KETUVIM

Spreuken 19

מִשְׁלֵי
Hoofdstukken (31)
12345678910111213141516171819202122232425262728293031
Getuigen
Interlineair
1
טֽוֹב רָ֭שׁ הוֹלֵ֣ךְ בְּ/תֻמּ֑/וֹ מֵ/עִקֵּ֥שׁ שְׂ֝פָתָ֗י/ו וְ/ה֣וּא כְסִֽיל
STATEN

De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.

2
גַּ֤ם בְּ/לֹא דַ֣עַת נֶ֣פֶשׁ לֹא ט֑וֹב וְ/אָ֖ץ בְּ/רַגְלַ֣יִם חוֹטֵֽא
STATEN

Ook is de ziel zonder wetenschap niet goed; en die met de voeten haastig is, zondigt.

3
אִוֶּ֣לֶת אָ֭דָם תְּסַלֵּ֣ף דַּרְכּ֑/וֹ וְ/עַל יְ֝הוָ֗ה יִזְעַ֥ף לִבּֽ/וֹ
STATEN

De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.

4
ה֗וֹן יֹ֭סִיף רֵעִ֣ים רַבִּ֑ים וְ֝/דָ֗ל מֵרֵ֥ע/הוּ יִפָּרֵֽד
STATEN

Het goed brengt veel vrienden toe; maar de arme wordt van zijn vriend gescheiden.

5
עֵ֣ד שְׁ֭קָרִים לֹ֣א יִנָּקֶ֑ה וְ/יָפִ֥יחַ כְּ֝זָבִ֗ים לֹ֣א יִמָּלֵֽט
STATEN

Een vals getuige zal niet onschuldig zijn; en die leugenen blaast, zal niet ontkomen.

6
רַ֭בִּים יְחַלּ֣וּ פְנֵֽי נָדִ֑יב וְ/כָל הָ֝/רֵ֗עַ לְ/אִ֣ישׁ מַתָּֽן
STATEN

Velen smeken het aangezicht des prinsen; en een ieder is een vriend desgenen, die giften geeft.

7
כָּ֥ל אֲחֵי רָ֨שׁ שְֽׂנֵאֻ֗/הוּ אַ֤ף כִּ֣י מְ֭רֵעֵ/הוּ רָחֲק֣וּ מִמֶּ֑/נּוּ מְרַדֵּ֖ף אֲמָרִ֣ים לא הֵֽמָּה ל/וֹ
STATEN

Al de broeders des armen haten hem; hoeveel te meer gaan zijn vrienden verre van hem! Hij loopt hen na met woorden, die niets zijn.

8
קֹֽנֶה לֵּ֭ב אֹהֵ֣ב נַפְשׁ֑/וֹ שֹׁמֵ֥ר תְּ֝בוּנָ֗ה לִ/מְצֹא טֽוֹב
STATEN

Die verstand bekomt, heeft zijn ziel lief; hij neemt de verstandigheid waar, om het goede te vinden.

9
עֵ֣ד שְׁ֭קָרִים לֹ֣א יִנָּקֶ֑ה וְ/יָפִ֖יחַ כְּזָבִ֣ים יֹאבֵֽד
STATEN

Een vals getuige zal niet onschuldig zijn; en die leugenen blaast, zal vergaan.

10
לֹֽא נָאוֶ֣ה לִ/כְסִ֣יל תַּעֲנ֑וּג אַ֝֗ף כִּֽי לְ/עֶ֤בֶד מְשֹׁ֬ל בְּ/שָׂרִֽים
STATEN

De weelde staat een zot niet wel; hoeveel te min een knecht te heersen over vorsten!

11
שֵׂ֣כֶל אָ֭דָם הֶאֱרִ֣יךְ אַפּ֑/וֹ וְ֝/תִפאַרְתּ֗/וֹ עֲבֹ֣ר עַל פָּֽשַׁע
STATEN

Het verstand des mensen vertrekt zijn toorn; en zijn sieraad is de overtreding voorbij te gaan.

12
נַ֣הַם כַּ֭/כְּפִיר זַ֣עַף מֶ֑לֶךְ וּ/כְ/טַ֖ל עַל עֵ֣שֶׂב רְצוֹנֽ/וֹ
STATEN

Des konings gramschap is als het brullen eens jongen leeuws; maar zijn welgevallen is als dauw op het kruid.

13
הַוֺּ֣ת לְ֭/אָבִי/ו בֵּ֣ן כְּסִ֑יל וְ/דֶ֥לֶף טֹ֝רֵ֗ד מִדְיְנֵ֥י אִשָּֽׁה
STATEN

Een zotte zoon is zijn vader grote ellende; en de kijvingen ener vrouw als een gestadig druipen.

14
בַּ֣יִת וָ֭/הוֹן נַחֲלַ֣ת אָב֑וֹת וּ֝/מֵ/יְהוָ֗ה אִשָּׁ֥ה מַשְׂכָּֽלֶת
STATEN

Huis en goed is een erve van de vaderen; maar een verstandige vrouw is van den HEERE.

