KETUVIM

Spreuken 20

מִשְׁלֵי
Hoofdstukken (31)
12345678910111213141516171819202122232425262728293031
Getuigen
Interlineair
1
לֵ֣ץ הַ֭/יַּין הֹמֶ֣ה שֵׁכָ֑ר וְ/כָל שֹׁ֥גֶה בּ֝֗/וֹ לֹ֣א יֶחְכָּֽם
STATEN

De wijn is een spotter, de sterke drank is woelachtig; al wie daarin dwaalt, zal niet wijs zijn.

2
נַ֣הַם כַּ֭/כְּפִיר אֵ֣ימַת מֶ֑לֶךְ מִ֝תְעַבְּר֗/וֹ חוֹטֵ֥א נַפְשֽׁ/וֹ
STATEN

De schrik des konings is als het brullen eens jongen leeuws; die zich tegen hem vergramt, zondigt tegen zijn ziel.

3
כָּב֣וֹד לָ֭/אִישׁ שֶׁ֣בֶת מֵ/רִ֑יב וְ/כָל אֱ֝וִ֗יל יִתְגַּלָּֽע
STATEN

Het is eer voor een man, van twist af te blijven; maar ieder dwaas zal er zich in mengen.

4
מֵ֭/חֹרֶף עָצֵ֣ל לֹא יַחֲרֹ֑שׁ ישאל בַּ/קָּצִ֣יר וָ/אָֽיִן וְ/שָׁאַ֖ל
STATEN

Om den winter zal de luiaard niet ploegen; daarom zal hij bedelen in den oogst, maar er zal niet zijn.

5
מַ֣יִם עֲ֭מֻקִּים עֵצָ֣ה בְ/לֶב אִ֑ישׁ וְ/אִ֖ישׁ תְּבוּנָ֣ה יִדְלֶֽ/נָּה
STATEN

De raad in het hart eens mans is als diepe wateren; maar een man van verstand zal dien uithalen.

6
רָב אָדָ֗ם יִ֭קְרָא אִ֣ישׁ חַסְדּ֑/וֹ וְ/אִ֥ישׁ אֱ֝מוּנִ֗ים מִ֣י יִמְצָֽא
STATEN

Elk van de menigte der mensen roept zijn weldadigheid uit; maar wie zal een recht trouwen man vinden?

7
מִתְהַלֵּ֣ךְ בְּ/תֻמּ֣/וֹ צַדִּ֑יק אַשְׁרֵ֖י בָנָ֣י/ו אַחֲרָֽי/ו
STATEN

De rechtvaardige wandelt steeds in zijn oprechtheid; welgelukzalig zijn zijn kinderen na hem.

8
מֶ֗לֶךְ יוֹשֵׁ֥ב עַל כִּסֵּא דִ֑ין מְזָרֶ֖ה בְ/עֵינָ֣י/ו כָּל רָֽע
STATEN

Een koning, zittende op den troon des gerichts, verstrooit alle kwaad met zijn ogen.

9
מִֽי יֹ֭אמַר זִכִּ֣יתִי לִבִּ֑/י טָ֝הַ֗רְתִּי מֵ/חַטָּאתִֽ/י
STATEN

Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn zonde?

10
אֶ֣בֶן וָ֭/אֶבֶן אֵיפָ֣ה וְ/אֵיפָ֑ה תּוֹעֲבַ֥ת יְ֝הוָ֗ה גַּם שְׁנֵי/הֶֽם
STATEN

Tweeërlei weegsteen, tweeërlei efa is den HEERE een gruwel, ja die beide.

11
גַּ֣ם בְּ֭/מַעֲלָלָי/ו יִתְנַכֶּר נָ֑עַר אִם זַ֖ךְ וְ/אִם יָשָׁ֣ר פָּעֳלֽ/וֹ
STATEN

Een jongen zal ook door zijn handelingen zich bekend maken, of zijn werk zuiver, en of het recht zal wezen.

12
אֹ֣זֶן שֹׁ֭מַעַת וְ/עַ֣יִן רֹאָ֑ה יְ֝הוָ֗ה עָשָׂ֥ה גַם שְׁנֵי/הֶֽם
STATEN

Een horend oor, en een ziend oog heeft de HEERE gemaakt, ja, die beide.

13
אַל תֶּֽאֱהַ֣ב שֵׁ֭נָה פֶּן תִּוָּרֵ֑שׁ פְּקַ֖ח עֵינֶ֣י/ךָ שְֽׂבַֽע לָֽחֶם
STATEN

Heb den slaap niet lief, opdat gij niet arm wordt; open uw ogen, verzadig u met brood.

14
רַ֣ע רַ֭ע יֹאמַ֣ר הַ/קּוֹנֶ֑ה וְ/אֹזֵ֥ל ל֝֗/וֹ אָ֣ז יִתְהַלָּֽל
STATEN

Het is kwaad, het is kwaad! zal de koper zeggen; maar als hij weggegaan is, dan zal hij zich beroemen.

15
יֵ֣שׁ זָ֭הָב וְ/רָב פְּנִינִ֑ים וּ/כְלִ֥י יְ֝קָ֗ר שִׂפְתֵי דָֽעַת
STATEN

Goud is er, en menigte van robijnen; maar de lippen der wetenschap zijn een kostelijk kleinood.

