Ga naar inhoud
KETUVIM

Spreuken 25

מִשְׁלֵי
Hoofdstukken (36)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
גַּם אֵ֭לֶּה מִשְׁלֵ֣י שְׁלֹמֹ֑ה אֲשֶׁ֥ר הֶ֝עְתִּ֗יקוּ אַנְשֵׁ֤י חִזְקִיָּ֬ה מֶֽלֶךְ יְהוּדָֽה־׀־׃
STATEN

Dit zijn ook spreuken van Sálomo, die de mannen van Hizkía, den koning van Juda, uitgeschreven hebben.

2
כְּבֹ֣ד אֱ֭לֹהִים הַסְתֵּ֣ר דָּבָ֑ר וּ/כְבֹ֥ד מְ֝לָכִ֗ים חֲקֹ֣ר דָּבָֽר׃
STATEN

Het is Gods eer een zaak te verbergen; maar de eer der koningen een zaak te doorgronden.

3
שָׁמַ֣יִם לָ֭/רוּם וָ/אָ֣רֶץ לָ/עֹ֑מֶק וְ/לֵ֥ב מְ֝לָכִ֗ים אֵ֣ין חֵֽקֶר׃
STATEN

Aan de hoogte des hemels, en aan de diepte der aarde, en aan het hart der koningen is geen doorgronding.

4
הָג֣וֹ סִיגִ֣ים מִ/כָּ֑סֶף וַ/יֵּצֵ֖א לַ/צֹּרֵ֣ף כֶּֽלִי׃
STATEN

Doe het schuim van het zilver weg, en er zal een vat voor den smelter uitkomen;

5
הָג֣וֹ רָ֭שָׁע לִ/פְנֵי מֶ֑לֶךְ וְ/יִכּ֖וֹן בַּ/צֶּ֣דֶק כִּסְאֽ/וֹ־׃
STATEN

Doe den goddelozen weg van het aangezicht des konings, en zijn troon zal door gerechtigheid bevestigd worden.

6
אַל תִּתְהַדַּ֥ר לִ/פְנֵי מֶ֑לֶךְ וּ/בִ/מְק֥וֹם גְּ֝דֹלִ֗ים אַֽל תַּעֲמֹֽד־־־׃
STATEN

Praal niet voor het aangezicht des konings, en sta niet in de plaats der groten;

7
כִּ֤י ט֥וֹב אֲמָר לְ/ךָ֗ עֲֽלֵ֫ה הֵ֥נָּה מֵֽ֭/הַשְׁפִּ֣ילְ/ךָ לִ/פְנֵ֣י נָדִ֑יב אֲשֶׁ֖ר רָא֣וּ עֵינֶֽי/ךָ־׃
STATEN

Want het is beter, dat men tot u zegge: Kom hier bovenaan, dan dat men u vernedere voor het aangezicht eens prinsen, dien uw ogen gezien hebben.

8
אַל תֵּצֵ֥א לָ/רִ֗ב מַ֫הֵ֥ר פֶּ֣ן מַה תַּ֭עֲשֶׂה בְּ/אַחֲרִיתָ֑/הּ בְּ/הַכְלִ֖ים אֹתְ/ךָ֣ רֵעֶֽ/ךָ־־׃
STATEN

Vaar niet haastelijk voort om te twisten, opdat gij misschien in het laatste daarvan niet wat doet, als uw naaste u zou mogen beschaamd hebben.

9
רִֽ֭יבְ/ךָ רִ֣יב אֶת רֵעֶ֑/ךָ וְ/ס֖וֹד אַחֵ֣ר אַל תְּגָֽל־־׃
STATEN

Twist uw twistzaak met uw naaste; maar openbaar het heimelijke van een ander niet;

10
פֶּֽן יְחַסֶּדְ/ךָ֥ שֹׁמֵ֑עַ וְ֝/דִבָּתְ/ךָ֗ לֹ֣א תָשֽׁוּב־׃
STATEN

Opdat degene, die het hoort, u niet smade; want uw kwaad gerucht zou niet afgekeerd worden.

11
תַּפּוּחֵ֣י זָ֭הָב בְּ/מַשְׂכִּיּ֥וֹת כָּ֑סֶף דָּ֝בָ֗ר דָּבֻ֥ר עַל אָפְנָֽי/ו־׃
STATEN

Een rede, op zijn pas gesproken, is als gouden appelen in zilveren gebeelde schalen.

12
נֶ֣זֶם זָ֭הָב וַ/חֲלִי כָ֑תֶם מוֹכִ֥יחַ חָ֝כָ֗ם עַל אֹ֥זֶן שֹׁמָֽעַת־־׃
STATEN

Een wijs bestraffer bij een horend oor, is een gouden oorsiersel, en een halssieraad van het fijnste goud.

Op De Naamdragers

Blogs over Spreuken 25

Nog geen artikelen die specifiek naar Spreuken 25 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →