NEVIIM

Ezechiël 31

יְחֶזְקֵאל
Hoofdstukken (48)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748
Getuigen
Interlineair
1
וַ/יְהִ֗י בְּ/אַחַ֤ת עֶשְׂרֵה֙ שָׁנָ֔ה בַּ/שְּׁלִישִׁ֖י בְּ/אֶחָ֣ד לַ/חֹ֑דֶשׁ הָיָ֥ה דְבַר יְהוָ֖ה אֵלַ֥/י לֵ/אמֹֽר
STATEN

Het gebeurde ook in het elfde jaar, in de derde maand, op den eersten der maand, dat des HEEREN woord tot mij geschiedde, zeggende:

2
בֶּן אָדָ֕ם אֱמֹ֛ר אֶל פַּרְעֹ֥ה מֶֽלֶךְ מִצְרַ֖יִם וְ/אֶל הֲמוֹנ֑/וֹ אֶל מִ֖י דָּמִ֥יתָ בְ/גָדְלֶֽ/ךָ
STATEN

Mensenkind! zeg tot Faraö, den koning van Egypte, en tot zijn menigte: Wien zijt gij gelijk in uw grootheid?

3
הִנֵּ֨ה אַשּׁ֜וּר אֶ֣רֶז בַּ/לְּבָנ֗וֹן יְפֵ֥ה עָנָ֛ף וְ/חֹ֥רֶשׁ מֵצַ֖ל וּ/גְבַ֣הּ קוֹמָ֑ה וּ/בֵ֣ין עֲבֹתִ֔ים הָיְתָ֖ה צַמַּרְתּֽ/וֹ
STATEN

Zie, Assur was een ceder op den Libanon, schoon van takken, schaduwachtig van loof, en hoog van stam, en zijn top was tussen dichte takken.

4
מַ֣יִם גִּדְּל֔וּ/הוּ תְּה֖וֹם רֹֽמְמָ֑תְ/הוּ אֶת נַהֲרֹתֶ֗י/הָ הֹלֵךְ֙ סְבִיב֣וֹת מַטָּעָ֔/הּ וְ/אֶת תְּעָלֹתֶ֣י/הָ שִׁלְחָ֔ה אֶ֖ל כָּל עֲצֵ֥י הַ/שָּׂדֶֽה
STATEN

De wateren maakten hem groot, de afgrond maakte hem hoog; die ging met zijn stromen rondom zijn planting, en zond zijn waterleidingen uit tot alle bomen des velds.

5
עַל כֵּן֙ גָּבְהָ֣א קֹמָת֔/וֹ מִ/כֹּ֖ל עֲצֵ֣י הַ/שָּׂדֶ֑ה וַ/תִּרְבֶּ֨ינָה סַֽרְעַפֹּתָ֜י/ו וַ/תֶּאֱרַ֧כְנָה פארת/ו מִ/מַּ֥יִם רַבִּ֖ים בְּ/שַׁלְּחֽ/וֹ פֹארֹתָ֛י/ו
STATEN

Daarom werd zijn stam hoger dan alle bomen des velds; en zijn takjes werden menigvuldig, en zijn scheuten lang, vanwege de grote wateren, als hij uitschoot.

6
בִּ/סְעַפֹּתָ֤י/ו קִֽנְנוּ֙ כָּל ע֣וֹף הַ/שָּׁמַ֔יִם וְ/תַ֤חַת פֹּֽארֹתָי/ו֙ יָֽלְד֔וּ כֹּ֖ל חַיַּ֣ת הַ/שָּׂדֶ֑ה וּ/בְ/צִלּ/וֹ֙ יֵֽשְׁב֔וּ כֹּ֖ל גּוֹיִ֥ם רַבִּֽים
STATEN

Alle vogelen des hemels nestelden op zijn takjes, en alle dieren des velds teelden onder zijn scheuten; en alle grote volken zaten onder zijn schaduw.

7
וַ/יְּיִ֣ף בְּ/גָדְל֔/וֹ בְּ/אֹ֖רֶךְ דָּֽלִיּוֹתָ֑י/ו כִּֽי הָיָ֥ה שָׁרְשׁ֖/וֹ אֶל מַ֥יִם רַבִּֽים
STATEN

Alzo was hij schoon in zijn grootheid en in de lengte zijner takken, omdat zijn wortel aan grote wateren was.

