KETUVIM

Spreuken 10

מִשְׁלֵי
Hoofdstukken (31)
12345678910111213141516171819202122232425262728293031
Getuigen
Interlineair
1
מִשְׁלֵ֗י שְׁלֹ֫מֹ֥ה בֵּ֣ן חָ֭כָם יְשַׂמַּח אָ֑ב וּ/בֵ֥ן כְּ֝סִ֗יל תּוּגַ֥ת אִמּֽ/וֹ
STATEN

De spreuken van Sálomo. Een wijs zoon verblijdt den vader; maar een zot zoon is zijner moeder droefheid.

2
לֹא י֭וֹעִילוּ אוֹצְר֣וֹת רֶ֑שַׁע וּ֝/צְדָקָ֗ה תַּצִּ֥יל מִ/מָּֽוֶת
STATEN

Schatten der goddeloosheid doen geen nut; maar de gerechtigheid redt van den dood.

3
לֹֽא יַרְעִ֣יב יְ֭הוָה נֶ֣פֶשׁ צַדִּ֑יק וְ/הַוַּ֖ת רְשָׁעִ֣ים יֶהְדֹּֽף
STATEN

De HEERE laat de ziel des rechtvaardigen niet hongeren; maar de have der goddelozen stoot Hij weg.

4
רָ֗אשׁ עֹשֶׂ֥ה כַף רְמִיָּ֑ה וְ/יַ֖ד חָרוּצִ֣ים תַּעֲשִֽׁיר
STATEN

Die met een bedriegelijke hand werkt, wordt arm; maar de hand der vlijtigen maakt rijk.

5
אֹגֵ֣ר בַּ֭/קַּיִץ בֵּ֣ן מַשְׂכִּ֑יל נִרְדָּ֥ם בַּ֝/קָּצִ֗יר בֵּ֣ן מֵבִֽישׁ
STATEN

Die in den zomer vergadert, is een verstandig zoon; maar die in den oogst vast slaapt, is een zoon die beschaamd maakt.

6
בְּ֭רָכוֹת לְ/רֹ֣אשׁ צַדִּ֑יק וּ/פִ֥י רְ֝שָׁעִ֗ים יְכַסֶּ֥ה חָמָֽס
STATEN

Zegeningen zijn op het hoofd des rechtvaardigen; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.

7
זֵ֣כֶר צַ֭דִּיק לִ/בְרָכָ֑ה וְ/שֵׁ֖ם רְשָׁעִ֣ים יִרְקָֽב
STATEN

De gedachtenis des rechtvaardigen zal tot zegening zijn; maar de naam der goddelozen zal verrotten.

8
חֲכַם לֵ֭ב יִקַּ֣ח מִצְוֺ֑ת וֶ/אֱוִ֥יל שְׂ֝פָתַ֗יִם יִלָּבֵֽט
STATEN

Die wijs van hart is, neemt de geboden aan; maar die dwaas is van lippen, zal omgeworpen worden.

9
הוֹלֵ֣ךְ בַּ֭/תֹּם יֵ֣לֶךְ בֶּ֑טַח וּ/מְעַקֵּ֥שׁ דְּ֝רָכָ֗י/ו יִוָּדֵֽעַ
STATEN

Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen verkeert, zal bekend worden.

10
קֹ֣רֵֽץ עַ֭יִן יִתֵּ֣ן עַצָּ֑בֶת וֶ/אֱוִ֥יל שְׂ֝פָתַ֗יִם יִלָּבֵֽט
STATEN

Die met het oog wenkt, richt smart aan; en een dwaas van lippen zal omgeworpen worden.

11
מְק֣וֹר חַ֭יִּים פִּ֣י צַדִּ֑יק וּ/פִ֥י רְ֝שָׁעִ֗ים יְכַסֶּ֥ה חָמָֽס
STATEN

De mond des rechtvaardigen is een springader des levens; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.

12
שִׂ֭נְאָה תְּעוֹרֵ֣ר מְדָנִ֑ים וְ/עַ֥ל כָּל פְּ֝שָׁעִ֗ים תְּכַסֶּ֥ה אַהֲבָֽה
STATEN

Haat verwekt krakelen; maar de liefde dekt alle overtredingen toe.

13
בְּ/שִׂפְתֵ֣י נָ֭בוֹן תִּמָּצֵ֣א חָכְמָ֑ה וְ֝/שֵׁ֗בֶט לְ/גֵ֣ו חֲסַר לֵֽב
STATEN

In de lippen des verstandigen wordt wijsheid gevonden; maar op den rug des verstandelozen de roede.

14
חֲכָמִ֥ים יִצְפְּנוּ דָ֑עַת וּ/פִֽי אֱ֝וִיל מְחִתָּ֥ה קְרֹבָֽה
STATEN

De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.

15
ה֣וֹן עָ֭שִׁיר קִרְיַ֣ת עֻזּ֑/וֹ מְחִתַּ֖ת דַּלִּ֣ים רֵישָֽׁ/ם
STATEN

Des rijken goed is een stad zijner sterkte; de armoede der geringen is hun verstoring.

16
פְּעֻלַּ֣ת צַדִּ֣יק לְ/חַיִּ֑ים תְּבוּאַ֖ת רָשָׁ֣ע לְ/חַטָּֽאת
STATEN

Het werk des rechtvaardigen is ten leven; de inkomst des goddelozen is ter zonde.

