Ga naar inhoud
NEVIIM

Ezechiël 38

יְחֶזְקֵאל
Hoofdstukken (48)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יְהִ֥י דְבַר יְהוָ֖ה אֵלַ֥/י לֵ/אמֹֽר־׃
STATEN

Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:

2
בֶּן אָדָ֗ם שִׂ֤ים פָּנֶ֨י/ךָ֙ אֶל גּוֹג֙ אֶ֣רֶץ הַ/מָּג֔וֹג נְשִׂ֕יא רֹ֖אשׁ מֶ֣שֶׁךְ וְ/תֻבָ֑ל וְ/הִנָּבֵ֖א עָלָֽי/ו־־׃
STATEN

Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Gog, het land van Magog, den hoofdvorst van Mesech en Tubal; en profeteer tegen hem,

3
וְ/אָ֣מַרְתָּ֔ כֹּ֥ה אָמַ֖ר אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֑ה הִנְ/נִ֤י אֵלֶ֨י/ךָ֙ גּ֔וֹג נְשִׂ֕יא רֹ֖אשׁ מֶ֥שֶׁךְ וְ/תֻבָֽל׃
STATEN

En zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik wil aan u, o Gog, gij hoofdvorst van Mesech en Tubal!

4
וְ/שׁ֣וֹבַבְתִּ֔י/ךָ וְ/נָתַתִּ֥י חַחִ֖ים בִּ/לְחָיֶ֑י/ךָ וְ/הוֹצֵאתִי֩ אוֹתְ/ךָ֨ וְ/אֶת כָּל חֵילֶ֜/ךָ סוּסִ֣ים וּ/פָרָשִׁ֗ים לְבֻשֵׁ֤י מִכְלוֹל֙ כֻּלָּ֔/ם קָהָ֥ל רָב֙ צִנָּ֣ה וּ/מָגֵ֔ן תֹּפְשֵׂ֥י חֲרָב֖וֹת כֻּלָּֽ/ם־־׃
STATEN

En Ik zal u omwenden, en haken in uw kaken leggen, en Ik zal u uitvoeren, mitsgaders uw ganse heir, paarden en ruiteren, die altemaal volkomen wel gekleed zijn, een grote vergadering, met rondas en schild, die altemaal zwaarden handelen;

5
פָּרַ֛ס כּ֥וּשׁ וּ/פ֖וּט אִתָּ֑/ם כֻּלָּ֖/ם מָגֵ֥ן וְ/כוֹבָֽע׃
STATEN

Perzen, Moren en Puteeërs met hen, die altemaal schild en helm voeren;

6
גֹּ֚מֶר וְ/כָל אֲגַפֶּ֔י/הָ בֵּ֚ית תּֽוֹגַרְמָ֔ה יַרְכְּתֵ֥י צָפ֖וֹן וְ/אֶת כָּל אֲגַפָּ֑י/ו עַמִּ֥ים רַבִּ֖ים אִתָּֽ/ךְ־־־׃
STATEN

Gomer en al zijn benden, en het huis van Togárma, aan de zijden van het noorden, en al zijn benden; vele volken met u.

7
הִכֹּן֙ וְ/הָכֵ֣ן לְ/ךָ֔ אַתָּ֕ה וְ/כָל קְהָלֶ֖/ךָ הַ/נִּקְהָלִ֣ים עָלֶ֑י/ךָ וְ/הָיִ֥יתָ לָ/הֶ֖ם לְ/מִשְׁמָֽר־׃
STATEN

Zijt bereid en maakt u gereed, gij en uw ganse vergadering, die tot u vergaderd zijn; en wees gij hun tot een wacht.

