KETUVIM

Spreuken 5

מִשְׁלֵי
Hoofdstukken (31)
12345678910111213141516171819202122232425262728293031
Getuigen
Interlineair
1
בְּ֭נִ/י לְ/חָכְמָתִ֣/י הַקְשִׁ֑יבָ/ה לִ֝/תְבוּנָתִ֗/י הַט אָזְנֶֽ/ךָ
STATEN

Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;

2
לִ/שְׁמֹ֥ר מְזִמּ֑וֹת וְ֝/דַ֗עַת שְׂפָתֶ֥י/ךָ יִנְצֹֽרוּ
STATEN

Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren.

3
כִּ֤י נֹ֣פֶת תִּ֭טֹּפְנָה שִׂפְתֵ֣י זָרָ֑ה וְ/חָלָ֖ק מִ/שֶּׁ֣מֶן חִכָּֽ/הּ
STATEN

Want de lippen der vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie.

4
וְֽ֭/אַחֲרִיתָ/הּ מָרָ֣ה כַֽ/לַּעֲנָ֑ה חַ֝דָּ֗ה כְּ/חֶ֣רֶב פִּיּֽוֹת
STATEN

Maar het laatste van haar is bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard.

5
רַ֭גְלֶי/הָ יֹרְד֣וֹת מָ֑וֶת שְׁ֝א֗וֹל צְעָדֶ֥י/הָ יִתְמֹֽכוּ
STATEN

Haar voeten dalen naar den dood, haar treden houden de hel vast.

6
אֹ֣רַח חַ֭יִּים פֶּן תְּפַלֵּ֑ס נָע֥וּ מַ֝עְגְּלֹתֶ֗י/הָ לֹ֣א תֵדָֽע
STATEN

Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.

7
וְ/עַתָּ֣ה בָ֭נִים שִׁמְעוּ לִ֑/י וְ/אַל תָּ֝ס֗וּרוּ מֵ/אִמְרֵי פִֽ/י
STATEN

Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.

8
הַרְחֵ֣ק מֵ/עָלֶ֣י/הָ דַרְכֶּ֑/ךָ וְ/אַל תִּ֝קְרַ֗ב אֶל פֶּ֥תַח בֵּיתָֽ/הּ
STATEN

Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis;

9
פֶּן תִּתֵּ֣ן לַ/אֲחֵרִ֣ים הוֹדֶ֑/ךָ וּ֝/שְׁנֹתֶ֗י/ךָ לְ/אַכְזָרִֽי
STATEN

Opdat gij anderen uw eer niet geeft, en uw jaren den wrede;

10
פֶּֽן יִשְׂבְּע֣וּ זָרִ֣ים כֹּחֶ֑/ךָ וַ֝/עֲצָבֶ֗י/ךָ בְּ/בֵ֣ית נָכְרִֽי
STATEN

Opdat de vreemden zich niet verzadigen van uw vermogen, en al uw smartelijke arbeid niet kome in het huis des onbekenden;

11
וְ/נָהַמְתָּ֥ בְ/אַחֲרִיתֶ֑/ךָ בִּ/כְל֥וֹת בְּ֝שָׂרְ/ךָ֗ וּ/שְׁאֵרֶֽ/ךָ
STATEN

En gij in uw laatste brult, als uw vlees, en uw lijf verteerd is;

12
וְֽ/אָמַרְתָּ֗ אֵ֭יךְ שָׂנֵ֣אתִי מוּסָ֑ר וְ֝/תוֹכַ֗חַת נָאַ֥ץ לִבִּֽ/י
STATEN

En zegt: Hoe heb ik de tucht gehaat, en mijn hart de bestraffing versmaad!

13
וְֽ/לֹא שָׁ֭מַעְתִּי בְּ/ק֣וֹל מוֹרָ֑/י וְ֝/לִֽ/מְלַמְּדַ֗/י לֹא הִטִּ֥יתִי אָזְנִֽ/י
STATEN

En heb niet gehoord naar de stem mijner onderwijzers, noch mijn oren geneigd tot mijn leraars!

14
כִּ֭/מְעַט הָיִ֣יתִי בְ/כָל רָ֑ע בְּ/ת֖וֹךְ קָהָ֣ל וְ/עֵדָֽה
STATEN

Ik ben bijna in alle kwaad geweest, in het midden der gemeente en der vergadering!

15
שְׁתֵה מַ֥יִם מִ/בּוֹרֶ֑/ךָ וְ֝/נֹזְלִ֗ים מִ/תּ֥וֹךְ בְּאֵרֶֽ/ךָ
STATEN

Drink water uit uw bak, en vloeden uit het midden van uw bornput;

16
יָפ֣וּצוּ מַעְיְנֹתֶ֣י/ךָ ח֑וּצָ/ה בָּ֝/רְחֹב֗וֹת פַּלְגֵי מָֽיִם
STATEN

Laat uw fonteinen zich buiten verspreiden, en de waterbeken op de straten;

17
יִֽהְיוּ לְ/ךָ֥ לְ/בַדֶּ֑/ךָ וְ/אֵ֖ין לְ/זָרִ֣ים אִתָּֽ/ךְ
STATEN

Laat ze de uwe alleen zijn, en van geen vreemde met u.

18
יְהִֽי מְקוֹרְ/ךָ֥ בָר֑וּךְ וּ֝/שְׂמַ֗ח מֵ/אֵ֥שֶׁת נְעוּרֶֽ/ךָ
STATEN

Uw springader zij gezegend; en verblijd u vanwege de huisvrouw uwer jeugd;

19
אַיֶּ֥לֶת אֲהָבִ֗ים וְֽ/יַעֲלַ֫ת חֵ֥ן דַּ֭דֶּי/הָ יְרַוֻּ֣/ךָ בְ/כָל עֵ֑ת בְּ֝/אַהֲבָתָ֗/הּ תִּשְׁגֶּ֥ה תָמִֽיד
STATEN

Een zeer liefelijke hinde, en een aangenaam steengeitje; laat u haar borsten te allen tijd dronken maken; dool steeds in haar liefde.

20
וְ/לָ֤/מָּה תִשְׁגֶּ֣ה בְנִ֣/י בְ/זָרָ֑ה וּ֝/תְחַבֵּ֗ק חֵ֣ק נָכְרִיָּֽה
STATEN

En waarom zoudt gij, mijn zoon, in een vreemde dolen, en den schoot der onbekende omvangen?

21
כִּ֤י נֹ֨כַח עֵינֵ֣י יְ֭הוָה דַּרְכֵי אִ֑ישׁ וְֽ/כָל מַעְגְּלֹתָ֥י/ו מְפַלֵּֽס
STATEN

Want eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des HEEREN, en Hij weegt al zijne gangen.

22
עַֽווֹנוֹתָ֗י/ו יִלְכְּדֻ/נ֥וֹ אֶת הָ/רָשָׁ֑ע וּ/בְ/חַבְלֵ֥י חַ֝טָּאת֗/וֹ יִתָּמֵֽךְ
STATEN

Den goddeloze zullen zijn ongerechtigheden vangen, en met de banden zijner zonden zal hij vastgehouden worden.

23
ה֗וּא יָ֭מוּת בְּ/אֵ֣ין מוּסָ֑ר וּ/בְ/רֹ֖ב אִוַּלְתּ֣/וֹ יִשְׁגֶּֽה
STATEN

Hij zal sterven, omdat hij zonder tucht geweest is, en in de grootheid zijner dwaasheid zal hij verdwalen.