KETUVIM

Spreuken 1

מִשְׁלֵי
Hoofdstukken (31)
12345678910111213141516171819202122232425262728293031
Getuigen
Interlinear
1
מִ֭שְׁלֵי שְׁלֹמֹ֣ה בֶן דָּוִ֑ד מֶ֝֗לֶךְ יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

De spreuken van Sálomo, den zoon van David, den koning van Israël,

2
לָ/דַ֣עַת חָכְמָ֣ה וּ/מוּסָ֑ר לְ֝/הָבִ֗ין אִמְרֵ֥י בִינָֽה
STATEN

Om wijsheid en tucht te weten; om te verstaan redenen des verstands;

3
לָ֭/קַחַת מוּסַ֣ר הַשְׂכֵּ֑ל צֶ֥דֶק וּ֝/מִשְׁפָּ֗ט וּ/מֵישָׁרִֽים
STATEN

Om aan te nemen onderwijs van goed verstand, gerechtigheid, en recht, en billijkheden;

4
לָ/תֵ֣ת לִ/פְתָאיִ֣ם עָרְמָ֑ה לְ֝/נַ֗עַר דַּ֣עַת וּ/מְזִמָּֽה
STATEN

Om den slechten kloekzinnigheid te geven, den jongeling wetenschap en bedachtzaamheid.

5
יִשְׁמַ֣ע חָ֭כָם וְ/י֣וֹסֶף לֶ֑קַח וְ֝/נָב֗וֹן תַּחְבֻּל֥וֹת יִקְנֶֽה
STATEN

Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen;

6
לְ/הָבִ֣ין מָ֭שָׁל וּ/מְלִיצָ֑ה דִּבְרֵ֥י חֲ֝כָמִ֗ים וְ/חִידֹתָֽ/ם
STATEN

Om te verstaan een spreuk en de uitlegging, de woorden der wijzen en hun raadselen.

7
יִרְאַ֣ת יְ֭הוָה רֵאשִׁ֣ית דָּ֑עַת חָכְמָ֥ה וּ֝/מוּסָ֗ר אֱוִילִ֥ים בָּֽזוּ
STATEN

De vrees des HEEREN is het beginsel der wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht.

8
שְׁמַ֣ע בְּ֭נִ/י מוּסַ֣ר אָבִ֑י/ךָ וְ/אַל תִּ֝טֹּ֗שׁ תּוֹרַ֥ת אִמֶּֽ/ךָ
STATEN

Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet;

9
כִּ֤י לִוְיַ֤ת חֵ֓ן הֵ֬ם לְ/רֹאשֶׁ֑/ךָ וַ֝/עֲנָקִ֗ים לְ/גַרְגְּרֹתֶֽי/ךָ
STATEN

Want zij zullen uw hoofd een aangenaam toevoegsel zijn, en ketenen aan uw hals.

10
בְּנִ֡/י אִם יְפַתּ֥וּ/ךָ חַ֝טָּאִ֗ים אַל תֹּבֵֽא
STATEN

Mijn zoon! indien de zondaars u aanlokken, bewillig niet;

11
אִם יֹאמְרוּ֮ לְכָ֪/ה אִ֫תָּ֥/נוּ נֶאֶרְבָ֥ה לְ/דָ֑ם נִצְפְּנָ֖ה לְ/נָקִ֣י חִנָּֽם
STATEN

Indien zij zeggen: Ga met ons, laat ons loeren op bloed, ons versteken tegen den onschuldige, zonder oorzaak;

12
נִ֭בְלָעֵ/ם כִּ/שְׁא֣וֹל חַיִּ֑ים וּ֝/תְמִימִ֗ים כְּ/י֣וֹרְדֵי בֽוֹר
STATEN

Laat ons hen levend verslinden, als het graf; ja, geheel en al, gelijk die in den kuil nederdalen;

13
כָּל ה֣וֹן יָקָ֣ר נִמְצָ֑א נְמַלֵּ֖א בָתֵּ֣י/נוּ שָׁלָֽל
STATEN

Alle kostelijk goed zullen wij vinden, onze huizen zullen wij met roof vullen.

14
גּ֭וֹרָ֣לְ/ךָ תַּפִּ֣יל בְּ/תוֹכֵ֑/נוּ כִּ֥יס אֶ֝חָ֗ד יִהְיֶ֥ה לְ/כֻלָּֽ/נוּ
STATEN

Gij zult uw lot midden onder ons werpen; wij zullen allen een buidel hebben.

15
בְּנִ֗/י אַל תֵּלֵ֣ךְ בְּ/דֶ֣רֶךְ אִתָּ֑/ם מְנַ֥ע רַ֝גְלְ/ךָ֗ מִ/נְּתִיבָתָֽ/ם
STATEN

Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.

16
כִּ֣י רַ֭גְלֵי/הֶם לָ/רַ֣ע יָר֑וּצוּ וִֽ֝/ימַהֲר֗וּ לִ/שְׁפָּךְ דָּֽם
STATEN

Want hun voeten lopen ten boze; en zij haasten zich om bloed te storten.

17
כִּֽי חִ֭נָּם מְזֹרָ֣ה הָ/רָ֑שֶׁת בְּ֝/עֵינֵ֗י כָל בַּ֥עַל כָּנָֽף
STATEN

Zekerlijk, het net wordt tevergeefs gespreid voor de ogen van allerlei gevogelte;

18
וְ֭/הֵם לְ/דָמָ֣/ם יֶאֱרֹ֑בוּ יִ֝צְפְּנ֗וּ לְ/נַפְשֹׁתָֽ/ם
STATEN

En deze loeren op hun eigen bloed, en versteken zich tegen hun zielen.

