KETUVIM

Spreuken 16

מִשְׁלֵי
Hoofdstukken (31)
12345678910111213141516171819202122232425262728293031
Getuigen
Interlineair
1
לְ/אָדָ֥ם מַֽעַרְכֵי לֵ֑ב וּ֝/מֵ/יְהוָ֗ה מַעֲנֵ֥ה לָשֽׁוֹן
STATEN

De mens heeft schikkingen des harten; maar het antwoord der tong is van den HEERE.

2
כָּֽל דַּרְכֵי אִ֭ישׁ זַ֣ךְ בְּ/עֵינָ֑י/ו וְ/תֹכֵ֖ן רוּח֣וֹת יְהוָֽה
STATEN

Alle wegen des mans zijn zuiver in zijn ogen; maar de HEERE weegt de geesten.

3
גֹּ֣ל אֶל יְהוָ֣ה מַעֲשֶׂ֑י/ךָ וְ֝/יִכֹּ֗נוּ מַחְשְׁבֹתֶֽי/ךָ
STATEN

Wentel uw werken op den HEERE, en uw gedachten zullen bevestigd worden.

4
כֹּ֤ל פָּעַ֣ל יְ֭הוָה לַֽ/מַּעֲנֵ֑/הוּ וְ/גַם רָ֝שָׁ֗ע לְ/י֣וֹם רָעָֽה
STATEN

De HEERE heeft alles gewrocht om Zijns Zelfs wil; ja, ook den goddeloze tot den dag des kwaads.

5
תּוֹעֲבַ֣ת יְ֭הוָה כָּל גְּבַהּ לֵ֑ב יָ֥ד לְ֝/יָ֗ד לֹ֣א יִנָּקֶֽה
STATEN

Al wie hoog is van hart, is den HEERE een gruwel; hand aan hand, zal hij niet onschuldig zijn.

6
בְּ/חֶ֣סֶד וֶ֭/אֱמֶת יְכֻפַּ֣ר עָוֺ֑ן וּ/בְ/יִרְאַ֥ת יְ֝הוָ֗ה ס֣וּר מֵ/רָֽע
STATEN

Door goedertierenheid en trouw wordt de misdaad verzoend; en door de vreze des HEEREN wijkt men af van het kwade.

7
בִּ/רְצ֣וֹת יְ֭הוָה דַּרְכֵי אִ֑ישׁ גַּם א֝וֹיְבָ֗י/ו יַשְׁלִ֥ם אִתּֽ/וֹ
STATEN

Als iemands wegen den HEERE behagen, zo zal Hij ook zijn vijanden met hem bevredigen.

8
טוֹב מְ֭עַט בִּ/צְדָקָ֑ה מֵ/רֹ֥ב תְּ֝בוּא֗וֹת בְּ/לֹ֣א מִשְׁפָּֽט
STATEN

Beter is een weinig met gerechtigheid, dan de veelheid der inkomsten zonder recht.

9
לֵ֣ב אָ֭דָם יְחַשֵּׁ֣ב דַּרְכּ֑/וֹ וַֽ֝/יהוָ֗ה יָכִ֥ין צַעֲדֽ/וֹ
STATEN

Het hart des mensen overdenkt zijn weg; maar de HEERE stiert zijn gang.

10
קֶ֤סֶם עַֽל שִׂפְתֵי מֶ֑לֶךְ בְּ֝/מִשְׁפָּ֗ט לֹ֣א יִמְעַל פִּֽי/ו
STATEN

Waarzegging is op de lippen des konings; zijn mond zal niet overtreden in het gericht.

11
פֶּ֤לֶס וּ/מֹאזְנֵ֣י מִ֭שְׁפָּט לַֽ/יהוָ֑ה מַ֝עֲשֵׂ֗/הוּ כָּל אַבְנֵי כִֽיס
STATEN

Een rechte waag en weegschaal zijn des HEEREN; alle weegstenen des zaks zijn Zijn werk.

12
תּוֹעֲבַ֣ת מְ֭לָכִים עֲשׂ֣וֹת רֶ֑שַׁע כִּ֥י בִ֝/צְדָקָ֗ה יִכּ֥וֹן כִּסֵּֽא
STATEN

Het is der koningen gruwel goddeloosheid te doen; want door gerechtigheid wordt de troon bevestigd.

13
רְצ֣וֹן מְ֭לָכִים שִׂפְתֵי צֶ֑דֶק וְ/דֹבֵ֖ר יְשָׁרִ֣ים יֶאֱהָֽב
STATEN

De lippen der gerechtigheid zijn het welgevallen der koningen; en elkeen van hen zal liefhebben dien, die rechte dingen spreekt.

14
חֲמַת מֶ֥לֶךְ מַלְאֲכֵי מָ֑וֶת וְ/אִ֖ישׁ חָכָ֣ם יְכַפְּרֶֽ/נָּה
STATEN

De grimmigheid des konings is als de boden des doods; maar een wijs man zal die verzoenen.

15
בְּ/אוֹר פְּנֵי מֶ֥לֶךְ חַיִּ֑ים וּ֝/רְצוֹנ֗/וֹ כְּ/עָ֣ב מַלְקֽוֹשׁ
STATEN

In het licht van des konings aangezicht is leven; en zijn welgevallen is als een wolk des spaden regens.

16
קְֽנֹה חָכְמָ֗ה מַה טּ֥וֹב מֵ/חָר֑וּץ וּ/קְנ֥וֹת בִּ֝ינָ֗ה נִבְחָ֥ר מִ/כָּֽסֶף
STATEN

Hoeveel beter is het wijsheid te bekomen, dan uitgegraven goud, en uitnemender, verstand te bekomen, dan zilver!

