KETUVIM
Spreuken 8
מִשְׁלֵי
Hoofdstukken (36)← → toetsen
Getuigen
הֲ/לֹֽא חָכְמָ֥ה תִקְרָ֑א וּ֝/תְבוּנָ֗ה תִּתֵּ֥ן קוֹלָֽ/הּ־׃
STATEN
Roept de Wijsheid niet, en verheft niet de Verstandigheid Haar stem?
בְּ/רֹאשׁ מְרוֹמִ֥ים עֲלֵי דָ֑רֶךְ בֵּ֖ית נְתִיב֣וֹת נִצָּֽבָה־־׃
STATEN
Op de spits der hoge plaatsen, aan den weg, ter plaatse, waar paden zijn, staat Zij;
לְ/יַד שְׁעָרִ֥ים לְ/פִי קָ֑רֶת מְב֖וֹא פְתָחִ֣ים תָּרֹֽנָּה־־׃
STATEN
Aan de zijde der poorten, voor aan de stad, aan den ingang der deuren roept Zij overluid:
אֲלֵי/כֶ֣ם אִישִׁ֣ים אֶקְרָ֑א וְ֝/קוֹלִ֗/י אֶל בְּנֵ֥י אָדָֽם־׃
STATEN
Tot u, o mannen! roep Ik, en Mijn stem is tot de mensenkinderen.
הָבִ֣ינוּ פְתָאיִ֣ם עָרְמָ֑ה וּ֝/כְסִילִ֗ים הָבִ֥ינוּ לֵֽב׃
STATEN
Gij slechten! verstaat kloekzinnigheid, en gij zotten! verstaat met het hart.
שִׁ֭מְעוּ כִּֽי נְגִידִ֣ים אֲדַבֵּ֑ר וּ/מִפְתַּ֥ח שְׂ֝פָתַ֗/י מֵישָׁרִֽים־׃
STATEN
Hoort, want ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening Mijner lippen zal enkel billijkheid zijn.
כִּֽי אֱ֭מֶת יֶהְגֶּ֣ה חִכִּ֑/י וְ/תוֹעֲבַ֖ת שְׂפָתַ֣/י רֶֽשַׁע־׃
STATEN
Want Mijn gehemelte zal de waarheid bedachtelijk uitspreken, en de goddeloosheid is Mijn lippen een gruwel.
בְּ/צֶ֥דֶק כָּל אִמְרֵי פִ֑/י אֵ֥ין בָּ֝/הֶ֗ם נִפְתָּ֥ל וְ/עִקֵּֽשׁ־־׃
STATEN
Al de redenen Mijns monds zijn in gerechtigheid; er is niets verdraaids, noch verkeerds in.
כֻּלָּ֣/ם נְ֭כֹחִים לַ/מֵּבִ֑ין וִֽ֝/ישָׁרִ֗ים לְ/מֹ֣צְאֵי דָֽעַת׃
STATEN
Zij zijn alle recht voor dengene, die verstandig is, en rechtmatig voor degenen, die wetenschap vinden.
קְחֽוּ מוּסָרִ֥/י וְ/אַל כָּ֑סֶף וְ֝/דַ֗עַת מֵ/חָר֥וּץ נִבְחָֽר־־׃
STATEN
Neemt Mijn tucht aan, en niet zilver, en wetenschap, meer dan het uitgelezen uitgegraven goud.
כִּֽי טוֹבָ֣ה חָ֭כְמָה מִ/פְּנִינִ֑ים וְ/כָל חֲ֝פָצִ֗ים לֹ֣א יִֽשְׁווּ בָֽ/הּ־־־׃
STATEN
Want wijsheid is beter dan robijnen, en al wat men begeren mag, is met haar niet te vergelijken.
אֲֽנִי חָ֭כְמָה שָׁכַ֣נְתִּי עָרְמָ֑ה וְ/דַ֖עַת מְזִמּ֣וֹת אֶמְצָֽא־׃
STATEN
Ik, Wijsheid, woon bij de kloekzinnigheid, en vinde de kennis van alle bedachtzaamheid.