19
כֵּ֗ן אָ֭רְחוֹת כָּל בֹּ֣צֵֽעַ בָּ֑צַע אֶת נֶ֖פֶשׁ בְּעָלָ֣י/ו יִקָּֽח
STATEN

Zo zijn de paden van een iegelijk, die gierigheid pleegt; zij zal de ziel van haar meester vangen.

20
חָ֭כְמוֹת בַּ/ח֣וּץ תָּרֹ֑נָּה בָּ֝/רְחֹב֗וֹת תִּתֵּ֥ן קוֹלָֽ/הּ
STATEN

De opperste Wijsheid roept overluid daar buiten; Zij verheft Haar stem op de straten.

21
בְּ/רֹ֥אשׁ הֹמִיּ֗וֹת תִּ֫קְרָ֥א בְּ/פִתְחֵ֖י שְׁעָרִ֥ים בָּ/עִ֗יר אֲמָרֶ֥י/הָ תֹאמֵֽר
STATEN

Zij roept in het voorste der woelingen; aan de deuren der poorten spreekt Zij Haar redenen in de stad;

22
עַד מָתַ֣י פְּתָיִם֮ תְּֽאֵהֲב֫וּ פֶ֥תִי וְ/לֵצִ֗ים לָ֭צוֹן חָמְד֣וּ לָ/הֶ֑ם וּ֝/כְסִילִ֗ים יִשְׂנְאוּ דָֽעַת
STATEN

Gij slechten! hoe lang zult gij de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten?

23
תָּשׁ֗וּבוּ לְֽ/ת֫וֹכַחְתִּ֥/י הִנֵּ֤ה אַבִּ֣יעָה לָ/כֶ֣ם רוּחִ֑/י אוֹדִ֖יעָה דְבָרַ֣/י אֶתְ/כֶֽם
STATEN

Keert u tot Mijn bestraffing; ziet, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekend maken.

24
יַ֣עַן קָ֭רָאתִי וַ/תְּמָאֵ֑נוּ נָטִ֥יתִי יָ֝דִ֗/י וְ/אֵ֣ין מַקְשִֽׁיב
STATEN

Dewijl Ik geroepen heb, en gijlieden geweigerd hebt; Mijn hand uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte;

25
וַ/תִּפְרְע֥וּ כָל עֲצָתִ֑/י וְ֝/תוֹכַחְתִּ֗/י לֹ֣א אֲבִיתֶֽם
STATEN

En gij al Mijn raad verworpen, en Mijn bestraffing niet gewild hebt;

26
גַּם אֲ֭נִי בְּ/אֵידְ/כֶ֣ם אֶשְׂחָ֑ק אֶ֝לְעַ֗ג בְּ/בֹ֣א פַחְדְּ/כֶֽם
STATEN

Zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen; Ik zal spotten, wanneer uw vreze komt.

27
בְּ/בֹ֤א כ/שאוה פַּחְדְּ/כֶ֗ם וְֽ֭/אֵידְ/כֶם כְּ/סוּפָ֣ה יֶאֱתֶ֑ה בְּ/בֹ֥א עֲ֝לֵי/כֶ֗ם צָרָ֥ה וְ/צוּקָֽה כְ/שׁוֹאָ֨ה
STATEN

Wanneer uw vreze komt gelijk een verwoesting, en uw verderf aankomt als een wervelwind; wanneer u benauwdheid en angst overkomt;

28
אָ֣ז יִ֭קְרָאֻ/נְנִי וְ/לֹ֣א אֶֽעֱנֶ֑ה יְ֝שַׁחֲרֻ֗/נְנִי וְ/לֹ֣א יִמְצָאֻֽ/נְנִי
STATEN

Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij zullen Mij vroeg zoeken, maar zullen Mij niet vinden;

29
תַּ֭חַת כִּי שָׂ֣נְאוּ דָ֑עַת וְ/יִרְאַ֥ת יְ֝הֹוָ֗ה לֹ֣א בָחָֽרוּ
STATEN

Daarom, dat zij de wetenschap gehaat hebben, en de vreze des HEEREN niet hebben verkoren.

30
לֹא אָב֥וּ לַ/עֲצָתִ֑/י נָ֝אֲצ֗וּ כָּל תּוֹכַחְתִּֽ/י
STATEN

Zij hebben in Mijn raad niet bewilligd; al Mijn bestraffingen hebben zij versmaad;

31
וְֽ֭/יֹאכְלוּ מִ/פְּרִ֣י דַרְכָּ֑/ם וּֽ/מִ/מֹּעֲצֹ֖תֵי/הֶ֣ם יִשְׂבָּֽעוּ
STATEN

Zo zullen zij eten van de vrucht van hun weg, en zich verzadigen met hun raadslagen.

32
כִּ֤י מְשׁוּבַ֣ת פְּתָיִ֣ם תַּֽהַרְגֵ֑/ם וְ/שַׁלְוַ֖ת כְּסִילִ֣ים תְּאַבְּדֵֽ/ם
STATEN

Want de afkering der slechten zal hen doden, en de voorspoed der zotten zal hen verderven.

33
וְ/שֹׁמֵ֣עַֽ לִ֭/י יִשְׁכָּן בֶּ֑טַח וְ֝/שַׁאֲנַ֗ן מִ/פַּ֥חַד רָעָֽה
STATEN

Maar die naar Mij hoort, zal zeker wonen, en hij zal gerust zijn van de vreze des kwaads.