8
מִ/יָּמִ֣ים רַבִּים֮ תִּפָּקֵד֒ בְּ/אַחֲרִ֨ית הַ/שָּׁנִ֜ים תָּב֣וֹא אֶל אֶ֣רֶץ מְשׁוֹבֶ֣בֶת מֵ/חֶ֗רֶב מְקֻבֶּ֨צֶת֙ מֵ/עַמִּ֣ים רַבִּ֔ים עַ֚ל הָרֵ֣י יִשְׂרָאֵ֔ל אֲשֶׁר הָי֥וּ לְ/חָרְבָּ֖ה תָּמִ֑יד וְ/הִיא֙ מֵ/עַמִּ֣ים הוּצָ֔אָה וְ/יָשְׁב֥וּ לָ/בֶ֖טַח כֻּלָּֽ/ם׀־׀־׃
STATEN

Na vele dagen zult gij bezocht worden; in het laatste der jaren zult gij komen in het land, dat wedergebracht is van het zwaard, dat vergaderd is uit vele volken, op de bergen Israëls, die steeds tot verwoesting geweest zijn; als hetzelve land uit de volken zal uitgevoerd zijn, en zij altemaal zeker zullen wonen.

9
וְ/עָלִ֨יתָ֙ כַּ/שֹּׁאָ֣ה תָב֔וֹא כֶּ/עָנָ֛ן לְ/כַסּ֥וֹת הָ/אָ֖רֶץ תִּֽהְיֶ֑ה אַתָּה֙ וְ/כָל אֲגַפֶּ֔י/ךָ וְ/עַמִּ֥ים רַבִּ֖ים אוֹתָֽ/ךְ־׃ס
STATEN

Dan zult gij optrekken, gij zult aankomen als een onstuimige verwoesting, gij zult zijn als een wolk, om het land te bedekken; gij en al uw benden, en vele volken met u.

10
כֹּ֥ה אָמַ֖ר אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֑ה וְ/הָיָ֣ה בַּ/יּ֣וֹם הַ/ה֗וּא יַעֲל֤וּ דְבָרִים֙ עַל לְבָבֶ֔/ךָ וְ/חָשַׁבְתָּ֖ מַחֲשֶׁ֥בֶת רָעָֽה׀־׃
STATEN

Alzo zegt de Heere HEERE: Te dien dage zal het ook geschieden, dat er raadslagen in uw hart zullen opkomen, en gij zult een kwade gedachte denken,

11
וְ/אָמַרְתָּ֗ אֶֽעֱלֶה֙ עַל אֶ֣רֶץ פְּרָז֔וֹת אָבוֹא֙ הַ/שֹּׁ֣קְטִ֔ים יֹשְׁבֵ֖י לָ/בֶ֑טַח כֻּלָּ֗/ם יֹֽשְׁבִים֙ בְּ/אֵ֣ין חוֹמָ֔ה וּ/בְרִ֥יחַ וּ/דְלָתַ֖יִם אֵ֥ין לָ/הֶֽם־׃
STATEN

En zult zeggen: Ik zal optrekken naar dat dorpland, ik zal komen tot degenen, die in rust zijn, die zeker wonen, die altemaal wonen zonder muur, en grendel noch deuren hebben.

12
לִ/שְׁלֹ֥ל שָׁלָ֖ל וְ/לָ/בֹ֣ז בַּ֑ז לְ/הָשִׁ֨יב יָדְ/ךָ֜ עַל חֳרָב֣וֹת נוֹשָׁבֹ֗ת וְ/אֶל עַם֙ מְאֻסָּ֣ף מִ/גּוֹיִ֔ם עֹשֶׂה֙ מִקְנֶ֣ה וְ/קִנְיָ֔ן יֹשְׁבֵ֖י עַל טַבּ֥וּר הָ/אָֽרֶץ־־־׃
STATEN

Om buit te buiten, en om roof te roven; om uw hand te wenden tegen de woeste plaatsen, die nu bewoond zijn, en tegen een volk, dat uit de heidenen verzameld is, dat vee en have verkregen heeft, wonende in het midden des lands.

Op De Naamdragers

Blogs over Ezechiël 38

Nog geen artikelen die specifiek naar Ezechiël 38 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →