Ga naar inhoud
NEVIIM

Ezechiël 7

יְחֶזְקֵאל
Hoofdstukken (48)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
וַ/יְהִ֥י דְבַר יְהוָ֖ה אֵלַ֥/י לֵ/אמֹֽר־׃
STATEN

Daarna geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:

2
וְ/אַתָּ֣ה בֶן אָדָ֗ם כֹּה אָמַ֞ר אֲדֹנָ֧/י יְהוִ֛ה לְ/אַדְמַ֥ת יִשְׂרָאֵ֖ל קֵ֑ץ בָּ֣א הַ/קֵּ֔ץ עַל ארבעת כַּנְפ֥וֹת הָ/אָֽרֶץ־־־׃ אַרְבַּ֖ע
STATEN

Verder, gij mensenkind, zo zegt de Heere HEERE, van het land Israëls: Het einde is er, het einde is gekomen over de vier hoeken des lands.

3
עַתָּה֙ הַ/קֵּ֣ץ עָלַ֔יִ/ךְ וְ/שִׁלַּחְתִּ֤י אַפִּ/י֙ בָּ֔/ךְ וּ/שְׁפַטְתִּ֖י/ךְ כִּ/דְרָכָ֑יִ/ךְ וְ/נָתַתִּ֣י עָלַ֔יִ/ךְ אֵ֖ת כָּל תּוֹעֲבֹתָֽיִ/ךְ־׃
STATEN

Nu is het einde over u; want Ik zal Mijn toorn tegen u zenden, en Ik zal u richten naar uw wegen, en Ik zal op u brengen al uw gruwelen.

4
וְ/לֹא תָח֥וֹס עֵינִ֛/י עָלַ֖יִ/ךְ וְ/לֹ֣א אֶחְמ֑וֹל כִּ֣י דְרָכַ֜יִ/ךְ עָלַ֣יִ/ךְ אֶתֵּ֗ן וְ/תוֹעֲבוֹתַ֨יִ/ךְ֙ בְּ/תוֹכֵ֣/ךְ תִּֽהְיֶ֔יןָ וִ/ידַעְתֶּ֖ם כִּֽי אֲנִ֥י יְהוָֽה־־׃פ
STATEN

En Mijn oog zal u niet verschonen, en Ik zal niet sparen; maar Ik zal uw wegen op u brengen, en uw gruwelen zullen in het midden van u zijn, en gijlieden zult weten, dat Ik de HEERE ben.

5
כֹּ֥ה אָמַ֖ר אֲדֹנָ֣/י יְהוִ֑ה רָעָ֛ה אַחַ֥ת רָעָ֖ה הִנֵּ֥ה בָאָֽה׃
STATEN

Zo zegt de Heere HEERE: Een kwaad, een enig kwaad, ziet, is gekomen;

6
קֵ֣ץ בָּ֔א בָּ֥א הַ/קֵּ֖ץ הֵקִ֣יץ אֵלָ֑יִ/ךְ הִנֵּ֖ה בָּאָֽה׃
STATEN

Een einde is er gekomen, dat einde is gekomen, het is opgewaakt tegen u; ziet, het kwaad is gekomen!

7
בָּ֧אָה הַ/צְּפִירָ֛ה אֵלֶ֖י/ךָ יוֹשֵׁ֣ב הָ/אָ֑רֶץ בָּ֣א הָ/עֵ֗ת קָר֛וֹב הַ/יּ֥וֹם מְהוּמָ֖ה וְ/לֹא הֵ֥ד הָרִֽים־׃
STATEN

De morgenstond is tot u gekomen, o inwoner des lands, de tijd is gekomen, de dag der beroerte is nabij, en er is geen wederklank der bergen.

8
עַתָּ֣ה מִ/קָּר֗וֹב אֶשְׁפּ֤וֹךְ חֲמָתִ/י֙ עָלַ֔יִ/ךְ וְ/כִלֵּיתִ֤י אַפִּ/י֙ בָּ֔/ךְ וּ/שְׁפַטְתִּ֖י/ךְ כִּ/דְרָכָ֑יִ/ךְ וְ/נָתַתִּ֣י עָלַ֔יִ/ךְ אֵ֖ת כָּל תּוֹעֲבוֹתָֽיִ/ךְ־׃
STATEN

Nu zal Ik in kort Mijn grimmigheid over u uitgieten, en Mijn toorn tegen u volbrengen, en u richten naar uw wegen, en zal op u brengen al uw gruwelen.

9
וְ/לֹא תָח֥וֹס עֵינִ֖/י וְ/לֹ֣א אֶחְמ֑וֹל כִּ/דְרָכַ֜יִ/ךְ עָלַ֣יִ/ךְ אֶתֵּ֗ן וְ/תוֹעֲבוֹתַ֨יִ/ךְ֙ בְּ/תוֹכֵ֣/ךְ תִּֽהְיֶ֔יןָ וִֽ/ידַעְתֶּ֕ם כִּ֛י אֲנִ֥י יְהוָ֖ה מַכֶּֽה־׃
STATEN

En Mijn oog zal niet verschonen, en Ik zal niet sparen; Ik zal u geven naar uw wegen, en uw gruwelen zullen in het midden van u zijn; en gijlieden zult weten, dat Ik de HEERE ben, Die slaat.

10
הִנֵּ֥ה הַ/יּ֖וֹם הִנֵּ֣ה בָאָ֑ה יָֽצְאָה֙ הַ/צְּפִרָ֔ה צָ֚ץ הַ/מַּטֶּ֔ה פָּרַ֖ח הַ/זָּדֽוֹן׃
STATEN

Ziet, de dag, ziet, de morgenstond is gekomen, de morgenstond is voortgekomen, de roede heeft gebloeid, de hovaardij heeft gegroend.

11
הֶ/חָמָ֥ס קָ֖ם לְ/מַטֵּה רֶ֑שַׁע לֹא מֵ/הֶ֞ם וְ/לֹ֧א מֵ/הֲמוֹנָ֛/ם וְ/לֹ֥א מֶ/הֱמֵ/הֶ֖ם וְ/לֹא נֹ֥הַּ בָּ/הֶֽם׀־־־׃
STATEN

Het geweld is opgerezen tot een roede der goddeloosheid; niets van hen zal overblijven, noch van hun menigte, noch van hun gedruis, en geen klage zal over hen zijn.

12
בָּ֤א הָ/עֵת֙ הִגִּ֣יעַ הַ/יּ֔וֹם הַ/קּוֹנֶה֙ אַל יִשְׂמָ֔ח וְ/הַ/מּוֹכֵ֖ר אַל יִתְאַבָּ֑ל כִּ֥י חָר֖וֹן אֶל כָּל הֲמוֹנָֽ/הּ־־־־׃
STATEN

De tijd is gekomen, de dag is genaakt; de koper zij niet blijde, en de verkoper bedrijve geen rouw; want een brandende toorn is over de gehele menigte van het land.

Op De Naamdragers

Blogs over Ezechiël 7

Nog geen artikelen die specifiek naar Ezechiël 7 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →