KETUVIM

Spreuken 30

מִשְׁלֵי
Hoofdstukken (31)
12345678910111213141516171819202122232425262728293031
Getuigen
Interlineair
1
דִּבְרֵ֤י אָג֥וּר בִּן יָקֶ֗ה הַ/מַּ֫שָּׂ֥א נְאֻ֣ם הַ֭/גֶּבֶר לְ/אִֽיתִיאֵ֑ל לְ/אִ֖יתִיאֵ֣ל וְ/אֻכָֽל
STATEN

De woorden van Agur, den zoon van Jake; een last. De man spreekt tot Ithiël, tot Ithiël en Uchal.

2
כִּ֤י בַ֣עַר אָנֹכִ֣י מֵ/אִ֑ישׁ וְ/לֹֽא בִינַ֖ת אָדָ֣ם לִֽ/י
STATEN

Voorwaar, ik ben onvernuftiger dan iemand; en ik heb geen mensenverstand;

3
וְ/לֹֽא לָמַ֥דְתִּי חָכְמָ֑ה וְ/דַ֖עַת קְדֹשִׁ֣ים אֵדָֽע
STATEN

En ik heb geen wijsheid geleerd, noch de wetenschap der heiligen gekend.

4
מִ֤י עָלָֽה שָׁמַ֨יִם וַ/יֵּרַ֡ד מִ֤י אָֽסַף ר֨וּחַ בְּ/חָפְנָ֡י/ו מִ֤י צָֽרַר מַ֨יִם בַּ/שִּׂמְלָ֗ה מִ֭י הֵקִ֣ים כָּל אַפְסֵי אָ֑רֶץ מַה שְּׁמ֥/וֹ וּ/מַֽה שֶּׁם בְּ֝נ֗/וֹ כִּ֣י תֵדָֽע
STATEN

Wie is ten hemel opgeklommen, en nedergedaald? Wie heeft den wind in Zijn vuisten verzameld? Wie heeft de wateren in een kleed gebonden? Wie heeft al de einden der aarde gesteld? Hoe is Zijn Naam, en hoe is de Naam Zijns Zoons, zo gij het weet?

5
כָּל אִמְרַ֣ת אֱל֣וֹהַּ צְרוּפָ֑ה מָגֵ֥ן ה֝֗וּא לַֽ/חֹסִ֥ים בּֽ/וֹ
STATEN

Alle rede Gods is doorlouterd; Hij is een Schild dengenen, die op Hem betrouwen.

6
אַל תּ֥וֹסְףְּ עַל דְּבָרָ֑י/ו פֶּן יוֹכִ֖יחַ בְּ/ךָ֣ וְ/נִכְזָֽבְתָּ
STATEN

Doe niet tot Zijn woorden, opdat Hij u niet bestraffe, en gij leugenachtig bevonden wordt.

7
שְׁ֭תַּיִם שָׁאַ֣לְתִּי מֵ/אִתָּ֑/ךְ אַל תִּמְנַ֥ע מִ֝מֶּ֗/נִּי בְּ/טֶ֣רֶם אָמֽוּת
STATEN

Twee dingen heb ik van U begeerd, onthoud ze mij niet, eer ik sterve;

8
שָׁ֤וְא וּֽ/דְבַר כָּזָ֡ב הַרְחֵ֬ק מִמֶּ֗/נִּי רֵ֣אשׁ וָ֭/עֹשֶׁר אַל תִּֽתֶּן לִ֑/י הַ֝טְרִיפֵ֗/נִי לֶ֣חֶם חֻקִּֽ/י
STATEN

IJdelheid en leugentaal doe verre van mij; armoede of rijkdom geef mij niet; voed mij met het brood mijns bescheiden deels;

9
פֶּ֥ן אֶשְׂבַּ֨ע וְ/כִחַשְׁתִּי֮ וְ/אָמַ֗רְתִּי מִ֥י יְה֫וָ֥ה וּ/פֶֽן אִוָּרֵ֥שׁ וְ/גָנַ֑בְתִּי וְ֝/תָפַ֗שְׂתִּי שֵׁ֣ם אֱלֹהָֽ/י
STATEN

Opdat ik, zat zijnde, U dan niet verloochene, en zegge: Wie is de HEERE? of dat ik, verarmd zijnde, dan niet stele, en den Naam mijns Gods aantaste.

