KETUVIM

Spreuken 7

מִשְׁלֵי
Hoofdstukken (31)
12345678910111213141516171819202122232425262728293031
Getuigen
Interlineair
1
בְּ֭נִ/י שְׁמֹ֣ר אֲמָרָ֑/י וּ֝/מִצְוֺתַ֗/י תִּצְפֹּ֥ן אִתָּֽ/ךְ
STATEN

Mijn zoon, bewaar mijn redenen, en leg mijn geboden bij u weg.

2
שְׁמֹ֣ר מִצְוֺתַ֣/י וֶ/חְיֵ֑ה וְ֝/תוֹרָתִ֗/י כְּ/אִישׁ֥וֹן עֵינֶֽי/ךָ
STATEN

Bewaar mijn geboden, en leef, en mijn wet als den appel uwer ogen.

3
קָשְׁרֵ֥/ם עַל אֶצְבְּעֹתֶ֑י/ךָ כָּ֝תְבֵ֗/ם עַל ל֥וּחַ לִבֶּֽ/ךָ
STATEN

Bind ze aan uw vingeren, schrijf ze op de tafels uws harten.

4
אֱמֹ֣ר לַֽ֭/חָכְמָה אֲחֹ֣תִ/י אָ֑תְּ וּ֝/מֹדָ֗ע לַ/בִּינָ֥ה תִקְרָֽא
STATEN

Zeg tot de wijsheid: Gij zijt mijn zuster; en heet het verstand uw bloedvriend;

5
לִ֭/שְׁמָרְ/ךָ מֵ/אִשָּׁ֣ה זָרָ֑ה מִ֝/נָּכְרִיָּ֗ה אֲמָרֶ֥י/הָ הֶחֱלִֽיקָה
STATEN

Opdat zij u bewaren voor de vreemde vrouw, voor de onbekende, die met haar redenen vleit.

6
כִּ֭י בְּ/חַלּ֣וֹן בֵּיתִ֑/י בְּעַ֖ד אֶשְׁנַבִּ֣/י נִשְׁקָֽפְתִּי
STATEN

Want door het venster van mijn huis, door mijn tralie keek ik uit;

7
וָ/אֵ֤רֶא בַ/פְּתָאיִ֗ם אָ֘בִ֤ינָה בַ/בָּנִ֗ים נַ֣עַר חֲסַר לֵֽב
STATEN

En ik zag onder de slechten; ik merkte onder de jonge gezellen een verstandelozen jongeling;

8
עֹבֵ֣ר בַּ֭/שּׁוּק אֵ֣צֶל פִּנָּ֑/הּ וְ/דֶ֖רֶךְ בֵּיתָ֣/הּ יִצְעָֽד
STATEN

Voorbijgaande op de straat, nevens haar hoek, en hij trad op den weg van haar huis.

9
בְּ/נֶֽשֶׁף בְּ/עֶ֥רֶב י֑וֹם בְּ/אִישׁ֥וֹן לַ֝֗יְלָה וַ/אֲפֵלָֽה
STATEN

In de schemering, in den avond des daags, in den zwarten nacht en de donkerheid;

10
וְ/הִנֵּ֣ה אִ֭שָּׁה לִ/קְרָאת֑/וֹ שִׁ֥ית ז֝וֹנָ֗ה וּ/נְצֻ֥רַת לֵֽב
STATEN

En ziet, een vrouw ontmoette hem in hoerenversiersel, en met het hart op haar hoede;

11
הֹמִיָּ֣ה הִ֣יא וְ/סֹרָ֑רֶת בְּ֝/בֵיתָ֗/הּ לֹא יִשְׁכְּנ֥וּ רַגְלֶֽי/הָ
STATEN

Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet;

12
פַּ֤עַם בַּ/ח֗וּץ פַּ֥עַם בָּ/רְחֹב֑וֹת וְ/אֵ֖צֶל כָּל פִּנָּ֣ה תֶאֱרֹֽב
STATEN

Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende;

13
וְ/הֶחֱזִ֣יקָה בּ֭/וֹ וְ/נָ֣שְׁקָה לּ֑/וֹ הֵעֵ֥זָה פָ֝נֶ֗י/הָ וַ/תֹּ֣אמַר לֽ/וֹ
STATEN

En zij greep hem aan, en kuste hem; zij sterkte haar aangezicht, en zeide tot hem:

14
זִבְחֵ֣י שְׁלָמִ֣ים עָלָ֑/י הַ֝/יּ֗וֹם שִׁלַּ֥מְתִּי נְדָרָֽ/י
STATEN

Dankoffers zijn bij mij, ik heb heden mijn geloften betaald;

15
עַל כֵּ֭ן יָצָ֣אתִי לִ/קְרָאתֶ֑/ךָ לְ/שַׁחֵ֥ר פָּ֝נֶ֗י/ךָ וָ/אֶמְצָאֶֽ/ךָּ
STATEN

Daarom ben ik uitgegaan u tegemoet, om uw aangezicht naarstiglijk te zoeken, en ik heb u gevonden.

16
מַ֭רְבַדִּים רָבַ֣דְתִּי עַרְשִׂ֑/י חֲ֝טֻב֗וֹת אֵט֥וּן מִצְרָֽיִם
STATEN

Ik heb mijn bedstede met tapijtsieraad toegemaakt, met uitgehouwen werken, met fijn linnen van Egypte;

17
נַ֥פְתִּי מִשְׁכָּבִ֑/י מֹ֥ר אֲ֝הָלִ֗ים וְ/קִנָּמֽוֹן
STATEN

Ik heb mijn leger met mirre, aloë en kaneel welriekende gemaakt;

18
לְכָ֤/ה נִרְוֶ֣ה דֹ֭דִים עַד הַ/בֹּ֑קֶר נִ֝תְעַלְּסָ֗ה בָּ/אֳהָבִֽים
STATEN

Kom, laat ons dronken worden van minne tot den morgen toe; laat ons ons vrolijk maken in grote liefde.

19
כִּ֤י אֵ֣ין הָ/אִ֣ישׁ בְּ/בֵית֑/וֹ הָ֝לַ֗ךְ בְּ/דֶ֣רֶךְ מֵ/רָחֽוֹק
STATEN

Want de man is niet in zijn huis, hij is een verren weg getogen;

20
צְֽרוֹר הַ֭/כֶּסֶף לָקַ֣ח בְּ/יָד֑/וֹ לְ/י֥וֹם הַ֝/כֵּ֗סֶא יָבֹ֥א בֵיתֽ/וֹ
STATEN

Hij heeft een bundel gelds in zijn hand genomen; ten bestemden dage zal hij naar zijn huis komen.

21
הִ֭טַּתּ/וּ בְּ/רֹ֣ב לִקְחָ֑/הּ בְּ/חֵ֥לֶק שְׂ֝פָתֶ֗י/הָ תַּדִּיחֶֽ/נּוּ
STATEN

Zij bewoog hem door de veelheid van haar onderricht, zij dreef hem aan door het gevlei harer lippen.

22
ה֤וֹלֵ֥ךְ אַחֲרֶ֗י/הָ פִּ֫תְאֹ֥ם כְּ֭/שׁוֹר אֶל טָ֣בַח יָב֑וֹא וּ֝/כְ/עֶ֗כֶס אֶל מוּסַ֥ר אֱוִֽיל
STATEN

Hij ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging der boeien.

23
עַ֤ד יְפַלַּ֪ח חֵ֡ץ כְּֽבֵד֗/וֹ כְּ/מַהֵ֣ר צִפּ֣וֹר אֶל פָּ֑ח וְ/לֹֽא יָ֝דַ֗ע כִּֽי בְ/נַפְשׁ֥/וֹ הֽוּא
STATEN

Totdat hem de pijl zijn lever doorsneed; gelijk een vogel zich haast naar den strik, en niet weet, dat dezelve tegen zijn leven is.

24
וְ/עַתָּ֣ה בָ֭נִים שִׁמְעוּ לִ֑/י וְ֝/הַקְשִׁ֗יבוּ לְ/אִמְרֵי פִֽ/י
STATEN

Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.

25
אַל יֵ֣שְׂטְ אֶל דְּרָכֶ֣י/הָ לִבֶּ֑/ךָ אַל תֵּ֝תַע בִּ/נְתִיבוֹתֶֽי/הָ
STATEN

Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaal niet op haar paden.

26
כִּֽי רַבִּ֣ים חֲלָלִ֣ים הִפִּ֑ילָה וַ֝/עֲצֻמִ֗ים כָּל הֲרֻגֶֽי/הָ
STATEN

Want zij heeft veel gewonden nedergeveld, en al haar gedoden zijn machtig vele.

27
דַּרְכֵ֣י שְׁא֣וֹל בֵּיתָ֑/הּ יֹ֝רְד֗וֹת אֶל חַדְרֵי מָֽוֶת
STATEN

Haar huis zijn wegen des grafs, dalende naar de binnenkameren des doods.