KETUVIM
Spreuken 18
מִשְׁלֵי
Hoofdstukken (36)← → toetsen
Getuigen
לְֽ֭/תַאֲוָה יְבַקֵּ֣שׁ נִפְרָ֑ד בְּ/כָל תּ֝וּשִׁיָּ֗ה יִתְגַּלָּֽע־׃
STATEN
Die zich afzondert, tracht naar wat begeerlijks; hij vermengt zich in alle bestendige wijsheid.
לֹֽא יַחְפֹּ֣ץ כְּ֭סִיל בִּ/תְבוּנָ֑ה כִּ֝֗י אִֽם בְּ/הִתְגַּלּ֥וֹת לִבּֽ/וֹ־־׃
STATEN
De zot heeft geen lust aan verstandigheid, maar daarin, dat zijn hart zich ontdekt.
בְּֽ/בוֹא רָ֭שָׁע בָּ֣א גַם בּ֑וּז וְֽ/עִם קָל֥וֹן חֶרְפָּֽה־־־׃
STATEN
Als de goddeloze komt, komt ook de verachting en met schande versmaadheid.
מַ֣יִם עֲ֭מֻקִּים דִּבְרֵ֣י פִי אִ֑ישׁ נַ֥חַל נֹ֝בֵ֗עַ מְק֣וֹר חָכְמָֽה־׃
STATEN
De woorden van den mond eens mans zijn diepe wateren; en de springader der wijsheid is een uitstortende beek.
שְׂאֵ֣ת פְּנֵי רָשָׁ֣ע לֹא ט֑וֹב לְ/הַטּ֥וֹת צַ֝דִּ֗יק בַּ/מִּשְׁפָּֽט־־׃
STATEN
Het is niet goed, het aangezicht des goddelozen aan te nemen, om den rechtvaardige in het gericht te buigen.
שִׂפְתֵ֣י כְ֭סִיל יָבֹ֣אֽוּ בְ/רִ֑יב וּ֝/פִ֗י/ו לְֽ/מַהֲלֻמ֥וֹת יִקְרָֽא׃
STATEN
De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen.
פִּֽי כְ֭סִיל מְחִתָּה ל֑/וֹ וּ֝/שְׂפָתָ֗י/ו מוֹקֵ֥שׁ נַפְשֽׁ/וֹ־־׃
STATEN
De mond des zots is hemzelven een verstoring, en zijn lippen een strik zijner ziel.
דִּבְרֵ֣י נִ֭רְגָּן כְּ/מִֽתְלַהֲמִ֑ים וְ֝/הֵ֗ם יָרְד֥וּ חַדְרֵי בָֽטֶן־׃
STATEN
De woorden des oorblazers zijn als dergenen, die geslagen zijn, en die dalen in het binnenste des buiks.
גַּ֭ם מִתְרַפֶּ֣ה בִ/מְלַאכְתּ֑/וֹ אָ֥ח ה֝֗וּא לְ/בַ֣עַל מַשְׁחִֽית׃
STATEN
Ook die zich slap aanstelt in zijn werk, die is een broeder van een doorbrenger.
מִגְדַּל עֹ֭ז שֵׁ֣ם יְהוָ֑ה בּֽ/וֹ יָר֖וּץ צַדִּ֣יק וְ/נִשְׂגָּֽב־־׃
STATEN
De Naam des HEEREN is een Sterke Toren; de rechtvaardige zal daarhenen lopen, en in een Hoog Vertrek gesteld worden.
ה֣וֹן עָ֭שִׁיר קִרְיַ֣ת עֻזּ֑/וֹ וּ/כְ/חוֹמָ֥ה נִ֝שְׂגָּבָ֗ה בְּ/מַשְׂכִּיתֽ/וֹ׃
STATEN
Des rijken goed is de stad zijner sterkte, en als een verheven muur in zijn inbeelding.
לִ/פְנֵי שֶׁ֭בֶר יִגְבַּ֣הּ לֵב אִ֑ישׁ וְ/לִ/פְנֵ֖י כָב֣וֹד עֲנָוָֽה־־׃
STATEN
Vóór de verbreking zal des mensen hart zich verheffen; en de nederigheid gaat vóór de eer.