KETUVIM

Spreuken 2

מִשְׁלֵי
Hoofdstukken (31)
12345678910111213141516171819202122232425262728293031
Getuigen
Interlineair
1
בְּ֭נִ/י אִם תִּקַּ֣ח אֲמָרָ֑/י וּ֝/מִצְוֺתַ֗/י תִּצְפֹּ֥ן אִתָּֽ/ךְ
STATEN

Mijn zoon! zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt;

2
לְ/הַקְשִׁ֣יב לַֽ/חָכְמָ֣ה אָזְנֶ֑/ךָ תַּטֶּ֥ה לִ֝בְּ/ךָ֗ לַ/תְּבוּנָֽה
STATEN

Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo gij uw hart tot verstandigheid neigt;

3
כִּ֤י אִ֣ם לַ/בִּינָ֣ה תִקְרָ֑א לַ֝/תְּבוּנָ֗ה תִּתֵּ֥ן קוֹלֶֽ/ךָ
STATEN

Ja, zo gij tot het verstand roept, uw stem verheft tot de verstandigheid;

4
אִם תְּבַקְשֶׁ֥/נָּה כַ/כָּ֑סֶף וְֽ/כַ/מַּטְמוֹנִ֥ים תַּחְפְּשֶֽׂ/נָּה
STATEN

Zo gij haar zoekt als zilver, en naspeurt als verborgen schatten;

5
אָ֗ז תָּ֭בִין יִרְאַ֣ת יְהוָ֑ה וְ/דַ֖עַת אֱלֹהִ֣ים תִּמְצָֽא
STATEN

Dan zult gij de vreze des HEEREN verstaan, en zult de kennis van God vinden.

6
כִּֽי יְ֭הוָה יִתֵּ֣ן חָכְמָ֑ה מִ֝/פִּ֗י/ו דַּ֣עַת וּ/תְבוּנָֽה
STATEN

Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand.

7
ו/צפן לַ֭/יְשָׁרִים תּוּשִׁיָּ֑ה מָ֝גֵ֗ן לְ/הֹ֣לְכֵי תֹֽם יִצְפֹּ֣ן
STATEN

Hij legt weg voor de oprechten een bestendig wezen; Hij is een Schild dengenen, die oprechtelijk wandelen;

8
לִ֭/נְצֹר אָרְח֣וֹת מִשְׁפָּ֑ט וְ/דֶ֖רֶךְ חסיד/ו יִשְׁמֹֽר חֲסִידָ֣י/ו
STATEN

Opdat zij de paden des rechts houden; en Hij zal den weg Zijner gunstgenoten bewaren.

9
אָ֗ז תָּ֭בִין צֶ֣דֶק וּ/מִשְׁפָּ֑ט וּ֝/מֵישָׁרִ֗ים כָּל מַעְגַּל טֽוֹב
STATEN

Dan zult gij verstaan gerechtigheid, en recht, en billijkheden, en alle goede pad.

10
כִּֽי תָב֣וֹא חָכְמָ֣ה בְ/לִבֶּ֑/ךָ וְ֝/דַ֗עַת לְֽ/נַפְשְׁ/ךָ֥ יִנְעָֽם
STATEN

Als de wijsheid in uw hart zal gekomen zijn, en de wetenschap voor uw ziel zal liefelijk zijn;

11
מְ֭זִמָּה תִּשְׁמֹ֥ר עָלֶ֗י/ךָ תְּבוּנָ֥ה תִנְצְרֶֽ/כָּה
STATEN

Zo zal de bedachtzaamheid over u de wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden;

12
לְ֭/הַצִּ֣ילְ/ךָ מִ/דֶּ֣רֶךְ רָ֑ע מֵ֝/אִ֗ישׁ מְדַבֵּ֥ר תַּהְפֻּכֽוֹת
STATEN

Om u te redden van den kwaden weg, van den man, die verkeerdheden spreekt;

13
הַ֭/עֹ֣זְבִים אָרְח֣וֹת יֹ֑שֶׁר לָ֝/לֶ֗כֶת בְּ/דַרְכֵי חֹֽשֶׁךְ
STATEN

Van degenen, die de paden der oprechtheid verlaten, om te gaan in de wegen der duisternis;

14
הַ֭/שְּׂמֵחִים לַ/עֲשׂ֥וֹת רָ֑ע יָ֝גִ֗ילוּ בְּֽ/תַהְפֻּכ֥וֹת רָֽע
STATEN

Die blijde zijn in het kwaad doen, zich verheugen in de verkeerdheden des kwaden;

15
אֲשֶׁ֣ר אָרְחֹתֵי/הֶ֣ם עִקְּשִׁ֑ים וּ֝/נְלוֹזִ֗ים בְּ/מַעְגְּלוֹתָֽ/ם
STATEN

Welker paden verkeerd zijn, en afwijkende in hun sporen;

16
לְ֭/הַצִּ֣ילְ/ךָ מֵ/אִשָּׁ֣ה זָרָ֑ה מִ֝/נָּכְרִיָּ֗ה אֲמָרֶ֥י/הָ הֶחֱלִֽיקָה
STATEN

Om u te redden van de vreemde vrouw, van de onbekende, die met haar redenen vleit;

17
הַ֭/עֹזֶבֶת אַלּ֣וּף נְעוּרֶ֑י/הָ וְ/אֶת בְּרִ֖ית אֱלֹהֶ֣י/הָ שָׁכֵֽחָה
STATEN

Die den leidsman harer jonkheid verlaat, en het verbond haars Gods vergeet;

18
כִּ֤י שָׁ֣חָה אֶל מָ֣וֶת בֵּיתָ֑/הּ וְ/אֶל רְ֝פָאִ֗ים מַעְגְּלֹתֶֽי/הָ
STATEN

Want haar huis helt naar den dood, en haar paden naar de overledenen.

19
כָּל בָּ֭אֶי/הָ לֹ֣א יְשׁוּב֑וּ/ן וְ/לֹֽא יַ֝שִּׂ֗יגוּ אָרְח֥וֹת חַיִּֽים
STATEN

Allen die tot haar ingaan, zullen niet wederkomen, en zullen de paden des levens niet aantreffen;

20
לְמַ֗עַן תֵּ֭לֵךְ בְּ/דֶ֣רֶךְ טוֹבִ֑ים וְ/אָרְח֖וֹת צַדִּיקִ֣ים תִּשְׁמֹֽר
STATEN

Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.

21
כִּֽי יְשָׁרִ֥ים יִשְׁכְּנוּ אָ֑רֶץ וּ֝/תְמִימִ֗ים יִוָּ֥תְרוּ בָֽ/הּ
STATEN

Want de vromen zullen de aarde bewonen, en de oprechten zullen daarin overblijven;

22
וּ֭/רְשָׁעִים מֵ/אֶ֣רֶץ יִכָּרֵ֑תוּ וּ֝/בוֹגְדִ֗ים יִסְּח֥וּ מִמֶּֽ/נָּה
STATEN

Maar de goddelozen zullen van de aarde uitgeroeid worden, en de trouwelozen zullen er van uitgerukt worden.