KETUVIM
Spreuken 29
מִשְׁלֵי
Hoofdstukken (36)← → toetsen
Getuigen
אִ֣ישׁ תּ֭וֹכָחוֹת מַקְשֶׁה עֹ֑רֶף פֶּ֥תַע יִ֝שָּׁבֵ֗ר וְ/אֵ֣ין מַרְפֵּֽא־׃
STATEN
Een man, die, dikwijls bestraft zijnde, den nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan zij.
בִּ/רְב֣וֹת צַ֭דִּיקִים יִשְׂמַ֣ח הָ/עָ֑ם וּ/בִ/מְשֹׁ֥ל רָ֝שָׁ֗ע יֵאָ֥נַֽח עָֽם׃
STATEN
Als de rechtvaardigen groot worden, verblijdt zich het volk; maar als de goddeloze heerst, zucht het volk.
אִֽישׁ אֹהֵ֣ב חָ֭כְמָה יְשַׂמַּ֣ח אָבִ֑י/ו וְ/רֹעֶ֥ה ז֝וֹנ֗וֹת יְאַבֶּד הֽוֹן־־׃
STATEN
Een man, die de wijsheid bemint, verblijdt zijn vader; maar die een metgezel der hoeren is, brengt het goed door.
מֶ֗לֶךְ בְּ֭/מִשְׁפָּט יַעֲמִ֣יד אָ֑רֶץ וְ/אִ֖ישׁ תְּרוּמ֣וֹת יֶֽהֶרְסֶֽ/נָּה׃
STATEN
Een koning houdt het land staande door het recht; maar een, die tot geschenken genegen is, verstoort hetzelve.
גֶּ֭בֶר מַחֲלִ֣יק עַל רֵעֵ֑/הוּ רֶ֝֗שֶׁת פּוֹרֵ֥שׂ עַל פְּעָמָֽי/ו־־׃
STATEN
Een man, die zijn naaste vleit, spreidt een net uit voor deszelfs gangen.
בְּ/פֶ֤שַֽׁע אִ֣ישׁ רָ֣ע מוֹקֵ֑שׁ וְ֝/צַדִּ֗יק יָר֥וּן וְ/שָׂמֵֽחַ׃
STATEN
In de overtreding eens bozen mans is een strik; maar de rechtvaardige juicht en is blijde.
יֹדֵ֣עַ צַ֭דִּיק דִּ֣ין דַּלִּ֑ים רָ֝שָׁ֗ע לֹא יָבִ֥ין דָּֽעַת־׃
STATEN
De rechtvaardige neemt kennis van de rechtzaak der armen; maar de goddeloze begrijpt de wetenschap niet.
אַנְשֵׁ֣י לָ֭צוֹן יָפִ֣יחוּ קִרְיָ֑ה וַ֝/חֲכָמִ֗ים יָשִׁ֥יבוּ אָֽף׃
STATEN
Spotdrijvende lieden blazen een stad aan brand; maar de wijzen keren den toorn af.
אִֽישׁ חָכָ֗ם נִ֭שְׁפָּט אֶת אִ֣ישׁ אֱוִ֑יל וְ/רָגַ֥ז וְ֝/שָׂחַ֗ק וְ/אֵ֣ין נָֽחַת־־׃
STATEN
Een wijs man, met een dwaas man in rechte zich begeven hebbende, hetzij dat hij beroerd is of lacht, zo is er toch geen rust.
אַנְשֵׁ֣י דָ֭מִים יִשְׂנְאוּ תָ֑ם וִֽ֝/ישָׁרִ֗ים יְבַקְשׁ֥וּ נַפְשֽׁ/וֹ־׃
STATEN
Bloedgierige lieden haten den vrome; maar de oprechten zoeken zijn ziel.
כָּל ר֭וּח/וֹ יוֹצִ֣יא כְסִ֑יל וְ֝/חָכָ֗ם בְּ/אָח֥וֹר יְשַׁבְּחֶֽ/נָּה־׃
STATEN
Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.
מֹ֭שֵׁל מַקְשִׁ֣יב עַל דְּבַר שָׁ֑קֶר כָּֽל מְשָׁרְתָ֥י/ו רְשָׁעִֽים־־־׃
STATEN
Een heerser, die op leugentaal acht geeft, al zijn dienaars zijn goddeloos.