KETUVIM
Spreuken 19
מִשְׁלֵי
Hoofdstukken (36)← → toetsen
Getuigen
טֽוֹב רָ֭שׁ הוֹלֵ֣ךְ בְּ/תֻמּ֑/וֹ מֵ/עִקֵּ֥שׁ שְׂ֝פָתָ֗י/ו וְ/ה֣וּא כְסִֽיל־׃
STATEN
De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.
גַּ֤ם בְּ/לֹא דַ֣עַת נֶ֣פֶשׁ לֹא ט֑וֹב וְ/אָ֖ץ בְּ/רַגְלַ֣יִם חוֹטֵֽא־־׃
STATEN
Ook is de ziel zonder wetenschap niet goed; en die met de voeten haastig is, zondigt.
אִוֶּ֣לֶת אָ֭דָם תְּסַלֵּ֣ף דַּרְכּ֑/וֹ וְ/עַל יְ֝הוָ֗ה יִזְעַ֥ף לִבּֽ/וֹ־׃
STATEN
De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
ה֗וֹן יֹ֭סִיף רֵעִ֣ים רַבִּ֑ים וְ֝/דָ֗ל מֵרֵ֥ע/הוּ יִפָּרֵֽד׃
STATEN
Het goed brengt veel vrienden toe; maar de arme wordt van zijn vriend gescheiden.
עֵ֣ד שְׁ֭קָרִים לֹ֣א יִנָּקֶ֑ה וְ/יָפִ֥יחַ כְּ֝זָבִ֗ים לֹ֣א יִמָּלֵֽט׃
STATEN
Een vals getuige zal niet onschuldig zijn; en die leugenen blaast, zal niet ontkomen.
רַ֭בִּים יְחַלּ֣וּ פְנֵֽי נָדִ֑יב וְ/כָל הָ֝/רֵ֗עַ לְ/אִ֣ישׁ מַתָּֽן־־׃
STATEN
Velen smeken het aangezicht des prinsen; en een ieder is een vriend desgenen, die giften geeft.
כָּ֥ל אֲחֵי רָ֨שׁ שְֽׂנֵאֻ֗/הוּ אַ֤ף כִּ֣י מְ֭רֵעֵ/הוּ רָחֲק֣וּ מִמֶּ֑/נּוּ מְרַדֵּ֖ף אֲמָרִ֣ים לא הֵֽמָּה־׀־׃ ל/וֹ
STATEN
Al de broeders des armen haten hem; hoeveel te meer gaan zijn vrienden verre van hem! Hij loopt hen na met woorden, die niets zijn.
קֹֽנֶה לֵּ֭ב אֹהֵ֣ב נַפְשׁ֑/וֹ שֹׁמֵ֥ר תְּ֝בוּנָ֗ה לִ/מְצֹא טֽוֹב־־׃
STATEN
Die verstand bekomt, heeft zijn ziel lief; hij neemt de verstandigheid waar, om het goede te vinden.
עֵ֣ד שְׁ֭קָרִים לֹ֣א יִנָּקֶ֑ה וְ/יָפִ֖יחַ כְּזָבִ֣ים יֹאבֵֽד׃פ
STATEN
Een vals getuige zal niet onschuldig zijn; en die leugenen blaast, zal vergaan.
לֹֽא נָאוֶ֣ה לִ/כְסִ֣יל תַּעֲנ֑וּג אַ֝֗ף כִּֽי לְ/עֶ֤בֶד מְשֹׁ֬ל בְּ/שָׂרִֽים־־׀׃
STATEN
De weelde staat een zot niet wel; hoeveel te min een knecht te heersen over vorsten!
שֵׂ֣כֶל אָ֭דָם הֶאֱרִ֣יךְ אַפּ֑/וֹ וְ֝/תִפאַרְתּ֗/וֹ עֲבֹ֣ר עַל פָּֽשַׁע־׃
STATEN
Het verstand des mensen vertrekt zijn toorn; en zijn sieraad is de overtreding voorbij te gaan.
נַ֣הַם כַּ֭/כְּפִיר זַ֣עַף מֶ֑לֶךְ וּ/כְ/טַ֖ל עַל עֵ֣שֶׂב רְצוֹנֽ/וֹ־׃
STATEN
Des konings gramschap is als het brullen eens jongen leeuws; maar zijn welgevallen is als dauw op het kruid.