KETUVIM

Spreuken 18

מִשְׁלֵי
Hoofdstukken (31)
12345678910111213141516171819202122232425262728293031
Getuigen
Interlineair
1
לְֽ֭/תַאֲוָה יְבַקֵּ֣שׁ נִפְרָ֑ד בְּ/כָל תּ֝וּשִׁיָּ֗ה יִתְגַּלָּֽע
STATEN

Die zich afzondert, tracht naar wat begeerlijks; hij vermengt zich in alle bestendige wijsheid.

2
לֹֽא יַחְפֹּ֣ץ כְּ֭סִיל בִּ/תְבוּנָ֑ה כִּ֝֗י אִֽם בְּ/הִתְגַּלּ֥וֹת לִבּֽ/וֹ
STATEN

De zot heeft geen lust aan verstandigheid, maar daarin, dat zijn hart zich ontdekt.

3
בְּֽ/בוֹא רָ֭שָׁע בָּ֣א גַם בּ֑וּז וְֽ/עִם קָל֥וֹן חֶרְפָּֽה
STATEN

Als de goddeloze komt, komt ook de verachting en met schande versmaadheid.

4
מַ֣יִם עֲ֭מֻקִּים דִּבְרֵ֣י פִי אִ֑ישׁ נַ֥חַל נֹ֝בֵ֗עַ מְק֣וֹר חָכְמָֽה
STATEN

De woorden van den mond eens mans zijn diepe wateren; en de springader der wijsheid is een uitstortende beek.

5
שְׂאֵ֣ת פְּנֵי רָשָׁ֣ע לֹא ט֑וֹב לְ/הַטּ֥וֹת צַ֝דִּ֗יק בַּ/מִּשְׁפָּֽט
STATEN

Het is niet goed, het aangezicht des goddelozen aan te nemen, om den rechtvaardige in het gericht te buigen.

6
שִׂפְתֵ֣י כְ֭סִיל יָבֹ֣אֽוּ בְ/רִ֑יב וּ֝/פִ֗י/ו לְֽ/מַהֲלֻמ֥וֹת יִקְרָֽא
STATEN

De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen.

7
פִּֽי כְ֭סִיל מְחִתָּה ל֑/וֹ וּ֝/שְׂפָתָ֗י/ו מוֹקֵ֥שׁ נַפְשֽׁ/וֹ
STATEN

De mond des zots is hemzelven een verstoring, en zijn lippen een strik zijner ziel.

8
דִּבְרֵ֣י נִ֭רְגָּן כְּ/מִֽתְלַהֲמִ֑ים וְ֝/הֵ֗ם יָרְד֥וּ חַדְרֵי בָֽטֶן
STATEN

De woorden des oorblazers zijn als dergenen, die geslagen zijn, en die dalen in het binnenste des buiks.

9
גַּ֭ם מִתְרַפֶּ֣ה בִ/מְלַאכְתּ֑/וֹ אָ֥ח ה֝֗וּא לְ/בַ֣עַל מַשְׁחִֽית
STATEN

Ook die zich slap aanstelt in zijn werk, die is een broeder van een doorbrenger.

10
מִגְדַּל עֹ֭ז שֵׁ֣ם יְהוָ֑ה בּֽ/וֹ יָר֖וּץ צַדִּ֣יק וְ/נִשְׂגָּֽב
STATEN

De Naam des HEEREN is een Sterke Toren; de rechtvaardige zal daarhenen lopen, en in een Hoog Vertrek gesteld worden.

11
ה֣וֹן עָ֭שִׁיר קִרְיַ֣ת עֻזּ֑/וֹ וּ/כְ/חוֹמָ֥ה נִ֝שְׂגָּבָ֗ה בְּ/מַשְׂכִּיתֽ/וֹ
STATEN

Des rijken goed is de stad zijner sterkte, en als een verheven muur in zijn inbeelding.

12
לִ/פְנֵי שֶׁ֭בֶר יִגְבַּ֣הּ לֵב אִ֑ישׁ וְ/לִ/פְנֵ֖י כָב֣וֹד עֲנָוָֽה
STATEN

Vóór de verbreking zal des mensen hart zich verheffen; en de nederigheid gaat vóór de eer.

