KETUVIM
Spreuken 21
מִשְׁלֵי
Hoofdstukken (36)← → toetsen
Getuigen
פַּלְגֵי מַ֣יִם לֶב מֶ֭לֶךְ בְּ/יַד יְהוָ֑ה עַֽל כָּל אֲשֶׁ֖ר יַחְפֹּ֣ץ יַטֶּֽ/נּוּ־־־־־׃
STATEN
Des konings hart is in de hand des HEEREN als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil.
כָּֽל דֶּרֶךְ אִ֭ישׁ יָשָׁ֣ר בְּ/עֵינָ֑י/ו וְ/תֹכֵ֖ן לִבּ֣וֹת יְהוָֽה־־׃
STATEN
Alle weg des mensen is recht in zijn ogen; maar de HEERE weegt de harten.
עֲ֭שֹׂה צְדָקָ֣ה וּ/מִשְׁפָּ֑ט נִבְחָ֖ר לַ/יהוָ֣ה מִ/זָּֽבַח׃
STATEN
Gerechtigheid en recht te doen is bij den HEERE uitgelezener dan offer.
רוּם עֵ֭ינַיִם וּ/רְחַב לֵ֑ב נִ֖ר רְשָׁעִ֣ים חַטָּֽאת־־׃
STATEN
Hoogheid der ogen, en trotsheid des harten, en de ploeging der goddelozen, zijn zonde.
מַחְשְׁב֣וֹת חָ֭רוּץ אַךְ לְ/מוֹתָ֑ר וְ/כָל אָ֝֗ץ אַךְ לְ/מַחְסֽוֹר־־־׃
STATEN
De gedachten des vlijtigen zijn alleen tot overschot; maar van een ieder, die haastig is, alleen tot gebrek.
פֹּ֣עַל א֭וֹצָרוֹת בִּ/לְשׁ֣וֹן שָׁ֑קֶר הֶ֥בֶל נִ֝דָּ֗ף מְבַקְשֵׁי מָֽוֶת־׃
STATEN
Te arbeiden om schatten met een valse tong, is een voortgedrevene ijdelheid dergenen, die den dood zoeken.
שֹׁד רְשָׁעִ֥ים יְגוֹרֵ֑/ם כִּ֥י מֵ֝אֲנ֗וּ לַ/עֲשׂ֥וֹת מִשְׁפָּֽט־׃
STATEN
De verwoesting der goddelozen zal hen doorsnijden, omdat zij weigeren recht te doen.
הֲפַכְפַּ֬ךְ דֶּ֣רֶךְ אִ֣ישׁ וָזָ֑ר וְ֝/זַ֗ךְ יָשָׁ֥ר פָּעֳלֽ/וֹ׃
STATEN
De weg des mensen is gans verkeerd en vreemd; maar het werk des zuiveren is recht.
ט֗וֹב לָ/שֶׁ֥בֶת עַל פִּנַּת גָּ֑ג מֵ/אֵ֥שֶׁת מִ֝דְיָנִ֗ים וּ/בֵ֥ית חָֽבֶר־־׃
STATEN
Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap.
נֶ֣פֶשׁ רָ֭שָׁע אִוְּתָה רָ֑ע לֹא יֻחַ֖ן בְּ/עֵינָ֣י/ו רֵעֵֽ/הוּ־־׃
STATEN
De ziel des goddelozen begeert het kwaad; zijn naaste krijgt geen genade in zijn ogen.
בַּ/עְנָשׁ לֵ֭ץ יֶחְכַּם פֶּ֑תִי וּ/בְ/הַשְׂכִּ֥יל לְ֝/חָכָ֗ם יִקַּח דָּֽעַת־־־׃
STATEN
Als men den spotter straft, wordt de slechte wijs; en als men den wijze onderricht, neemt hij wetenschap aan.
מַשְׂכִּ֣יל צַ֭דִּיק לְ/בֵ֣ית רָשָׁ֑ע מְסַלֵּ֖ף רְשָׁעִ֣ים לָ/רָֽע׃
STATEN
De rechtvaardige let verstandelijk op des goddelozen huis, als God de goddelozen in het kwaad stort.