KETUVIM
Spreuken 6
מִשְׁלֵי
Hoofdstukken (36)← → toetsen
Getuigen
בְּ֭נִ/י אִם עָרַ֣בְתָּ לְ/רֵעֶ֑/ךָ תָּקַ֖עְתָּ לַ/זָּ֣ר כַּפֶּֽי/ךָ־׃
STATEN
Mijn zoon! zo gij voor uw naaste borg geworden zijt, voor een vreemde uw hand toegeklapt hebt;
נוֹקַ֥שְׁתָּ בְ/אִמְרֵי פִ֑י/ךָ נִ֝לְכַּ֗דְתָּ בְּ/אִמְרֵי פִֽי/ךָ־־׃
STATEN
Gij zijt verstrikt met de redenen uws monds; gij zijt gevangen met de redenen uws monds.
עֲשֵׂ֨ה זֹ֥את אֵפ֪וֹא בְּנִ֡/י וְֽ/הִנָּצֵ֗ל כִּ֘י בָ֤אתָ בְ/כַף רֵעֶ֑/ךָ לֵ֥ךְ הִ֝תְרַפֵּ֗ס וּ/רְהַ֥ב רֵעֶֽי/ךָ׀־׃
STATEN
Doe nu dit, mijn zoon! en red u, dewijl gij in de hand uws naasten gekomen zijt; ga, onderwerp uzelven, en sterk uw naaste.
אַל תִּתֵּ֣ן שֵׁנָ֣ה לְ/עֵינֶ֑י/ךָ וּ֝/תְנוּמָ֗ה לְ/עַפְעַפֶּֽי/ךָ־׃
STATEN
Laat uw ogen geen slaap toe, noch uw oogleden sluimering.
הִ֭נָּצֵל כִּ/צְבִ֣י מִ/יָּ֑ד וּ֝/כְ/צִפּ֗וֹר מִ/יַּ֥ד יָקֽוּשׁ׃פ
STATEN
Red u, als een ree uit de hand des jagers, en als een vogel uit de hand des vogelvangers.
לֵֽךְ אֶל נְמָלָ֥ה עָצֵ֑ל רְאֵ֖ה דְרָכֶ֣י/הָ וַ/חֲכָֽם־־׃
STATEN
Ga tot de mier, gij luiaard! zie haar wegen, en word wijs;
אֲשֶׁ֖ר אֵֽין לָ֥/הּ קָצִ֗ין שֹׁטֵ֥ר וּ/מֹשֵֽׁל־׃
STATEN
Dewelke, geen overste, ambtman noch heerser hebbende,
תָּכִ֣ין בַּ/קַּ֣יִץ לַחְמָ֑/הּ אָגְרָ֥ה בַ֝/קָּצִ֗יר מַאֲכָלָֽ/הּ׃
STATEN
Haar brood bereidt in den zomer, haar spijs vergadert in den oogst.
עַד מָתַ֖י עָצֵ֥ל תִּשְׁכָּ֑ב מָ֝תַ֗י תָּק֥וּם מִ/שְּׁנָתֶֽ/ךָ־׀׃
STATEN
Hoe lang zult gij, luiaard, nederliggen? Wanneer zult gij van uw slaap opstaan?
מְעַ֣ט שֵׁ֭נוֹת מְעַ֣ט תְּנוּמ֑וֹת מְעַ֓ט חִבֻּ֖ק יָדַ֣יִם לִ/שְׁכָּֽב׀׃
STATEN
Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende;
וּ/בָֽא כִ/מְהַלֵּ֥ךְ רֵאשֶׁ֑/ךָ וּ֝/מַחְסֹֽרְ/ךָ֗ כְּ/אִ֣ישׁ מָגֵֽן־׃פ
STATEN
Zo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man.
אָדָ֣ם בְּ֭לִיַּעַל אִ֣ישׁ אָ֑וֶן ה֝וֹלֵ֗ךְ עִקְּשׁ֥וּת פֶּֽה׃
STATEN
Een Belialsmens, een ondeugdzaam man gaat met verkeerdheid des monds om;