17
מְסִלַּ֣ת יְ֭שָׁרִים ס֣וּר מֵ/רָ֑ע שֹׁמֵ֥ר נַ֝פְשׁ֗/וֹ נֹצֵ֥ר דַּרְכּֽ/וֹ
STATEN

De baan der oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijn ziel, die zijn weg bewaart.

18
לִ/פְנֵי שֶׁ֥בֶר גָּא֑וֹן וְ/לִ/פְנֵ֥י כִ֝שָּׁל֗וֹן גֹּ֣בַהּ רֽוּחַ
STATEN

Hovaardigheid is vóór de verbreking, en hoogheid des geestes vóór den val.

19
ט֣וֹב שְׁפַל ר֭וּחַ אֶת עניים מֵֽ/חַלֵּ֥ק שָׁ֝לָ֗ל אֶת גֵּאִֽים עֲנָוִ֑ים
STATEN

Het is beter nederig van geest te zijn met de zachtmoedigen, dan roof te delen met de hovaardigen.

20
מַשְׂכִּ֣יל עַל דָּ֭בָר יִמְצָא ט֑וֹב וּ/בוֹטֵ֖חַ בַּ/יהוָ֣ה אַשְׁרָֽי/ו
STATEN

Die op het woord verstandelijk let, zal het goede vinden; en die op den HEERE vertrouwt, is welgelukzalig.

21
לַ/חֲכַם לֵ֭ב יִקָּרֵ֣א נָב֑וֹן וּ/מֶ֥תֶק שְׂ֝פָתַ֗יִם יֹסִ֥יף לֶֽקַח
STATEN

De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid der lippen zal de lering vermeerderen.

22
מְק֣וֹר חַ֭יִּים שֵׂ֣כֶל בְּעָלָ֑י/ו וּ/מוּסַ֖ר אֱוִלִ֣ים אִוֶּֽלֶת
STATEN

Het verstand dergenen, die het bezitten, is een springader des levens; maar de tucht der dwazen is dwaasheid.

23
לֵ֣ב חָ֭כָם יַשְׂכִּ֣יל פִּ֑י/הוּ וְ/עַל שְׂ֝פָתָ֗י/ו יֹסִ֥יף לֶֽקַח
STATEN

Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.

24
צוּף דְּ֭בַשׁ אִמְרֵי נֹ֑עַם מָת֥וֹק לַ֝/נֶּפֶשׁ וּ/מַרְפֵּ֥א לָ/עָֽצֶם
STATEN

Liefelijke redenen zijn een honigraat, zoet voor de ziel, en medicijn voor het gebeente.

25
יֵ֤שׁ דֶּ֣רֶךְ יָ֭שָׁר לִ/פְנֵי אִ֑ישׁ וְ֝/אַחֲרִיתָ֗/הּ דַּרְכֵי מָֽוֶת
STATEN

Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.

26
נֶ֣פֶשׁ עָ֭מֵל עָ֣מְלָה לּ֑/וֹ כִּֽי אָכַ֖ף עָלָ֣י/ו פִּֽי/הוּ
STATEN

De ziel des arbeidzamen arbeidt voor zichzelven; want zijn mond buigt zich voor hem.

27
אִ֣ישׁ בְּ֭לִיַּעַל כֹּרֶ֣ה רָעָ֑ה וְ/עַל שפתי/ו כְּ/אֵ֣שׁ צָרָֽבֶת שְׂ֝פָת֗/וֹ
STATEN

Een Belialsman graaft kwaad; en op zijn lippen is als brandend vuur.

28
אִ֣ישׁ תַּ֭הְפֻּכוֹת יְשַׁלַּ֣ח מָד֑וֹן וְ֝/נִרְגָּ֗ מַפְרִ֥יד אַלּֽוּף
STATEN

Een verkeerd man zal krakeel inwerpen; en een oorblazer scheidt den voornaamsten vriend.

29
אִ֣ישׁ חָ֭מָס יְפַתֶּ֣ה רֵעֵ֑/הוּ וְ֝/הוֹלִיכ֗/וֹ בְּ/דֶ֣רֶךְ לֹא טֽוֹב
STATEN

Een man des gewelds verlokt zijn naaste, en hij leidt hem in een weg, die niet goed is.

30
עֹצֶ֣ה עֵ֭ינָי/ו לַ/חְשֹׁ֣ב תַּהְפֻּכ֑וֹת קֹרֵ֥ץ שְׂ֝פָתָ֗י/ו כִּלָּ֥ה רָעָֽה
STATEN

Hij sluit zijn ogen, om verkeerdheden te bedenken; zijn lippen bijtende, volbrengt hij het kwaad.

31
עֲטֶ֣רֶת תִּפְאֶ֣רֶת שֵׂיבָ֑ה בְּ/דֶ֥רֶךְ צְ֝דָקָ֗ה תִּמָּצֵֽא
STATEN

De grijsheid is een sierlijke kroon; zij wordt op den weg der gerechtigheid gevonden.

32
ט֤וֹב אֶ֣רֶךְ אַ֭פַּיִם מִ/גִּבּ֑וֹר וּ/מֹשֵׁ֥ל בְּ֝/רוּח֗/וֹ מִ/לֹּכֵ֥ד עִֽיר
STATEN

De lankmoedige is beter dan de sterke; en die heerst over zijn geest, dan die een stad inneemt.

33
בַּ֭/חֵיק יוּטַ֣ל אֶת הַ/גּוֹרָ֑ל וּ֝/מֵ/יְהוָ֗ה כָּל מִשְׁפָּטֽ/וֹ
STATEN

Het lot wordt in den schoot geworpen; maar het gehele beleid daarvan is van den HEERE.