15
עַ֭צְלָה תַּפִּ֣יל תַּרְדֵּמָ֑ה וְ/נֶ֖פֶשׁ רְמִיָּ֣ה תִרְעָֽב
STATEN

Luiheid doet in diepen slaap vallen; en een bedriegelijke ziel zal hongeren.

16
שֹׁמֵ֣ר מִ֭צְוָה שֹׁמֵ֣ר נַפְשׁ֑/וֹ בּוֹזֵ֖ה דְרָכָ֣י/ו יומת יָמֽוּת
STATEN

Die het gebod bewaart, bewaart zijn ziel; die zijn wegen veracht, zal sterven.

17
מַלְוֵ֣ה יְ֭הוָה ח֣וֹנֵֽן דָּ֑ל וּ֝/גְמֻל֗/וֹ יְשַׁלֶּם לֽ/וֹ
STATEN

Die zich des armen ontfermt, leent den HEERE, en Hij zal hem zijn weldaad vergelden.

18
יַסֵּ֣ר בִּ֭נְ/ךָ כִּי יֵ֣שׁ תִּקְוָ֑ה וְ/אֶל הֲ֝מִית֗/וֹ אַל תִּשָּׂ֥א נַפְשֶֽׁ/ךָ
STATEN

Tuchtig uw zoon, als er nog hoop is; maar verhef uw ziel niet, om hem te doden.

19
גרל חֵ֭מָה נֹ֣שֵׂא עֹ֑נֶשׁ כִּ֥י אִם תַּ֝צִּ֗יל וְ/ע֣וֹד תּוֹסִֽף גְּֽדָל
STATEN

Die groot is van grimmigheid, zal straf dragen; want zo gij hem uitredt, zo zult gij nog moeten voortvaren.

20
שְׁמַ֣ע עֵ֭צָה וְ/קַבֵּ֣ל מוּסָ֑ר לְ֝מַ֗עַן תֶּחְכַּ֥ם בְּ/אַחֲרִיתֶֽ/ךָ
STATEN

Hoor raad, en ontvang tucht, opdat gij in uw laatste wijs zijt.

21
רַבּ֣וֹת מַחֲשָׁב֣וֹת בְּ/לֶב אִ֑ישׁ וַ/עֲצַ֥ת יְ֝הוָ֗ה הִ֣יא תָקֽוּם
STATEN

In het hart des mans zijn veel gedachten; maar de raad des HEEREN, die zal bestaan.

22
תַּאֲוַ֣ת אָדָ֣ם חַסְדּ֑/וֹ וְ/טֽוֹב רָ֝שׁ מֵ/אִ֥ישׁ כָּזָֽב
STATEN

De wens des mensen is zijn weldadigheid; maar de arme is beter dan een leugenachtig man.

23
יִרְאַ֣ת יְהוָ֣ה לְ/חַיִּ֑ים וְ/שָׂבֵ֥עַ יָ֝לִ֗ין בַּל יִפָּ֥קֶד רָֽע
STATEN

De vreze des HEEREN is ten leven; want men zal verzadigd zijnde vernachten; met het kwaad zal men niet bezocht worden.

24
טָ֘מַ֤ן עָצֵ֣ל יָ֭ד/וֹ בַּ/צַּלָּ֑חַת גַּם אֶל פִּ֝֗י/הוּ לֹ֣א יְשִׁיבֶֽ/נָּה
STATEN

Een luiaard verbergt de hand in den boezem, en hij zal ze niet weder aan zijn mond brengen.

25
לֵ֣ץ תַּ֭כֶּה וּ/פֶ֣תִי יַעְרִ֑ם וְ/הוֹכִ֥יחַ לְ֝/נָב֗וֹן יָבִ֥ין דָּֽעַת
STATEN

Sla den spotter, zo zal de slechte kloekzinnig worden; en bestraf den verstandige, hij zal wetenschap begrijpen.

26
מְֽשַׁדֶּד אָ֭ב יַבְרִ֣יחַ אֵ֑ם בֵּ֝֗ן מֵבִ֥ישׁ וּ/מַחְפִּֽיר
STATEN

Wie den vader verwoest, of de moeder verjaagt, is een zoon, die beschaamd maakt, en schande aandoet.

27
חַֽדַל בְּ֭נִ/י לִ/שְׁמֹ֣עַ מוּסָ֑ר לִ֝/שְׁג֗וֹת מֵֽ/אִמְרֵי דָֽעַת
STATEN

Laat af, mijn zoon, horende de tucht, af te dwalen van de redenen der wetenschap.

28
עֵ֣ד בְּ֭לִיַּעַל יָלִ֣יץ מִשְׁפָּ֑ט וּ/פִ֥י רְ֝שָׁעִ֗ים יְבַלַּע אָֽוֶן
STATEN

Een Belialsgetuige bespot het recht; en de mond der goddelozen slokt de ongerechtigheid in.

29
נָכ֣וֹנוּ לַ/לֵּצִ֣ים שְׁפָטִ֑ים וּ֝/מַהֲלֻמ֗וֹת לְ/גֵ֣ו כְּסִילִֽים
STATEN

Gerichten zijn voor de spotters bereid, en slagen voor den rug der zotten.