KETUVIM
Spreuken 5
מִשְׁלֵי
Hoofdstukken (36)← → toetsen
Getuigen
בְּ֭נִ/י לְ/חָכְמָתִ֣/י הַקְשִׁ֑יבָ/ה לִ֝/תְבוּנָתִ֗/י הַט אָזְנֶֽ/ךָ־׃
STATEN
Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;
לִ/שְׁמֹ֥ר מְזִמּ֑וֹת וְ֝/דַ֗עַת שְׂפָתֶ֥י/ךָ יִנְצֹֽרוּ׃
STATEN
Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren.
כִּ֤י נֹ֣פֶת תִּ֭טֹּפְנָה שִׂפְתֵ֣י זָרָ֑ה וְ/חָלָ֖ק מִ/שֶּׁ֣מֶן חִכָּֽ/הּ׃
STATEN
Want de lippen der vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie.
וְֽ֭/אַחֲרִיתָ/הּ מָרָ֣ה כַֽ/לַּעֲנָ֑ה חַ֝דָּ֗ה כְּ/חֶ֣רֶב פִּיּֽוֹת׃
STATEN
Maar het laatste van haar is bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard.
רַ֭גְלֶי/הָ יֹרְד֣וֹת מָ֑וֶת שְׁ֝א֗וֹל צְעָדֶ֥י/הָ יִתְמֹֽכוּ׃
STATEN
Haar voeten dalen naar den dood, haar treden houden de hel vast.
אֹ֣רַח חַ֭יִּים פֶּן תְּפַלֵּ֑ס נָע֥וּ מַ֝עְגְּלֹתֶ֗י/הָ לֹ֣א תֵדָֽע־׃פ
STATEN
Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.
וְ/עַתָּ֣ה בָ֭נִים שִׁמְעוּ לִ֑/י וְ/אַל תָּ֝ס֗וּרוּ מֵ/אִמְרֵי פִֽ/י־־־׃
STATEN
Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.
הַרְחֵ֣ק מֵ/עָלֶ֣י/הָ דַרְכֶּ֑/ךָ וְ/אַל תִּ֝קְרַ֗ב אֶל פֶּ֥תַח בֵּיתָֽ/הּ־־׃
STATEN
Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis;
פֶּן תִּתֵּ֣ן לַ/אֲחֵרִ֣ים הוֹדֶ֑/ךָ וּ֝/שְׁנֹתֶ֗י/ךָ לְ/אַכְזָרִֽי־׃
STATEN
Opdat gij anderen uw eer niet geeft, en uw jaren den wrede;
פֶּֽן יִשְׂבְּע֣וּ זָרִ֣ים כֹּחֶ֑/ךָ וַ֝/עֲצָבֶ֗י/ךָ בְּ/בֵ֣ית נָכְרִֽי־׃
STATEN
Opdat de vreemden zich niet verzadigen van uw vermogen, en al uw smartelijke arbeid niet kome in het huis des onbekenden;
וְ/נָהַמְתָּ֥ בְ/אַחֲרִיתֶ֑/ךָ בִּ/כְל֥וֹת בְּ֝שָׂרְ/ךָ֗ וּ/שְׁאֵרֶֽ/ךָ׃
STATEN
En gij in uw laatste brult, als uw vlees, en uw lijf verteerd is;
וְֽ/אָמַרְתָּ֗ אֵ֭יךְ שָׂנֵ֣אתִי מוּסָ֑ר וְ֝/תוֹכַ֗חַת נָאַ֥ץ לִבִּֽ/י׃
STATEN
En zegt: Hoe heb ik de tucht gehaat, en mijn hart de bestraffing versmaad!