; schild en helm hingen zij in u op, die maakten uw sieraad.

11
בְּנֵ֧י אַרְוַ֣ד וְ/חֵילֵ֗ךְ עַל חוֹמוֹתַ֨יִ/ךְ֙ סָבִ֔יב וְ/גַ֨מָּדִ֔ים בְּ/מִגְדְּלוֹתַ֖יִ/ךְ הָי֑וּ שִׁלְטֵי/הֶ֞ם תִּלּ֤וּ עַל חוֹמוֹתַ֨יִ/ךְ֙ סָבִ֔יב הֵ֖מָּה כָּלְל֥וּ יָפְיֵֽ/ךְ
STATEN

De kinderen van Arvad en uw heir waren rondom op uw muren, en de Gammadieten waren op uw torens; hun schilden hingen zij rondom aan uw muren; die maakten uw schoonheid volkomen.

12
תַּרְשִׁ֥ישׁ סֹחַרְתֵּ֖/ךְ מֵ/רֹ֣ב כָּל ה֑וֹן בְּ/כֶ֤סֶף בַּרְזֶל֙ בְּדִ֣יל וְ/עוֹפֶ֔רֶת נָתְנ֖וּ עִזְבוֹנָֽיִ/ךְ
STATEN

Tarsis dreef koophandel met u vanwege de veelheid van allerlei goed; met zilver, ijzer, tin, en lood handelden zij op uw markten.

13
יָוָ֤ן תֻּבַל֙ וָ/מֶ֔שֶׁךְ הֵ֖מָּה רֹֽכְלָ֑יִ/ךְ בְּ/נֶ֤פֶשׁ אָדָם֙ וּ/כְלֵ֣י נְחֹ֔שֶׁת נָתְנ֖וּ מַעֲרָבֵֽ/ךְ
STATEN

Javan, Tubal en Mesech waren uw kooplieden; met mensenzielen en koperen vaten dreven zij onderlingen handel met u.

14
מִ/בֵּ֖ית תּוֹגַרְמָ֑ה סוּסִ֤ים וּ/פָֽרָשִׁים֙ וּ/פְרָדִ֔ים נָתְנ֖וּ עִזְבוֹנָֽיִ/ךְ
STATEN

Uit het huis van Togárma leverden zij paarden, en ruiteren, en muilezels op uw markten.

15
בְּנֵ֤י דְדָן֙ רֹֽכְלַ֔יִ/ךְ אִיִּ֥ים רַבִּ֖ים סְחֹרַ֣ת יָדֵ֑/ךְ קַרְנ֥וֹת שֵׁן֙ ו/הובנים הֵשִׁ֖יבוּ אֶשְׁכָּרֵֽ/ךְ וְ/הָבְנִ֔ים
STATEN

De kinderen van Dedan waren uw kooplieden; vele eilanden waren de koophandel uwer hand; hoornen van elpenbeen en ebbenhout gaven zij u weder tot een verering.

16
אֲרָ֥ם סֹחַרְתֵּ֖/ךְ מֵ/רֹ֣ב מַעֲשָׂ֑יִ/ךְ בְּ֠/נֹפֶךְ אַרְגָּמָ֨ן וְ/רִקְמָ֤ה וּ/בוּץ֙ וְ/רָאמֹ֣ת וְ/כַדְכֹּ֔ד נָתְנ֖וּ בְּ/עִזְבוֹנָֽיִ/ךְ
STATEN

Syrië dreef koophandel met u, vanwege de veelheid uwer werken; met smaragden, purper, en gestikt werk, en zijde, en Ramoth, en Cadkod, handelden zij op uw markten.

17
יְהוּדָה֙ וְ/אֶ֣רֶץ יִשְׂרָאֵ֔ל הֵ֖מָּה רֹכְלָ֑יִ/ךְ בְּ/חִטֵּ֣י מִ֠נִּית וּ/פַנַּ֨ג וּ/דְבַ֤שׁ וָ/שֶׁ֨מֶן֙ וָ/צֹ֔רִי נָתְנ֖וּ מַעֲרָבֵֽ/ךְ
STATEN

Juda en het land Israëls waren uw kooplieden; met tarwe van Minnit en Pannag, en honig, en olie, en balsem, dreven zij onderlingen handel met u.

18
דַּמֶּ֧שֶׂק סֹחַרְתֵּ֛/ךְ בְּ/רֹ֥ב מַעֲשַׂ֖יִ/ךְ מֵ/רֹ֣ב כָּל ה֑וֹן בְּ/יֵ֥ין חֶלְבּ֖וֹן וְ/צֶ֥מֶר צָֽחַר
STATEN

Damaskus dreef koophandel met u, om de veelheid uwer werken, vanwege de veelheid van allerlei goed; met wijn van Chelbon en witte wol.