8
אֲרָזִ֣ים לֹֽא עֲמָמֻ/הוּ֮ בְּ/גַן אֱלֹהִים֒ בְּרוֹשִׁ֗ים לֹ֤א דָמוּ֙ אֶל סְעַפֹּתָ֔י/ו וְ/עַרְמֹנִ֥ים לֹֽא הָי֖וּ כְּ/פֹֽארֹתָ֑י/ו כָּל עֵץ֙ בְּ/גַן אֱלֹהִ֔ים לֹא דָמָ֥ה אֵלָ֖י/ו בְּ/יָפְיֽ/וֹ
STATEN

De cederen in Gods hof verduisterden hem niet, de dennebomen waren zijn takken niet gelijk, en de kastanjebomen waren niet gelijk zijn scheuten; geen boom in Gods hof was hem gelijk in zijn schoonheid.

9
יָפֶ֣ה עֲשִׂיתִ֔י/ו בְּ/רֹ֖ב דָּֽלִיּוֹתָ֑י/ו וַ/יְקַנְאֻ֨/הוּ֙ כָּל עֲצֵי עֵ֔דֶן אֲשֶׁ֖ר בְּ/גַ֥ן הָ/אֱלֹהִֽים
STATEN

Ik had hem zo schoon gemaakt door de veelheid zijner takken, dat alle bomen van Eden, die in Gods hof waren, hem benijdden.

10
לָ/כֵ֗ן כֹּ֤ה אָמַר֙ אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֔ה יַ֕עַן אֲשֶׁ֥ר גָּבַ֖הְתָּ בְּ/קוֹמָ֑ה וַ/יִּתֵּ֤ן צַמַּרְתּ/וֹ֙ אֶל בֵּ֣ין עֲבוֹתִ֔ים וְ/רָ֥ם לְבָב֖/וֹ בְּ/גָבְהֽ/וֹ
STATEN

Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Omdat gij u verheven hebt over uw stam, ja, hij stak zijn top op boven het midden der dichte takken, en zijn hart verhief zich over zijn hoogte;

11
וְ/אֶ֨תְּנֵ֔/הוּ בְּ/יַ֖ד אֵ֣יל גּוֹיִ֑ם עָשׂ֤וֹ יַֽעֲשֶׂה֙ ל֔/וֹ כְּ/רִשְׁע֖/וֹ גֵּרַשְׁתִּֽ/הוּ
STATEN

Daarom gaf Ik hem in de hand van den machtigste der heidenen, dat die hem rechtschapen zou behandelen; Ik dreef hem uit om zijn goddeloosheid.

12
וַ/יִּכְרְתֻ֧/הוּ זָרִ֛ים עָרִיצֵ֥י גוֹיִ֖ם וַֽ/יִּטְּשֻׁ֑/הוּ אֶל הֶ֠/הָרִים וּ/בְ/כָל גֵּ֨אָי֜וֹת נָפְל֣וּ דָלִיּוֹתָ֗י/ו וַ/תִּשָּׁבַ֤רְנָה פֹֽארֹתָי/ו֙ בְּ/כֹל֙ אֲפִיקֵ֣י הָ/אָ֔רֶץ וַ/יֵּרְד֧וּ מִ/צִּלּ֛/וֹ כָּל עַמֵּ֥י הָ/אָ֖רֶץ וַֽ/יִּטְּשֻֽׁ/הוּ
STATEN

En vreemden, de tirannigste der heidenen, roeiden hem uit en verlieten hem; zijn takken vielen op de bergen en in alle valleien, en zijn scheuten werden verbroken bij alle stromen des lands; en alle volken der aarde gingen af uit zijn schaduw, en verlieten hem.

13
עַל מַפַּלְתּ֥/וֹ יִשְׁכְּנ֖וּ כָּל ע֣וֹף הַ/שָּׁמָ֑יִם וְ/אֶל פֹּארֹתָ֣י/ו הָי֔וּ כֹּ֖ל חַיַּ֥ת הַ/שָּׂדֶֽה
STATEN

Alle vogelen des hemels woonden op zijn omgevallen stam, en alle dieren des velds waren op zijn scheuten;

14
לְמַ֡עַן אֲשֶׁר֩ לֹא יִגְבְּה֨וּ בְ/קוֹמָתָ֜/ם כָּל עֲצֵי מַ֗יִם וְ/לֹֽא יִתְּנ֤וּ אֶת צַמַּרְתָּ/ם֙ אֶל בֵּ֣ין עֲבֹתִ֔ים וְ/לֹֽא יַעַמְד֧וּ אֵלֵי/הֶ֛ם בְּ/גָבְהָ֖/ם כָּל שֹׁ֣תֵי מָ֑יִם כִּֽי כֻלָּ/ם֩ נִתְּנ֨וּ לַ/מָּ֜וֶת אֶל אֶ֣רֶץ תַּחְתִּ֗ית בְּ/ת֛וֹךְ בְּנֵ֥י אָדָ֖ם אֶל י֥וֹרְדֵי בֽוֹר
STATEN

