Ga naar inhoud
NEVIIM

Ezechiël 29

יְחֶזְקֵאל
Hoofdstukken (48)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
בַּ/שָּׁנָה֙ הָ/עֲשִׂירִ֔ית בָּ/עֲשִׂרִ֕י בִּ/שְׁנֵ֥ים עָשָׂ֖ר לַ/חֹ֑דֶשׁ הָיָ֥ה דְבַר יְהוָ֖ה אֵלַ֥/י לֵ/אמֹֽר־׃
STATEN

In het tiende jaar, in de tiende maand, op den twaalfden der maand, geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:

2
בֶּן אָדָ֕ם שִׂ֣ים פָּנֶ֔י/ךָ עַל פַּרְעֹ֖ה מֶ֣לֶךְ מִצְרָ֑יִם וְ/הִנָּבֵ֣א עָלָ֔י/ו וְ/עַל מִצְרַ֖יִם כֻּלָּֽ/הּ־־־׃
STATEN

Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Faraö, den koning van Egypte, en profeteer tegen hem, en tegen het ganse Egypte.

3
דַּבֵּ֨ר וְ/אָמַרְתָּ֜ כֹּֽה אָמַ֣ר אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֗ה הִנְ/נִ֤י עָלֶ֨י/ךָ֙ פַּרְעֹ֣ה מֶֽלֶךְ מִצְרַ֔יִם הַ/תַּנִּים֙ הַ/גָּד֔וֹל הָ/רֹבֵ֖ץ בְּ/ת֣וֹךְ יְאֹרָ֑י/ו אֲשֶׁ֥ר אָמַ֛ר לִ֥/י יְאֹרִ֖/י וַ/אֲנִ֥י עֲשִׂיתִֽ/נִי־׀־׃
STATEN

Spreek en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik wil aan u, o Faraö, koning van Egypte! dien groten zeedraak, die in het midden zijner rivieren ligt; die daar zegt: Mijn rivier is de mijne, en ik heb die voor mij gemaakt.

4
וְ/נָתַתִּ֤י חחיים בִּ/לְחָיֶ֔י/ךָ וְ/הִדְבַּקְתִּ֥י דְגַת יְאֹרֶ֖י/ךָ בְּ/קַשְׂקְשֹׂתֶ֑י/ךָ וְ/הַעֲלִיתִ֨י/ךָ֙ מִ/תּ֣וֹךְ יְאֹרֶ֔י/ךָ וְ/אֵת֙ כָּל דְּגַ֣ת יְאֹרֶ֔י/ךָ בְּ/קַשְׂקְשֹׂתֶ֖י/ךָ תִּדְבָּֽק חַחִים֙־־׃
STATEN

Maar Ik zal haken in uw kaken doen, en den vis uwer rivieren aan uw schubben doen kleven; en Ik zal u uit het midden uwer rivieren optrekken, en al de vis uwer rivieren zal aan uw schubben kleven.

5
וּ/נְטַשְׁתִּ֣י/ךָ הַ/מִּדְבָּ֗רָ/ה אוֹתְ/ךָ֙ וְ/אֵת֙ כָּל דְּגַ֣ת יְאֹרֶ֔י/ךָ עַל פְּנֵ֤י הַ/שָּׂדֶה֙ תִּפּ֔וֹל לֹ֥א תֵאָסֵ֖ף וְ/לֹ֣א תִקָּבֵ֑ץ לְ/חַיַּ֥ת הָ/אָ֛רֶץ וּ/לְ/ע֥וֹף הַ/שָּׁמַ֖יִם נְתַתִּ֥י/ךָ לְ/אָכְלָֽה־־׃
STATEN

En Ik zal u verlaten in de woestijn, u en al den vis uwer rivieren; op het open veld zult gij vallen; gij zult niet verzameld noch vergaderd worden; aan het gedierte der aarde en aan het gevogelte des hemels heb Ik u ter spijze gegeven.

6
וְ/יָֽדְעוּ֙ כָּל יֹשְׁבֵ֣י מִצְרַ֔יִם כִּ֖י אֲנִ֣י יְהוָ֑ה יַ֧עַן הֱיוֹתָ֛/ם מִשְׁעֶ֥נֶת קָנֶ֖ה לְ/בֵ֥ית יִשְׂרָאֵֽל־׃
STATEN

En al de inwoners van Egypte zullen weten, dat Ik de HEERE ben, omdat zij den huize Israëls een rietstaf geweest zijn.