10
אַל תַּלְשֵׁ֣ן עֶ֭בֶד אֶל אדנ/ו פֶּֽן יְקַלֶּלְ/ךָ֥ וְ/אָשָֽׁמְתָּ אֲדֹנָ֑י/ו
STATEN

Achterklap niet van den knecht bij zijn heer, opdat hij u niet vloeke, en gij schuldig wordt.

11
דּ֭וֹר אָבִ֣י/ו יְקַלֵּ֑ל וְ/אֶת אִ֝מּ֗/וֹ לֹ֣א יְבָרֵֽךְ
STATEN

Daar is een geslacht, dat zijn vader vervloekt, en zijn moeder niet zegent;

12
דּ֭וֹר טָה֣וֹר בְּ/עֵינָ֑י/ו וּ֝/מִ/צֹּאָת֗/וֹ לֹ֣א רֻחָֽץ
STATEN

Een geslacht, dat rein in zijn ogen is, en van zijn drek niet gewassen is;

13
דּ֭וֹר מָה רָמ֣וּ עֵינָ֑י/ו וְ֝/עַפְעַפָּ֗י/ו יִנָּשֵֽׂאוּ
STATEN

Een geslacht, welks ogen hoog zijn, en welks oogleden verheven zijn;

14
דּ֤וֹר חֲרָב֣וֹת שִׁנָּי/ו֮ וּֽ/מַאֲכָל֪וֹת מְֽתַלְּעֹ֫תָ֥י/ו לֶ/אֱכֹ֣ל עֲנִיִּ֣ים מֵ/אֶ֑רֶץ וְ֝/אֶבְיוֹנִ֗ים מֵ/אָדָֽם
STATEN

Een geslacht, welks tanden zwaarden, en welks baktanden messen zijn, om de ellendigen van de aarde en de nooddruftigen van onder de mensen te verteren.

15
לַֽ/עֲלוּקָ֨ה שְׁתֵּ֥י בָנוֹת֮ הַ֤ב הַ֥ב שָׁל֣וֹשׁ הֵ֭נָּה לֹ֣א תִשְׂבַּ֑עְנָה אַ֝רְבַּ֗ע לֹא אָ֥מְרוּ הֽוֹן
STATEN

De bloedzuiger heeft twee dochters: Geef, geef! Deze drie dingen worden niet verzadigd; ja, vier zeggen niet: Het is genoeg!

16
שְׁאוֹל֮ וְ/עֹ֪צֶ֫ר רָ֥חַם אֶ֭רֶץ לֹא שָׂ֣בְעָה מַּ֑יִם וְ֝/אֵ֗שׁ לֹא אָ֥מְרָה הֽוֹן
STATEN

Het graf, de gesloten baarmoeder, de aarde, die van water niet verzadigd wordt, en het vuur zegt niet: Het is genoeg!

17
עַ֤יִן תִּֽלְעַ֣ג לְ/אָב֮ וְ/תָב֪וּז לִֽ/יקֲּהַ֫ת אֵ֥ם יִקְּר֥וּ/הָ עֹרְבֵי נַ֑חַל וְֽ/יֹאכְל֥וּ/הָ בְנֵי נָֽשֶׁר
STATEN

Het oog, dat den vader bespot, of de gehoorzaamheid der moeder veracht, dat zullen de raven der beek uitpikken, en des arends jongen zullen het eten.

18
שְׁלֹשָׁ֣ה הֵ֭מָּה נִפְלְא֣וּ מִמֶּ֑/נִּי ו/ארבע לֹ֣א יְדַעְתִּֽי/ם וְ֝/אַרְבָּעָ֗ה
STATEN

Deze drie dingen zijn voor mij te wonderlijk, ja, vier, die ik niet weet:

19
דֶּ֤רֶךְ הַ/נֶּ֨שֶׁר בַּ/שָּׁמַיִם֮ דֶּ֥רֶךְ נָחָ֗שׁ עֲלֵ֫י צ֥וּר דֶּֽרֶךְ אֳנִיָּ֥ה בְ/לֶב יָ֑ם וְ/דֶ֖רֶךְ גֶּ֣בֶר בְּ/עַלְמָֽה
STATEN

De weg eens arends in den hemel; de weg ener slang op een rotssteen; de weg van een schip in het hart der zee; en de weg eens mans bij een maagd.

20
כֵּ֤ן דֶּ֥רֶךְ אִשָּׁ֗ה מְנָ֫אָ֥פֶת אָ֭כְלָה וּ/מָ֣חֲתָה פִ֑י/הָ וְ֝/אָמְרָ֗ה לֹֽא פָעַ֥לְתִּי אָֽוֶן
STATEN

Alzo is de weg ener overspelige vrouw; zij eet en wist haar mond, en zegt: Ik heb geen ongerechtigheid gewrocht!

21
תַּ֣חַת שָׁ֭לוֹשׁ רָ֣גְזָה אֶ֑רֶץ וְ/תַ֥חַת אַ֝רְבַּ֗ע לֹא תוּכַ֥ל שְׂאֵֽת
STATEN

Om drie dingen ontroert zich de aarde, ja, om vier, die zij niet dragen kan:

22
תַּֽחַת עֶ֭בֶד כִּ֣י יִמְל֑וֹךְ וְ֝/נָבָ֗ל כִּ֣י יִֽשְׂבַּֽע לָֽחֶם
STATEN

Om een knecht, als hij regeert; en een dwaas, als hij van brood verzadigd is;

23
תַּ֣חַת שְׂ֭נוּאָה כִּ֣י תִבָּעֵ֑ל וְ֝/שִׁפְחָ֗ה כִּֽי תִירַ֥שׁ גְּבִרְתָּֽ/הּ
STATEN

Om een hatelijke vrouw, als zij getrouwd wordt; en een dienstmaagd, als zij erfgenaam is van haar vrouw.

24
אַרְבָּ֣עָה הֵ֭ם קְטַנֵּי אָ֑רֶץ וְ֝/הֵ֗מָּה חֲכָמִ֥ים מְחֻכָּמִֽים
STATEN

Deze vier zijn van de kleinste der aarde; doch dezelve zijn wijs, met wijsheid wel voorzien.

25
הַ֭/נְּמָלִים עַ֣ם לֹא עָ֑ז וַ/יָּכִ֖ינוּ בַ/קַּ֣יִץ לַחְמָֽ/ם
STATEN

De mieren zijn een onsterk volk; evenwel bereiden zij in den zomer haar spijs.

26
שְׁ֭פַנִּים עַ֣ם לֹא עָצ֑וּם וַ/יָּשִׂ֖ימוּ בַ/סֶּ֣לַע בֵּיתָֽ/ם
STATEN

De konijnen zijn een machteloos volk; nochtans stellen zij hun huis in den rotssteen.

27
מֶ֭לֶךְ אֵ֣ין לָ/אַרְבֶּ֑ה וַ/יֵּצֵ֖א חֹצֵ֣ץ כֻּלּֽ/וֹ
STATEN

De sprinkhanen hebben geen koning; nochtans gaan zij allen uit, zich verdelende in hopen.

28
שְׂ֭מָמִית בְּ/יָדַ֣יִם תְּתַפֵּ֑שׂ וְ֝/הִ֗יא בְּ/הֵ֣יכְלֵי מֶֽלֶךְ
STATEN

De spinnekop grijpt met de handen, en is in de paleizen der koningen.

29
שְׁלֹשָׁ֣ה הֵ֭מָּה מֵיטִ֣יבֵי צָ֑עַד וְ֝/אַרְבָּעָ֗ה מֵיטִ֥בֵי לָֽכֶת
STATEN

Deze drie maken een goeden tred; ja, vier zijn er, die een goeden gang maken;

30
לַ֭יִשׁ גִּבּ֣וֹר בַּ/בְּהֵמָ֑ה וְ/לֹא יָ֝שׁ֗וּב מִ/פְּנֵי כֹֽל
STATEN

De oude leeuw geweldig onder de gedierten, die voor niemand zal wederkeren;

31
זַרְזִ֣יר מָתְנַ֣יִם אוֹ תָ֑יִשׁ וּ֝/מֶ֗לֶךְ אַלְק֥וּם עִמּֽ/וֹ
STATEN

Een windhond van goede lenden, of een bok; en een koning, die niet tegen te staan is.

32
אִם נָבַ֥לְתָּ בְ/הִתְנַשֵּׂ֑א וְ/אִם זַ֝מּ֗וֹתָ יָ֣ד לְ/פֶֽה
STATEN

Zo gij dwaselijk gehandeld hebt, met u te verheffen, en zo gij kwaad bedacht hebt, de hand op den mond!

33
כִּ֤י מִ֪יץ חָלָ֡ב י֘וֹצִ֤יא חֶמְאָ֗ה וּֽ/מִיץ אַ֭ף י֣וֹצִיא דָ֑ם וּ/מִ֥יץ אַ֝פַּ֗יִם י֣וֹצִיא רִֽיב
STATEN

Want de drukking der melk brengt boter voort, en de drukking van den neus brengt bloed voort, en de drukking des toorns brengt twist voort.