Opdat zich geen waterrijke bomen verheffen over hun stam, en hun top niet opsteken boven het midden der dichte takken, en geen bomen, die water drinken, op zichzelven staan vanwege hun hoogte; want zij zijn allen overgegeven ter dood, tot het onderste der aarde, in het midden der mensenkinderen, tot degenen, die in den kuil nederdalen.

15
כֹּֽה אָמַ֞ר אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֗ה בְּ/י֨וֹם רִדְתּ֤/וֹ שְׁא֨וֹלָ/ה֙ הֶאֱבַ֜לְתִּי כִּסֵּ֤תִי עָלָי/ו֙ אֶת תְּה֔וֹם וָֽ/אֶמְנַע֙ נַהֲרוֹתֶ֔י/הָ וַ/יִּכָּלְא֖וּ מַ֣יִם רַבִּ֑ים וָ/אַקְדִּ֤ר עָלָי/ו֙ לְבָנ֔וֹן וְ/כָל עֲצֵ֥י הַ/שָּׂדֶ֖ה עָלָ֥י/ו עֻלְפֶּֽה
STATEN

Zo zegt de Heere HEERE: Ten dage, als hij ter helle nederdaalde, maakte Ik een treuren; Ik bedekte om zijnentwil den afgrond, en weerde de stromen van dien, en de grote wateren werden geschut; en Ik maakte den Libanon om zijnentwil zwart, en al het geboomte des velds was om zijnentwil bewonden.

16
מִ/קּ֤וֹל מַפַּלְתּ/וֹ֙ הִרְעַ֣שְׁתִּי גוֹיִ֔ם בְּ/הוֹרִדִ֥/י אֹת֛/וֹ שְׁא֖וֹלָ/ה אֶת י֣וֹרְדֵי ב֑וֹר וַ/יִּנָּ֨חֲמ֜וּ בְּ/אֶ֤רֶץ תַּחְתִּית֙ כָּל עֲצֵי עֵ֔דֶן מִבְחַ֥ר וְ/טוֹב לְבָנ֖וֹן כָּל שֹׁ֥תֵי מָֽיִם
STATEN

Van het geluid zijns vals deed Ik de heidenen beven, als Ik hem ter helle deed nederdalen, met degenen, die in den kuil nederdalen; en alle bomen van Eden, de keur en het beste van Libanon, alle bomen, die water drinken, troostten zich in het onderste der aarde.

17
גַּם הֵ֗ם אִתּ֛/וֹ יָרְד֥וּ שְׁא֖וֹלָ/ה אֶל חַלְלֵי חָ֑רֶב וּ/זְרֹע֛/וֹ יָשְׁב֥וּ בְ/צִלּ֖/וֹ בְּ/ת֥וֹךְ גּוֹיִֽם
STATEN

Diezelve daalden ook met hem neder ter helle, tot de verslagenen van het zwaard; en die zijn arm geweest waren, die onder zijn schaduw in het midden der heidenen gezeten hadden.

18
אֶל מִ֨י דָמִ֥יתָ כָּ֛כָה בְּ/כָב֥וֹד וּ/בְ/גֹ֖דֶל בַּ/עֲצֵי עֵ֑דֶן וְ/הוּרַדְתָּ֨ אֶת עֲצֵי עֵ֜דֶן אֶל אֶ֣רֶץ תַּחְתִּ֗ית בְּ/ת֨וֹךְ עֲרֵלִ֤ים תִּשְׁכַּב֙ אֶת חַלְלֵי חֶ֔רֶב ה֤וּא פַרְעֹה֙ וְ/כָל הֲמוֹנֹ֔/ה נְאֻ֖ם אֲדֹנָ֥/י יְהוִֽה
STATEN

Wien zijt gij alzo gelijk in heerlijkheid en grootheid, onder de bomen van Eden? Ja, gij zult nedergevoerd worden met de bomen van Eden, tot het onderste der aarde; in het midden der onbesnedenen zult gij liggen, met de verslagenen door het zwaard. Dat is Faraö, en zijn ganse menigte, spreekt de Heere HEERE.