17
אֹ֣רַח לְ֭/חַיִּים שׁוֹמֵ֣ר מוּסָ֑ר וְ/עוֹזֵ֖ב תּוֹכַ֣חַת מַתְעֶֽה
STATEN

Het pad tot het leven is desgenen die de tucht bewaart; maar die de bestraffing verlaat, doet dwalen.

18
מְכַסֶּ֣ה שִׂ֭נְאָה שִׂפְתֵי שָׁ֑קֶר וּ/מוֹצִ֥א דִ֝בָּ֗ה ה֣וּא כְסִֽיל
STATEN

Die den haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot.

19
בְּ/רֹ֣ב דְּ֭בָרִים לֹ֣א יֶחְדַּל פָּ֑שַׁע וְ/חֹשֵׂ֖ךְ שְׂפָתָ֣י/ו מַשְׂכִּֽיל
STATEN

In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.

20
כֶּ֣סֶף נִ֭בְחָר לְשׁ֣וֹן צַדִּ֑יק לֵ֖ב רְשָׁעִ֣ים כִּ/מְעָֽט
STATEN

De tong des rechtvaardigen is uitgelezen zilver; het hart der goddelozen is weinig waard.

21
שִׂפְתֵ֣י צַ֭דִּיק יִרְע֣וּ רַבִּ֑ים וֶֽ֝/אֱוִילִ֗ים בַּ/חֲסַר לֵ֥ב יָמֽוּתוּ
STATEN

De lippen des rechtvaardigen voeden er velen; maar de dwazen sterven door gebrek van verstand.

22
בִּרְכַּ֣ת יְ֭הוָה הִ֣יא תַעֲשִׁ֑יר וְ/לֹֽא יוֹסִ֖ף עֶ֣צֶב עִמָּֽ/הּ
STATEN

De zegen des HEEREN, die maakt rijk; en Hij voegt er geen smart bij.

23
כִּ/שְׂח֣וֹק לִ֭/כְסִיל עֲשׂ֣וֹת זִמָּ֑ה וְ֝/חָכְמָ֗ה לְ/אִ֣ישׁ תְּבוּנָֽה
STATEN

Het is voor den zot als spel schandelijkheid te doen; maar voor een man van verstand, wijsheid te plegen.

24
מְגוֹרַ֣ת רָ֭שָׁע הִ֣יא תְבוֹאֶ֑/נּוּ וְ/תַאֲוַ֖ת צַדִּיקִ֣ים יִתֵּֽן
STATEN

De vreze des goddelozen, die zal hem overkomen; maar de begeerte der rechtvaardigen zal God geven.

25
כַּ/עֲב֣וֹר ס֭וּפָה וְ/אֵ֣ין רָשָׁ֑ע וְ֝/צַדִּ֗יק יְס֣וֹד עוֹלָֽם
STATEN

Gelijk een wervelwind voorbijgaat, alzo is de goddeloze niet meer; maar de rechtvaardige is een eeuwige grondvest.

26
כַּ/חֹ֤מֶץ לַ/שִּׁנַּ֗יִם וְ/כֶ/עָשָׁ֥ן לָ/עֵינָ֑יִם כֵּ֥ן הֶ֝/עָצֵ֗ל לְ/שֹׁלְחָֽי/ו
STATEN

Gelijk edik den tanden, en gelijk rook den ogen is, zo is de luie dengenen die hem uitzenden.

27
יִרְאַ֣ת יְ֭הוָה תּוֹסִ֣יף יָמִ֑ים וּ/שְׁנ֖וֹת רְשָׁעִ֣ים תִּקְצֹֽרְנָה
STATEN

De vreze des HEEREN vermeerdert de dagen; maar de jaren der goddelozen worden verkort.

28
תּוֹחֶ֣לֶת צַדִּיקִ֣ים שִׂמְחָ֑ה וְ/תִקְוַ֖ת רְשָׁעִ֣ים תֹּאבֵֽד
STATEN

De hoop der rechtvaardigen is blijdschap; maar de verwachting der goddelozen zal vergaan.

29
מָע֣וֹז לַ֭/תֹּם דֶּ֣רֶךְ יְהוָ֑ה וּ֝/מְחִתָּ֗ה לְ/פֹ֣עֲלֵי אָֽוֶן
STATEN

De weg des HEEREN is voor den oprechte sterkte; maar voor de werkers der ongerechtigheid verstoring.

30
צַדִּ֣יק לְ/עוֹלָ֣ם בַּל יִמּ֑וֹט וּ֝/רְשָׁעִ֗ים לֹ֣א יִשְׁכְּנוּ אָֽרֶץ
STATEN

De rechtvaardige zal in eeuwigheid niet bewogen worden; maar de goddelozen zullen de aarde niet bewonen.

31
פִּֽי צַ֭דִּיק יָנ֣וּב חָכְמָ֑ה וּ/לְשׁ֥וֹן תַּ֝הְפֻּכ֗וֹת תִּכָּרֵֽת
STATEN

De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.

32
שִׂפְתֵ֣י צַ֭דִּיק יֵדְע֣וּ/ן רָצ֑וֹן וּ/פִ֥י רְ֝שָׁעִ֗ים תַּהְפֻּכֽוֹת
STATEN

De lippen des rechtvaardigen weten wat welgevallig is; maar de mond der goddelozen enkel verkeerdheid.