19
וְדָ֤ן וְ/יָוָן֙ מְ/אוּזָּ֔ל בְּ/עִזְבוֹנַ֖יִ/ךְ נָתָ֑נּוּ בַּרְזֶ֤ל עָשׁוֹת֙ קִדָּ֣ה וְ/קָנֶ֔ה בְּ/מַעֲרָבֵ֖/ךְ הָיָֽה
STATEN

Ook leverden Dan en Javan, de omreizer, op uw markten; glad ijzer, kassie en kalmus was in uw onderlingen koophandel.

20
דְּדָן֙ רֹֽכַלְתֵּ֔/ךְ בְ/בִגְדֵי חֹ֖פֶשׁ לְ/רִכְבָּֽה
STATEN

Dedan handelde met u met kostelijk gewand tot wagens.

21
עֲרַב֙ וְ/כָל נְשִׂיאֵ֣י קֵדָ֔ר הֵ֖מָּה סֹחֲרֵ֣י יָדֵ֑/ךְ בְּ/כָרִ֤ים וְ/אֵילִים֙ וְ/עַתּוּדִ֔ים בָּ֖/ם סֹחֲרָֽיִ/ךְ
STATEN

Arabië en alle vorsten van Kedar waren de kooplieden uwer hand; met lammeren, en rammen, en bokken, daarmede handelden zij met u.

22
רֹכְלֵ֤י שְׁבָא֙ וְ/רַעְמָ֔ה הֵ֖מָּה רֹכְלָ֑יִ/ךְ בְּ/רֹ֨אשׁ כָּל בֹּ֜שֶׂם וּ/בְ/כָל אֶ֤בֶן יְקָרָה֙ וְ/זָהָ֔ב נָתְנ֖וּ עִזְבוֹנָֽיִ/ךְ
STATEN

De kooplieden van Scheba en Raëma waren uw kooplieden; met alle hoofdspecerij, en met alle kostelijk gesteente en goud, handelden zij op uw markten.

23
חָרָ֤ן וְ/כַנֵּה֙ וָ/עֶ֔דֶן רֹכְלֵ֖י שְׁבָ֑א אַשּׁ֖וּר כִּלְמַ֥ד רֹכַלְתֵּֽ/ךְ
STATEN

Haran, en Kanne, en Eden, de kooplieden van Scheba, Assur en Kilmad, handelden met u.

24
הֵ֤מָּה רֹכְלַ֨יִ/ךְ֙ בְּ/מַכְלֻלִ֔ים בִּ/גְלוֹמֵי֙ תְּכֵ֣לֶת וְ/רִקְמָ֔ה וּ/בְ/גִנְזֵ֖י בְּרֹמִ֑ים בַּ/חֲבָלִ֧ים חֲבֻשִׁ֛ים וַ/אֲרֻזִ֖ים בְּ/מַרְכֻלְתֵּֽ/ךְ
STATEN

Die waren uw kooplieden met volkomen sieradiën, met pakken van hemelsblauw en gestikt werk, en met schatkisten van schone klederen; gebonden met koorden, en in ceder gepakt, onder uw koopmanschap.

25
אֳנִיּ֣וֹת תַּרְשִׁ֔ישׁ שָׁרוֹתַ֖יִ/ךְ מַעֲרָבֵ֑/ךְ וַ/תִּמָּלְאִ֧י וַֽ/תִּכְבְּדִ֛י מְאֹ֖ד בְּ/לֵ֥ב יַמִּֽים
STATEN

De schepen van Tarsis zongen van u, vanwege den onderlingen koophandel met u; en gij waart vervuld, en zeer verheerlijkt in het hart der zeeën.

26
בְּ/מַ֤יִם רַבִּים֙ הֱבִיא֔וּ/ךְ הַ/שָּׁטִ֖ים אֹתָ֑/ךְ ר֚וּחַ הַ/קָּדִ֔ים שְׁבָרֵ֖/ךְ בְּ/לֵ֥ב יַמִּֽים
STATEN

Die u roeien, hebben u in grote wateren gevoerd; de oostenwind heeft u verbroken in het hart der zeeën.

27
הוֹנֵ/ךְ֙ וְ/עִזְבוֹנַ֔יִ/ךְ מַעֲרָבֵ֕/ךְ מַלָּחַ֖יִ/ךְ וְ/חֹבְלָ֑יִ/ךְ מַחֲזִיקֵ֣י בִדְקֵ֣/ך וְֽ/עֹרְבֵ֣י מַ֠עֲרָבֵ/ךְ וְ/כָל אַנְשֵׁ֨י מִלְחַמְתֵּ֜/ךְ אֲשֶׁר בָּ֗/ךְ וּ/בְ/כָל קְהָלֵ/ךְ֙ אֲשֶׁ֣ר בְּ/תוֹכֵ֔/ךְ יִפְּלוּ֙ בְּ/לֵ֣ב יַמִּ֔ים בְּ/י֖וֹם מַפַּלְתֵּֽ/ךְ
STATEN

Uw goed, en uw marktwaren, uw onderlinge koophandel, uw zeelieden, en uw schippers; die uw breuken verbeteren, en die onderlingen handel met u drijven, en al uw krijgslieden, die in u zijn, zelfs met uw ganse gemeente, die in het midden van u is, zullen vallen in het hart der zeeën, ten dage van uw val.