7
בְּ/תָפְשָׂ֨/ם בְּ/ךָ֤ ב/כפ/ך תֵּר֔וֹץ וּ/בָקַעְתָּ֥ לָ/הֶ֖ם כָּל כָּתֵ֑ף וּ/בְ/הִֽשָּׁעֲנָ֤/ם עָלֶ֨י/ךָ֙ תִּשָּׁבֵ֔ר וְ/הַעֲמַדְתָּ֥ לָ/הֶ֖ם כָּל מָתְנָֽיִם בַ/כַּף֙־־׃ס
STATEN

Als zij u bij uw hand grepen, zo werdt gij gebroken, en spleet hun alle zijden; en als zij op u leunden, zo werdt gij verbroken, en liet alle lenden op zichzelven staan.

8
לָ/כֵ֗ן כֹּ֤ה אָמַר֙ אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֔ה הִנְ/נִ֛י מֵבִ֥יא עָלַ֖יִ/ךְ חָ֑רֶב וְ/הִכְרַתִּ֥י מִמֵּ֖/ךְ אָדָ֥ם וּ/בְהֵמָֽה׃
STATEN

Daarom zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal het zwaard over u brengen, en Ik zal uit u mens en beest uitroeien.

9
וְ/הָיְתָ֤ה אֶֽרֶץ מִצְרַ֨יִם֙ לִ/שְׁמָמָ֣ה וְ/חָרְבָּ֔ה וְ/יָדְע֖וּ כִּֽי אֲנִ֣י יְהוָ֑ה יַ֧עַן אָמַ֛ר יְאֹ֥ר לִ֖/י וַ/אֲנִ֥י עָשִֽׂיתִי־־׃
STATEN

En Egypteland zal worden tot een wildernis en woestheid, en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben; omdat hij zegt: De rivier is mijn, en ik heb die gemaakt.

10
לָ/כֵ֛ן הִנְ/נִ֥י אֵלֶ֖י/ךָ וְ/אֶל יְאֹרֶ֑י/ךָ וְ/נָתַתִּ֞י אֶת אֶ֣רֶץ מִצְרַ֗יִם לְ/חָרְבוֹת֙ חֹ֣רֶב שְׁמָמָ֔ה מִ/מִּגְדֹּ֥ל סְוֵנֵ֖ה וְ/עַד גְּב֥וּל כּֽוּשׁ־־־׃
STATEN

Daarom, zie, Ik wil aan u en aan uw rivier; en Ik zal Egypteland stellen tot woeste wilde eenzaamheden, van den toren van Syene af, tot aan de landpale van Morenland.

11
לֹ֤א תַעֲבָר בָּ/הּ֙ רֶ֣גֶל אָדָ֔ם וְ/רֶ֥גֶל בְּהֵמָ֖ה לֹ֣א תַעֲבָר בָּ֑/הּ וְ/לֹ֥א תֵשֵׁ֖ב אַרְבָּעִ֥ים שָׁנָֽה־־׃
STATEN

Geen mensenvoet zal door hetzelve doorgaan, en geen beestenvoet zal door hetzelve doorgaan, en het zal veertig jaren onbewoond zijn.

12
וְ/נָתַתִּ֣י אֶת אֶרֶץ֩ מִצְרַ֨יִם שְׁמָמָ֜ה בְּ/ת֣וֹךְ אֲרָצ֣וֹת נְשַׁמּ֗וֹת וְ/עָרֶ֨י/הָ֙ בְּ/ת֨וֹךְ עָרִ֤ים מָֽחֳרָבוֹת֙ תִּֽהְיֶ֣יןָ שְׁמָמָ֔ה אַרְבָּעִ֖ים שָׁנָ֑ה וַ/הֲפִצֹתִ֤י אֶת מִצְרַ֨יִם֙ בַּ/גּוֹיִ֔ם וְֽ/זֵרִיתִ֖י/ם בָּ/אֲרָצֽוֹת־׀־׃פ
STATEN

Want Ik zal Egypteland stellen tot een verwoesting in het midden der verwoeste landen, en zijn steden zullen een woestheid zijn in het midden der verwoeste steden, veertig jaren; en Ik zal de Egyptenaars verstrooien onder de heidenen, en zal hen verspreiden in de landen.

Op De Naamdragers

Blogs over Ezechiël 29

Nog geen artikelen die specifiek naar Ezechiël 29 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →