KETUVIM

Spreuken 27

מִשְׁלֵי
Hoofdstukken (31)
12345678910111213141516171819202122232425262728293031
Getuigen
Interlineair
1
אַֽל תִּ֭תְהַלֵּל בְּ/י֣וֹם מָחָ֑ר כִּ֤י לֹא תֵ֝דַ֗ע מַה יֵּ֥לֶד יֽוֹם
STATEN

Beroem u niet over den dag van morgen; want gij weet niet, wat de dag zal baren.

2
יְהַלֶּלְ/ךָ֣ זָ֣ר וְ/לֹא פִ֑י/ךָ נָ֝כְרִ֗י וְ/אַל שְׂפָתֶֽי/ךָ
STATEN

Laat u een vreemde prijzen, en niet uw mond; een onbekende, en niet uw lippen.

3
כֹּֽבֶד אֶ֭בֶן וְ/נֵ֣טֶל הַ/ח֑וֹל וְ/כַ֥עַס אֱ֝וִ֗יל כָּבֵ֥ד מִ/שְּׁנֵי/הֶֽם
STATEN

Een steen is zwaar, en het zand gewichtig; maar de toornigheid des dwazen is zwaarder dan die beide.

4
אַכְזְרִיּ֣וּת חֵ֭מָה וְ/שֶׁ֣טֶף אָ֑ף וּ/מִ֥י יַ֝עֲמֹד לִ/פְנֵ֥י קִנְאָֽה
STATEN

Grimmigheid en overloping van toorn is wreedheid; maar wie zal voor nijdigheid bestaan?

5
ט֭וֹבָה תּוֹכַ֣חַת מְגֻלָּ֑ה מֵֽ/אַהֲבָ֥ה מְסֻתָּֽרֶת
STATEN

Openbare bestraffing is beter dan verborgene liefde.

6
נֶ֭אֱמָנִים פִּצְעֵ֣י אוֹהֵ֑ב וְ֝/נַעְתָּר֗וֹת נְשִׁיק֥וֹת שׂוֹנֵֽא
STATEN

De wonden des liefhebbers zijn getrouw; maar de kussingen des haters zijn af te bidden.

7
נֶ֣פֶשׁ שְׂ֭בֵעָה תָּב֣וּס נֹ֑פֶת וְ/נֶ֥פֶשׁ רְ֝עֵבָ֗ה כָּל מַ֥ר מָתֽוֹק
STATEN

Een verzadigde ziel vertreedt het honigzeem; maar aan een hongerige ziel is alle bitter zoet.

8
כְּ֭/צִפּוֹר נוֹדֶ֣דֶת מִן קִנָּ֑/הּ כֵּֽן אִ֝֗ישׁ נוֹדֵ֥ד מִ/מְּקוֹמֽ/וֹ
STATEN

Gelijk een vogel is, die uit zijn nest omdoolt, alzo is een man, die omdoolt uit zijn plaats.

9
שֶׁ֣מֶן וּ֭/קְטֹרֶת יְשַׂמַּֽח לֵ֑ב וּ/מֶ֥תֶק רֵ֝עֵ֗/הוּ מֵֽ/עֲצַת נָֽפֶשׁ
STATEN

Olie en reukwerk verblijdt het hart; alzo is de zoetigheid van iemands vriend, vanwege den raad der ziel.

10
רֵֽעֲ/ךָ֨ ו/רעה אָבִ֡י/ךָ אַֽל תַּעֲזֹ֗ב וּ/בֵ֥ית אָחִ֗י/ךָ אַל תָּ֭בוֹא בְּ/י֣וֹם אֵידֶ֑/ךָ ט֥וֹב שָׁכֵ֥ן קָ֝ר֗וֹב מֵ/אָ֥ח רָחֽוֹק וְ/רֵ֪עַ
STATEN

Verlaat uw vriend, noch den vriend uws vaders niet; en ga ten huize uws broeders niet op den dag van uw tegenspoed. Beter is een gebuur die nabij is, dan een broeder, die verre is.

11
חֲכַ֣ם בְּ֭נִ/י וְ/שַׂמַּ֣ח לִבִּ֑/י וְ/אָשִׁ֖יבָה חֹרְפִ֣/י דָבָֽר
STATEN

Zijt wijs, mijn zoon, en verblijd mijn hart; opdat ik mijn smader wat te antwoorden heb.

12
עָר֤וּם רָאָ֣ה רָעָ֣ה נִסְתָּ֑ר פְּ֝תָאיִ֗ם עָבְר֥וּ נֶעֱנָֽשׁוּ
STATEN

De kloekzinnige ziet het kwaad, en verbergt zich; de slechten gaan henen door, en worden gestraft.

13
קַח בִּ֭גְד/וֹ כִּי עָ֣רַב זָ֑ר וּ/בְעַ֖ד נָכְרִיָּ֣ה חַבְלֵֽ/הוּ
STATEN

Als iemand voor een vreemde borg geworden is, neem zijn kleed, en pand hem voor een onbekende vrouw.

14
מְבָ֘רֵ֤ךְ רֵעֵ֨/הוּ בְּ/ק֣וֹל גָּ֭דוֹל בַּ/בֹּ֣קֶר הַשְׁכֵּ֑ים קְ֝לָלָ֗ה תֵּחָ֥שֶׁב לֽ/וֹ
STATEN

Die zijn vriend zegent met luider stem, zich des morgens vroeg opmakende, het zal hem tot een vloek gerekend worden.

15
דֶּ֣לֶף ט֭וֹרֵד בְּ/י֣וֹם סַגְרִ֑יר וְ/אֵ֥שֶׁת מדונים נִשְׁתָּוָֽה מִ֝דְיָנִ֗ים
STATEN

Een gedurige druiping ten dage des slagregens en een kijfachtige huisvrouw zijn even gelijk.

16
צֹפְנֶ֥י/הָ צָֽפַן ר֑וּחַ וְ/שֶׁ֖מֶן יְמִינ֣/וֹ יִקְרָֽא
STATEN

Elkeen, die haar verbergt, zou den wind verbergen, en de olie zijner rechterhand, die roept.

17
בַּרְזֶ֣ל בְּ/בַרְזֶ֣ל יָ֑חַד וְ֝/אִ֗ישׁ יַ֣חַד פְּנֵֽי רֵעֵֽ/הוּ
STATEN

IJzer scherpt men met ijzer; alzo scherpt een man het aangezicht zijns naasten.

18
נֹצֵ֣ר תְּ֭אֵנָה יֹאכַ֣ל פִּרְיָ֑/הּ וְ/שֹׁמֵ֖ר אֲדֹנָ֣י/ו יְכֻבָּֽד
STATEN

Die den vijgeboom bewaart, zal zijn vrucht eten; en die zijn heer waarneemt, zal geëerd worden.

19
כַּ֭/מַּיִם הַ/פָּנִ֣ים לַ/פָּנִ֑ים כֵּ֤ן לֵֽב הָ֝/אָדָ֗ם לָ/אָדָֽם
STATEN

Gelijk in het water het aangezicht is tegen het aangezicht, alzo is des mensen hart tegen den mens.

20
שְׁא֣וֹל ו/אבדה לֹ֣א תִשְׂבַּ֑עְנָה וְ/עֵינֵ֥י הָ֝/אָדָ֗ם לֹ֣א תִשְׂבַּֽעְנָה וַ֭/אֲבַדּוֹ
STATEN

De hel en het verderf worden niet verzadigd; alzo worden de ogen des mensen niet verzadigd.

21
מַצְרֵ֣ף לַ֭/כֶּסֶף וְ/כ֣וּר לַ/זָּהָ֑ב וְ֝/אִ֗ישׁ לְ/פִ֣י מַהֲלָלֽ/וֹ
STATEN

De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; alzo is een man naar zijn lof te proeven.

22
אִ֥ם תִּכְתּֽוֹשׁ אֶת הָ/אֱוִ֨יל בַּֽ/מַּכְתֵּ֡שׁ בְּ/ת֣וֹךְ הָ֭/רִיפוֹת בַּֽ/עֱלִ֑י לֹא תָס֥וּר מֵ֝/עָלָ֗י/ו אִוַּלְתּֽ/וֹ
STATEN

Al stiet gij den dwaas in een mortier met een stamper, in het midden van het gestoten graan, zijn dwaasheid zou van hem niet afwijken.

23
יָדֹ֣עַ תֵּ֭דַע פְּנֵ֣י צֹאנֶ֑/ךָ שִׁ֥ית לִ֝בְּ/ךָ֗ לַ/עֲדָרִֽים
STATEN

Zijt naarstig, om het aangezicht uwer schapen te kennen; zet uw hart op de kudden.

24
כִּ֤י לֹ֣א לְ/עוֹלָ֣ם חֹ֑סֶן וְ/אִם נֵ֝֗זֶר לְ/ד֣וֹר דור וָ/דֽוֹר
STATEN

Want de schat is niet tot in eeuwigheid; of zal de kroon van geslacht tot geslacht zijn?

25
גָּלָ֣ה חָ֭צִיר וְ/נִרְאָה דֶ֑שֶׁא וְ֝/נֶאֶסְפ֗וּ עִשְּׂב֥וֹת הָרִֽים
STATEN

Als het gras zich openbaart, en de grasscheuten gezien worden, laat de kruiden der bergen verzameld worden.

26
כְּבָשִׂ֥ים לִ/לְבוּשֶׁ֑/ךָ וּ/מְחִ֥יר שָׂ֝דֶ֗ה עַתּוּדִֽים
STATEN

De lammeren zullen zijn tot uw kleding, en de bokken de prijs des velds.

27
וְ/דֵ֤י חֲלֵ֬ב עִזִּ֗ים לְֽ֭/לַחְמְ/ךָ לְ/לֶ֣חֶם בֵּיתֶ֑/ךָ וְ֝/חַיִּ֗ים לְ/נַעֲרוֹתֶֽי/ךָ
STATEN

Daartoe zult gij genoegzaamheid van geitenmelk hebben tot uw spijze, tot spijze van uw huis, en leeftocht uwer maagden.