28
לְ/ק֖וֹל זַעֲקַ֣ת חֹבְלָ֑יִ/ךְ יִרְעֲשׁ֖וּ מִגְרֹשֽׁוֹת
STATEN

Van het geluid des geschreeuws uwer schippers zullen de voorsteden beven.

29
וְֽ/יָרְד֞וּ מֵ/אָנִיּֽוֹתֵי/הֶ֗ם כֹּ֚ל תֹּפְשֵׂ֣י מָשׁ֔וֹט מַלָּחִ֕ים כֹּ֖ל חֹבְלֵ֣י הַ/יָּ֑ם אֶל הָ/אָ֖רֶץ יַעֲמֹֽדוּ
STATEN

En allen, die den riem handelen, zeelieden, en alle schippers van de zee, zullen uit hun schepen nederklimmen; op het land zullen zij staan blijven.

30
וְ/הִשְׁמִ֤יעוּ עָלַ֨יִ/ךְ֙ בְּ/קוֹלָ֔/ם וְ/יִזְעֲק֖וּ מָרָ֑ה וְ/יַעֲל֤וּ עָֽפָר֙ עַל רָ֣אשֵׁי/הֶ֔ם בָּ/אֵ֖פֶר יִתְפַּלָּֽשׁוּ
STATEN

En zij zullen hun stem over u laten horen, en bitterlijk schreeuwen; en zij zullen stof op hun hoofden werpen, zij zullen zich wentelen in de as.

31
וְ/הִקְרִ֤יחוּ אֵלַ֨יִ/ךְ֙ קָרְחָ֔ה וְ/חָגְר֖וּ שַׂקִּ֑ים וּ/בָכ֥וּ אֵלַ֛יִ/ךְ בְּ/מַר נֶ֖פֶשׁ מִסְפֵּ֥ד מָֽר
STATEN

En zij zullen zich over u gans kaal maken, en zakken aangorden; en zullen over u wenen met bitterheid der ziel, en bittere rouwklage.

32
וְ/נָשְׂא֨וּ אֵלַ֤יִ/ךְ בְּ/נִי/הֶם֙ קִינָ֔ה וְ/קוֹנְנ֖וּ עָלָ֑יִ/ךְ מִ֣י כְ/צ֔וֹר כְּ/דֻמָ֖ה בְּ/ת֥וֹךְ הַ/יָּֽם
STATEN

En zij zullen in hun gekerm een klaaglied over u opheffen, en over u weeklagen, zeggende: Wie is geweest als Tyrus, als de uitgeroeide in het midden der zee?

33
בְּ/צֵ֤את עִזְבוֹנַ֨יִ/ךְ֙ מִ/יַּמִּ֔ים הִשְׂבַּ֖עַתְּ עַמִּ֣ים רַבִּ֑ים בְּ/רֹ֤ב הוֹנַ֨יִ/ךְ֙ וּ/מַ֣עֲרָבַ֔יִ/ךְ הֶעֱשַׁ֖רְתְּ מַלְכֵי אָֽרֶץ
STATEN

Als uw marktwaren uit de zeeën voortkwamen, hebt gij vele volken verzadigd; met de veelheid uwer goederen en uw onderlingen koophandel, hebt gij de koningen der aarde rijk gemaakt.

34
עֵ֛ת נִשְׁבֶּ֥רֶת מִ/יַּמִּ֖ים בְּ/מַֽעֲמַקֵּי מָ֑יִם מַעֲרָבֵ֥/ךְ וְ/כָל קְהָלֵ֖/ךְ בְּ/תוֹכֵ֥/ךְ נָפָֽלוּ
STATEN

Ten tijde, dat gij uit de zeeën verbroken zijt in de diepte der wateren, zijn uw onderlinge koophandel en uw ganse gemeente in het midden van u gevallen.

35
כֹּ֚ל יֹשְׁבֵ֣י הָ/אִיִּ֔ים שָׁמְמ֖וּ עָלָ֑יִ/ךְ וּ/מַלְכֵי/הֶם֙ שָׂ֣עֲרוּ שַׂ֔עַר רָעֲמ֖וּ פָּנִֽים
STATEN

Alle inwoners der eilanden zijn over u ontzet, en hun koningen staan de haren te berge, zij zijn verbaasd van aangezicht.

36
סֹֽחֲרִים֙ בָּ֣/עַמִּ֔ים שָׁרְק֖וּ עָלָ֑יִ/ךְ בַּלָּה֣וֹת הָיִ֔ית וְ/אֵינֵ֖/ךְ עַד עוֹלָֽם
STATEN

De handelaars onder de volken fluiten u aan; gij zijt een grote schrik geworden, en zult er niet meer zijn tot in eeuwigheid.