KETUVIM

Spreuken 9

מִשְׁלֵי
Hoofdstukken (31)
12345678910111213141516171819202122232425262728293031
Getuigen
Interlineair
1
חָ֭כְמוֹת בָּנְתָ֣ה בֵיתָ֑/הּ חָצְבָ֖ה עַמּוּדֶ֣י/הָ שִׁבְעָֽה
STATEN

De opperste Wijsheid heeft Haar huis gebouwd; Zij heeft Haar zeven pilaren gehouwen.

2
טָבְחָ֣ה טִ֭בְחָ/הּ מָסְכָ֣ה יֵינָ֑/הּ אַ֝֗ף עָֽרְכָ֥ה שֻׁלְחָנָֽ/הּ
STATEN

Zij heeft Haar slachtvee geslacht. Zij heeft Haar wijn gemengd; ook heeft Zij Haar tafel toegericht.

3
שָֽׁלְחָ֣ה נַעֲרֹתֶ֣י/הָ תִקְרָ֑א עַל גַּ֝פֵּ֗י מְרֹ֣מֵי קָֽרֶת
STATEN

Zij heeft Haar dienstmaagden uitgezonden; Zij nodigt op de tinnen van de hoogten der stad:

4
מִי פֶ֭תִי יָסֻ֣ר הֵ֑נָּה חֲסַר לֵ֝֗ב אָ֣מְרָה לּֽ/וֹ
STATEN

Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts! Tot de verstandeloze zegt Zij:

5
לְ֭כוּ לַחֲמ֣וּ בְֽ/לַחֲמִ֑/י וּ֝/שְׁת֗וּ בְּ/יַ֣יִן מָסָֽכְתִּי
STATEN

Komt, eet van Mijn brood, en drinkt van den wijn, dien Ik gemengd heb.

6
עִזְב֣וּ פְתָאיִ֣ם וִֽ/חְי֑וּ וְ֝/אִשְׁר֗וּ בְּ/דֶ֣רֶךְ בִּינָֽה
STATEN

Verlaat de slechtigheden, en leeft; en treedt in den weg des verstands.

7
יֹ֤סֵ֨ר לֵ֗ץ לֹקֵ֣חַֽ ל֣/וֹ קָל֑וֹן וּ/מוֹכִ֖יחַ לְ/רָשָׁ֣ע מוּמֽ/וֹ
STATEN

Wie den spotter tuchtigt, behaalt zich schande; en die den goddeloze bestraft, zijn schandvlek.

8
אַל תּ֣וֹכַח לֵ֭ץ פֶּן יִשְׂנָאֶ֑/ךָּ הוֹכַ֥ח לְ֝/חָכָ֗ם וְ/יֶאֱהָבֶֽ/ךָּ
STATEN

Bestraf den spotter niet, opdat hij u niet hate; bestraf den wijze, en hij zal u liefhebben.

9
תֵּ֣ן לְ֭/חָכָם וְ/יֶחְכַּם ע֑וֹד הוֹדַ֥ע לְ֝/צַדִּ֗יק וְ/י֣וֹסֶף לֶֽקַח
STATEN

Leer den wijze, zo zal hij nog wijzer worden; onderwijs den rechtvaardige, zo zal hij in leer toenemen.

10
תְּחִלַּ֣ת חָ֭כְמָה יִרְאַ֣ת יְהוָ֑ה וְ/דַ֖עַת קְדֹשִׁ֣ים בִּינָֽה
STATEN

De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid, en de wetenschap der heiligen is verstand.

11
כִּי בִ֭/י יִרְבּ֣וּ יָמֶ֑י/ךָ וְ/יוֹסִ֥יפוּ לְּ֝/ךָ֗ שְׁנ֣וֹת חַיִּֽים
STATEN

Want door Mij zullen uw dagen vermenigvuldigen, en de jaren des levens zullen u toegedaan worden.

12
אִם חָ֭כַמְתָּ חָכַ֣מְתָּ לָּ֑/ךְ וְ֝/לַ֗צְתָּ לְֽ/בַדְּ/ךָ֥ תִשָּֽׂא
STATEN

Indien gij wijs zijt, gij zijt wijs voor uzelven; en zijt gij een spotter, gij zult het alleen dragen.

13
אֵ֣שֶׁת כְּ֭סִילוּת הֹֽמִיָּ֑ה פְּ֝תַיּ֗וּת וּ/בַל יָ֥דְעָה מָּֽה
STATEN

Een zotte vrouw is woelachtig, de slechtigheid zelve, en weet niet met al.

14
וְֽ֭/יָשְׁבָה לְ/פֶ֣תַח בֵּיתָ֑/הּ עַל כִּ֝סֵּ֗א מְרֹ֣מֵי קָֽרֶת
STATEN

En zij zit aan de deur van haar huis, op een stoel, op de hoge plaatsen der stad;

15
לִ/קְרֹ֥א לְ/עֹֽבְרֵי דָ֑רֶךְ הַֽ֝/מְיַשְּׁרִ֗ים אֹֽרְחוֹתָֽ/ם
STATEN

Om te roepen degenen, die op den weg voorbijgaan, die hun paden recht maken, zeggende:

16
מִי פֶ֭תִי יָסֻ֣ר הֵ֑נָּה וַ/חֲסַר לֵ֝֗ב וְ/אָ֣מְרָה לּֽ/וֹ
STATEN

Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts; en tot den verstandeloze zegt zij:

17
מַֽיִם גְּנוּבִ֥ים יִמְתָּ֑קוּ וְ/לֶ֖חֶם סְתָרִ֣ים יִנְעָֽם
STATEN

De gestolen wateren zijn zoet, en het verborgen brood is liefelijk.

18
וְֽ/לֹא יָ֭דַע כִּֽי רְפָאִ֣ים שָׁ֑ם בְּ/עִמְקֵ֖י שְׁא֣וֹל קְרֻאֶֽי/הָ
STATEN

Maar hij weet niet, dat aldaar doden zijn; haar genoden zijn in de diepten der hel.