KETUVIM
Spreuken 17
מִשְׁלֵי
Hoofdstukken (36)← → toetsen
Getuigen
ט֤וֹב פַּ֣ת חֲ֭רֵבָה וְ/שַׁלְוָה בָ֑/הּ מִ֝/בַּ֗יִת מָלֵ֥א זִבְחֵי רִֽיב־־׃
STATEN
Een droge bete, en rust daarbij, is beter, dan een huis vol van geslachte beesten met twist.
עֶֽבֶד מַשְׂכִּ֗יל יִ֭מְשֹׁל בְּ/בֵ֣ן מֵבִ֑ישׁ וּ/בְ/ת֥וֹךְ אַ֝חִ֗ים יַחֲלֹ֥ק נַחֲלָֽה־׃
STATEN
Een verstandig knecht zal heersen over een zoon, die beschaamd maakt, en in het midden der broederen zal hij erfenis delen.
מַצְרֵ֣ף לַ֭/כֶּסֶף וְ/כ֣וּר לַ/זָּהָ֑ב וּ/בֹחֵ֖ן לִבּ֣וֹת יְהוָֽה׃
STATEN
De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; maar de HEERE proeft de harten.
מֵ֭רַע מַקְשִׁ֣יב עַל שְׂפַת אָ֑וֶן שֶׁ֥קֶר מֵ֝זִין עַל לְשׁ֥וֹן הַוֺּֽת־־־׃
STATEN
De boosdoener merkt op de ongerechtige lip; een leugenaar neigt het oor tot de verkeerde tong.
לֹעֵ֣ג לָ֭/רָשׁ חֵרֵ֣ף עֹשֵׂ֑/הוּ שָׂמֵ֥חַ לְ֝/אֵ֗יד לֹ֣א יִנָּקֶֽה׃
STATEN
Die den arme bespot, smaadt deszelfs Maker; die zich verblijdt in het verderf, zal niet onschuldig zijn.
עֲטֶ֣רֶת זְ֭קֵנִים בְּנֵ֣י בָנִ֑ים וְ/תִפְאֶ֖רֶת בָּנִ֣ים אֲבוֹתָֽ/ם׃
STATEN
De kroon der ouden zijn de kindskinderen, en der kinderen sieraad zijn hun vaderen.
לֹא נָאוָ֣ה לְ/נָבָ֣ל שְׂפַת יֶ֑תֶר אַ֝֗ף כִּֽי לְ/נָדִ֥יב שְׂפַת שָֽׁקֶר־־־־׃
STATEN
Een voortreffelijke lip past een dwaze niet, veelmin een prins een leugenachtige lip.
אֶֽבֶן חֵ֣ן הַ֭/שֹּׁחַד בְּ/עֵינֵ֣י בְעָלָ֑י/ו אֶֽל כָּל אֲשֶׁ֖ר יִפְנֶ֣ה יַשְׂכִּֽיל־־־׃
STATEN
Het geschenk is in de ogen zijner heren een aangenaam gesteente; waarhenen het zich zal wenden, zal het wel gedijen.
מְֽכַסֶּה פֶּ֭שַׁע מְבַקֵּ֣שׁ אַהֲבָ֑ה וְ/שֹׁנֶ֥ה בְ֝/דָבָ֗ר מַפְרִ֥יד אַלּֽוּף־׃
STATEN
Die de overtreding toedekt, zoekt liefde; maar die de zaak weder ophaalt, scheidt den voornaamsten vriend.
תֵּ֣חַת גְּעָרָ֣ה בְ/מֵבִ֑ין מֵ/הַכּ֖וֹת כְּסִ֣יל מֵאָֽה׃
STATEN
De bestraffing gaat dieper in den verstandige, dan den zot honderdmaal te slaan.
אַךְ מְרִ֥י יְבַקֶּשׁ רָ֑ע וּ/מַלְאָ֥ךְ אַ֝כְזָרִ֗י יְשֻׁלַּח בּֽ/וֹ־־־׃
STATEN
Zekerlijk, de wederspannige zoekt het kwaad; maar een wrede bode zal tegen hem gezonden worden.
פָּג֬וֹשׁ דֹּ֣ב שַׁכּ֣וּל בְּ/אִ֑ישׁ וְ/אַל כְּ֝סִ֗יל בְּ/אִוַּלְתּֽ/וֹ־׃
STATEN
Dat een beer, die van jongen beroofd is, een man tegemoet kome, maar niet een zot in zijn dwaasheid.