16
לְֽקַח בִּ֭גְד/וֹ כִּי עָ֣רַב זָ֑ר וּ/בְעַ֖ד נכרים חַבְלֵֽ/הוּ נָכְרִיָּ֣ה
STATEN

Als iemand voor een vreemde borg geworden is, neem zijn kleed; en pand hem voor de onbekenden.

17
עָרֵ֣ב לָ֭/אִישׁ לֶ֣חֶם שָׁ֑קֶר וְ֝/אַחַ֗ר יִמָּֽלֵא פִ֥י/הוּ חָצָֽץ
STATEN

Het brood der leugen is den mens zoet; maar daarna zal zijn mond vol van zandsteentjes worden.

18
מַ֭חֲשָׁבוֹת בְּ/עֵצָ֣ה תִכּ֑וֹן וּ֝/בְ/תַחְבֻּל֗וֹת עֲשֵׂ֣ה מִלְחָמָֽה
STATEN

Elke gedachte wordt door raad bevestigd, daarom voer oorlog met wijze raadslagen.

19
גּֽוֹלֶה סּ֭וֹד הוֹלֵ֣ךְ רָכִ֑יל וּ/לְ/פֹתֶ֥ה שְׂ֝פָתָ֗י/ו לֹ֣א תִתְעָרָֽב
STATEN

Die als een achterklapper wandelt, openbaart het heimelijke; vermeng u dan niet met hem, die met zijn lippen verlokt.

20
מְ֭קַלֵּל אָבִ֣י/ו וְ/אִמּ֑/וֹ יִֽדְעַ֥ךְ נֵ֝ר֗/וֹ ב/אישון חֹֽשֶׁךְ בֶּ/אֱשׁ֥וּן
STATEN

Wie zijn vader of zijn moeder vloekt, diens lamp zal uitgeblust worden in zwarte duisternis.

21
נַ֭חֲלָה מבחלת בָּ/רִאשֹׁנָ֑ה וְ֝/אַחֲרִיתָ֗/הּ לֹ֣א תְבֹרָֽךְ מְבֹהֶ֣לֶת
STATEN

Als een erfenis in het eerste verhaast wordt, zo zal haar laatste niet gezegend worden.

22
אַל תֹּאמַ֥ר אֲשַׁלְּמָה רָ֑ע קַוֵּ֥ה לַֽ֝/יהוָ֗ה וְ/יֹ֣שַֽׁע לָֽ/ךְ
STATEN

Zeg niet: Ik zal het kwaad vergelden; wacht op den HEERE, en Hij zal u verlossen.

23
תּוֹעֲבַ֣ת יְ֭הוָה אֶ֣בֶן וָ/אָ֑בֶן וּ/מֹאזְנֵ֖י מִרְמָ֣ה לֹא טֽוֹב
STATEN

Tweeërlei weegsteen is den HEERE een gruwel, en de bedriegelijke weegschaal is niet goed.

24
מֵ/יהוָ֥ה מִצְעֲדֵי גָ֑בֶר וְ֝/אָדָ֗ם מַה יָּבִ֥ין דַּרְכּֽ/וֹ
STATEN

De treden des mans zijn van den HEERE; hoe zou dan een mens zijn weg verstaan?

25
מוֹקֵ֣שׁ אָ֭דָם יָ֣לַע קֹ֑דֶשׁ וְ/אַחַ֖ר נְדָרִ֣ים לְ/בַקֵּֽר
STATEN

Het is een strik des mensen, dat hij het heilige verslindt, en na gedane geloften, onderzoek te doen.

26
מְזָרֶ֣ה רְ֭שָׁעִים מֶ֣לֶךְ חָכָ֑ם וַ/יָּ֖שֶׁב עֲלֵי/הֶ֣ם אוֹפָֽן
STATEN

Een wijs koning verstrooit de goddelozen, en hij brengt het rad over hen.

27
נֵ֣ר יְ֭הוָה נִשְׁמַ֣ת אָדָ֑ם חֹ֝פֵ֗שׂ כָּל חַדְרֵי בָֽטֶן
STATEN

De ziel des mensen is een lamp des HEEREN, doorzoekende al de binnenkameren des buiks.

28
חֶ֣סֶד וֶ֭/אֱמֶת יִצְּרוּ מֶ֑לֶךְ וְ/סָעַ֖ד בַּ/חֶ֣סֶד כִּסְאֽ/וֹ
STATEN

Weldadigheid en waarheid bewaren den koning; en door weldadigheid ondersteunt hij zijn troon.

29
תִּפְאֶ֣רֶת בַּחוּרִ֣ים כֹּחָ֑/ם וַ/הֲדַ֖ר זְקֵנִ֣ים שֵׂיבָֽה
STATEN

Der jongelingen sieraad is hun kracht, en der ouden heerlijkheid is de grijsheid.

30
חַבֻּר֣וֹת פֶּ֭צַע תמריק בְּ/רָ֑ע וּ֝/מַכּ֗וֹת חַדְרֵי בָֽטֶן תַּמְר֣וּק
STATEN

Gezwellen der wonde zijn in den boze een zuivering, mitsgaders de slagen van het binnenste des buiks.