13
מֵשִׁ֣יב דָּ֭בָר בְּ/טֶ֣רֶם יִשְׁמָ֑ע אִוֶּ֥לֶת הִיא ל֝֗/וֹ וּ/כְלִמָּֽה
STATEN

Die antwoord geeft, eer hij zal gehoord hebben, dat is hem dwaasheid en schande.

14
רֽוּחַ אִ֭ישׁ יְכַלְכֵּ֣ל מַחֲלֵ֑/הוּ וְ/ר֥וּחַ נְ֝כֵאָ֗ה מִ֣י יִשָּׂאֶֽ/נָּה
STATEN

De geest eens mans zal zijn krankheid ondersteunen; maar een verslagen geest, wie zal dien opheffen?

15
לֵ֣ב נָ֭בוֹן יִקְנֶה דָּ֑עַת וְ/אֹ֥זֶן חֲ֝כָמִ֗ים תְּבַקֶּשׁ דָּֽעַת
STATEN

Het hart des verstandigen bekomt wetenschap, en het oor der wijzen zoekt wetenschap.

16
מַתָּ֣ן אָ֭דָם יַרְחִ֣יב ל֑/וֹ וְ/לִ/פְנֵ֖י גְדֹלִ֣ים יַנְחֶֽ/נּוּ
STATEN

De gift des mensen maakt hem ruimte, en zij geleidt hem voor het aangezicht der groten.

17
צַדִּ֣יק הָ/רִאשׁ֣וֹן בְּ/רִיב֑/וֹ יבא רֵ֝עֵ֗/הוּ וַ/חֲקָרֽ/וֹ וּ/בָֽא
STATEN

Die de eerste is in zijn twistzaak, schijnt rechtvaardig te zijn; maar zijn naaste komt, en hij onderzoekt hem.

18
מִ֭דְיָנִים יַשְׁבִּ֣ית הַ/גּוֹרָ֑ל וּ/בֵ֖ין עֲצוּמִ֣ים יַפְרִֽיד
STATEN

Het lot doet de geschillen ophouden, en maakt scheiding tussen machtigen.

19
אָ֗ח נִפְשָׁ֥ע מִ/קִּרְיַת עֹ֑ז ו/מדונים כִּ/בְרִ֥יחַ אַרְמֽוֹן וּ֝/מִדְיָנִ֗ים
STATEN

Een broeder is wederspanniger dan een sterke stad; en de geschillen zijn als een grendel van een paleis.

20
מִ/פְּרִ֣י פִי אִ֭ישׁ תִּשְׂבַּ֣ע בִּטְנ֑/וֹ תְּבוּאַ֖ת שְׂפָתָ֣י/ו יִשְׂבָּֽע
STATEN

Van de vrucht van ieders mond zal zijn buik verzadigd worden; hij zal verzadigd worden van de inkomst zijner lippen.

21
מָ֣וֶת וְ֭/חַיִּים בְּ/יַד לָשׁ֑וֹן וְ֝/אֹהֲבֶ֗י/הָ יֹאכַ֥ל פִּרְיָֽ/הּ
STATEN

Dood en leven zijn in het geweld der tong; en een ieder, die ze liefheeft, zal haar vrucht eten.

22
מָצָ֣א אִ֭שָּׁה מָ֣צָא ט֑וֹב וַ/יָּ֥פֶק רָ֝צ֗וֹן מֵ/יְהוָֽה
STATEN

Die een vrouw gevonden heeft, heeft een goede zaak gevonden, en hij heeft welgevallen getrokken van den HEERE.

23
תַּחֲנוּנִ֥ים יְדַבֶּר רָ֑שׁ וְ֝/עָשִׁ֗יר יַעֲנֶ֥ה עַזּֽוֹת
STATEN

De arme spreekt smekingen; maar de rijke antwoordt harde dingen.

24
אִ֣ישׁ רֵ֭עִים לְ/הִתְרֹעֵ֑עַ וְ/יֵ֥שׁ אֹ֝הֵ֗ב דָּבֵ֥ק מֵ/אָֽח
STATEN

Een man, die vrienden heeft, heeft zich vriendelijk te houden; want er is een liefhebber, die meer aankleeft dan een broeder.