KETUVIM

Spreuken 17

מִשְׁלֵי
Hoofdstukken (31)
12345678910111213141516171819202122232425262728293031
Getuigen
Interlineair
1
ט֤וֹב פַּ֣ת חֲ֭רֵבָה וְ/שַׁלְוָה בָ֑/הּ מִ֝/בַּ֗יִת מָלֵ֥א זִבְחֵי רִֽיב
STATEN

Een droge bete, en rust daarbij, is beter, dan een huis vol van geslachte beesten met twist.

2
עֶֽבֶד מַשְׂכִּ֗יל יִ֭מְשֹׁל בְּ/בֵ֣ן מֵבִ֑ישׁ וּ/בְ/ת֥וֹךְ אַ֝חִ֗ים יַחֲלֹ֥ק נַחֲלָֽה
STATEN

Een verstandig knecht zal heersen over een zoon, die beschaamd maakt, en in het midden der broederen zal hij erfenis delen.

3
מַצְרֵ֣ף לַ֭/כֶּסֶף וְ/כ֣וּר לַ/זָּהָ֑ב וּ/בֹחֵ֖ן לִבּ֣וֹת יְהוָֽה
STATEN

De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; maar de HEERE proeft de harten.

4
מֵ֭רַע מַקְשִׁ֣יב עַל שְׂפַת אָ֑וֶן שֶׁ֥קֶר מֵ֝זִין עַל לְשׁ֥וֹן הַוֺּֽת
STATEN

De boosdoener merkt op de ongerechtige lip; een leugenaar neigt het oor tot de verkeerde tong.

5
לֹעֵ֣ג לָ֭/רָשׁ חֵרֵ֣ף עֹשֵׂ֑/הוּ שָׂמֵ֥חַ לְ֝/אֵ֗יד לֹ֣א יִנָּקֶֽה
STATEN

Die den arme bespot, smaadt deszelfs Maker; die zich verblijdt in het verderf, zal niet onschuldig zijn.

6
עֲטֶ֣רֶת זְ֭קֵנִים בְּנֵ֣י בָנִ֑ים וְ/תִפְאֶ֖רֶת בָּנִ֣ים אֲבוֹתָֽ/ם
STATEN

De kroon der ouden zijn de kindskinderen, en der kinderen sieraad zijn hun vaderen.

7
לֹא נָאוָ֣ה לְ/נָבָ֣ל שְׂפַת יֶ֑תֶר אַ֝֗ף כִּֽי לְ/נָדִ֥יב שְׂפַת שָֽׁקֶר
STATEN

Een voortreffelijke lip past een dwaze niet, veelmin een prins een leugenachtige lip.

8
אֶֽבֶן חֵ֣ן הַ֭/שֹּׁחַד בְּ/עֵינֵ֣י בְעָלָ֑י/ו אֶֽל כָּל אֲשֶׁ֖ר יִפְנֶ֣ה יַשְׂכִּֽיל
STATEN

Het geschenk is in de ogen zijner heren een aangenaam gesteente; waarhenen het zich zal wenden, zal het wel gedijen.

9
מְֽכַסֶּה פֶּ֭שַׁע מְבַקֵּ֣שׁ אַהֲבָ֑ה וְ/שֹׁנֶ֥ה בְ֝/דָבָ֗ר מַפְרִ֥יד אַלּֽוּף
STATEN

Die de overtreding toedekt, zoekt liefde; maar die de zaak weder ophaalt, scheidt den voornaamsten vriend.

10
תֵּ֣חַת גְּעָרָ֣ה בְ/מֵבִ֑ין מֵ/הַכּ֖וֹת כְּסִ֣יל מֵאָֽה
STATEN

De bestraffing gaat dieper in den verstandige, dan den zot honderdmaal te slaan.

11
אַךְ מְרִ֥י יְבַקֶּשׁ רָ֑ע וּ/מַלְאָ֥ךְ אַ֝כְזָרִ֗י יְשֻׁלַּח בּֽ/וֹ
STATEN

Zekerlijk, de wederspannige zoekt het kwaad; maar een wrede bode zal tegen hem gezonden worden.

12
פָּג֬וֹשׁ דֹּ֣ב שַׁכּ֣וּל בְּ/אִ֑ישׁ וְ/אַל כְּ֝סִ֗יל בְּ/אִוַּלְתּֽ/וֹ
STATEN

Dat een beer, die van jongen beroofd is, een man tegemoet kome, maar niet een zot in zijn dwaasheid.

13
מֵשִׁ֣יב רָ֭עָה תַּ֣חַת טוֹבָ֑ה לֹא תמיש רָ֝עָ֗ה מִ/בֵּיתֽ/וֹ תָמ֥וּשׁ
STATEN

Die kwaad voor goed vergeldt, het kwaad zal van zijn huis niet wijken.

14
פּ֣וֹטֵֽר מַ֭יִם רֵאשִׁ֣ית מָד֑וֹן וְ/לִ/פְנֵ֥י הִ֝תְגַּלַּ֗ע הָ/רִ֥יב נְטֽוֹשׁ
STATEN

Het begin des krakeels is gelijk een, die het water opening geeft; daarom verlaat den twist, eer hij zich vermengt.

15
מַצְדִּ֣יק רָ֭שָׁע וּ/מַרְשִׁ֣יעַ צַדִּ֑יק תּוֹעֲבַ֥ת יְ֝הוָ֗ה גַּם שְׁנֵי/הֶֽם
STATEN

Wie den goddeloze rechtvaardigt, en den rechtvaardige verdoemt, zijn den HEERE een gruwel, ja, die beiden.

16
לָ/מָּה זֶּ֣ה מְחִ֣יר בְּ/יַד כְּסִ֑יל לִ/קְנ֖וֹת חָכְמָ֣ה וְ/לֶב אָֽיִן
STATEN

Waarom toch zou in de hand des zots het koopgeld zijn, om wijsheid te kopen, dewijl hij geen verstand heeft?

17
בְּ/כָל עֵ֭ת אֹהֵ֣ב הָ/רֵ֑עַ וְ/אָ֥ח לְ֝/צָרָ֗ה יִוָּלֵֽד
STATEN

Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren.

18
אָדָ֣ם חֲסַר לֵ֭ב תּוֹקֵ֣עַ כָּ֑ף עֹרֵ֥ב עֲ֝רֻבָּ֗ה לִ/פְנֵ֥י רֵעֵֽ/הוּ
STATEN

Een verstandeloos mens klapt in de hand, zich borg stellende bij zijn naaste.

19
אֹ֣הֵֽב פֶּ֭שַׁע אֹהֵ֣ב מַצָּ֑ה מַגְבִּ֥יהַּ פִּ֝תְח֗/וֹ מְבַקֶּשׁ שָֽׁבֶר
STATEN

Die het gekijf liefheeft, heeft de overtreding lief; die zijn deur verhoogt, zoekt verbreking.

20
עִקֶּשׁ לֵ֭ב לֹ֣א יִמְצָא ט֑וֹב וְ/נֶהְפָּ֥ךְ בִּ֝/לְשׁוֹנ֗/וֹ יִפּ֥וֹל בְּ/רָעָֽה
STATEN

Wie verdraaid is van hart, zal het goede niet vinden; en die verkeerd is met zijn tong, zal in het kwaad vallen.

21
יֹלֵ֣ד כְּ֭סִיל לְ/ת֣וּגָה ל֑/וֹ וְ/לֹֽא יִ֝שְׂמַ֗ח אֲבִ֣י נָבָֽל
STATEN

Wie een zot genereert, die zal hem tot droefheid zijn; en de vader des dwazen zal zich niet verblijden.

22
לֵ֣ב שָׂ֭מֵחַ יֵיטִ֣ב גֵּהָ֑ה וְ/ר֥וּחַ נְ֝כֵאָ֗ה תְּיַבֶּשׁ גָּֽרֶם
STATEN

Een blij hart zal een medicijn goed maken; maar een verslagen geest zal het gebeente verdrogen.

23
שֹׁ֣חַד מֵ֭/חֵיק רָשָׁ֣ע יִקָּ֑ח לְ֝/הַטּ֗וֹת אָרְח֥וֹת מִשְׁפָּֽט
STATEN

De goddeloze zal het geschenk uit den schoot nemen, om de paden des rechts te buigen.

24
אֶת פְּנֵ֣י מֵבִ֣ין חָכְמָ֑ה וְ/עֵינֵ֥י כְ֝סִ֗יל בִּ/קְצֵה אָֽרֶץ
STATEN

In het aangezicht des verstandigen is wijsheid; maar de ogen des zots zijn in het einde der aarde.

25
כַּ֣עַס לְ֭/אָבִי/ו בֵּ֣ן כְּסִ֑יל וּ֝/מֶ֗מֶר לְ/יוֹלַדְתּֽ/וֹ
STATEN

Een zotte zoon is een verdriet voor zijn vader, en bittere droefheid voor degene, die hem gebaard heeft.

26
גַּ֤ם עֲנ֣וֹשׁ לַ/צַּדִּ֣יק לֹא ט֑וֹב לְ/הַכּ֖וֹת נְדִיבִ֣ים עַל יֹֽשֶׁר
STATEN

Het is niet goed, den rechtvaardige ook te doen boeten, dat de prinsen iemand slaan zouden om hetgeen recht is.

27
חוֹשֵׂ֣ךְ אֲ֭מָרָי/ו יוֹדֵ֣עַ דָּ֑עַת ו/קר ר֝֗וּחַ אִ֣ישׁ תְּבוּנָֽה יְקַר
STATEN

Wie wetenschap weet, houdt zijn woorden in; en een man van verstand is kostelijk van geest.

28
גַּ֤ם אֱוִ֣יל מַ֭חֲרִישׁ חָכָ֣ם יֵחָשֵׁ֑ב אֹטֵ֖ם שְׂפָתָ֣י/ו נָבֽוֹן
STATEN

Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en die zijn lippen toesluit, verstandig.