KETUVIM

Spreuken 21

מִשְׁלֵי
Hoofdstukken (31)
12345678910111213141516171819202122232425262728293031
Getuigen
Interlineair
1
פַּלְגֵי מַ֣יִם לֶב מֶ֭לֶךְ בְּ/יַד יְהוָ֑ה עַֽל כָּל אֲשֶׁ֖ר יַחְפֹּ֣ץ יַטֶּֽ/נּוּ
STATEN

Des konings hart is in de hand des HEEREN als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil.

2
כָּֽל דֶּרֶךְ אִ֭ישׁ יָשָׁ֣ר בְּ/עֵינָ֑י/ו וְ/תֹכֵ֖ן לִבּ֣וֹת יְהוָֽה
STATEN

Alle weg des mensen is recht in zijn ogen; maar de HEERE weegt de harten.

3
עֲ֭שֹׂה צְדָקָ֣ה וּ/מִשְׁפָּ֑ט נִבְחָ֖ר לַ/יהוָ֣ה מִ/זָּֽבַח
STATEN

Gerechtigheid en recht te doen is bij den HEERE uitgelezener dan offer.

4
רוּם עֵ֭ינַיִם וּ/רְחַב לֵ֑ב נִ֖ר רְשָׁעִ֣ים חַטָּֽאת
STATEN

Hoogheid der ogen, en trotsheid des harten, en de ploeging der goddelozen, zijn zonde.

5
מַחְשְׁב֣וֹת חָ֭רוּץ אַךְ לְ/מוֹתָ֑ר וְ/כָל אָ֝֗ץ אַךְ לְ/מַחְסֽוֹר
STATEN

De gedachten des vlijtigen zijn alleen tot overschot; maar van een ieder, die haastig is, alleen tot gebrek.

6
פֹּ֣עַל א֭וֹצָרוֹת בִּ/לְשׁ֣וֹן שָׁ֑קֶר הֶ֥בֶל נִ֝דָּ֗ף מְבַקְשֵׁי מָֽוֶת
STATEN

Te arbeiden om schatten met een valse tong, is een voortgedrevene ijdelheid dergenen, die den dood zoeken.

7
שֹׁד רְשָׁעִ֥ים יְגוֹרֵ֑/ם כִּ֥י מֵ֝אֲנ֗וּ לַ/עֲשׂ֥וֹת מִשְׁפָּֽט
STATEN

De verwoesting der goddelozen zal hen doorsnijden, omdat zij weigeren recht te doen.

8
הֲפַכְפַּ֬ךְ דֶּ֣רֶךְ אִ֣ישׁ וָזָ֑ר וְ֝/זַ֗ךְ יָשָׁ֥ר פָּעֳלֽ/וֹ
STATEN

De weg des mensen is gans verkeerd en vreemd; maar het werk des zuiveren is recht.

9
ט֗וֹב לָ/שֶׁ֥בֶת עַל פִּנַּת גָּ֑ג מֵ/אֵ֥שֶׁת מִ֝דְיָנִ֗ים וּ/בֵ֥ית חָֽבֶר
STATEN

Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap.

10
נֶ֣פֶשׁ רָ֭שָׁע אִוְּתָה רָ֑ע לֹא יֻחַ֖ן בְּ/עֵינָ֣י/ו רֵעֵֽ/הוּ
STATEN

De ziel des goddelozen begeert het kwaad; zijn naaste krijgt geen genade in zijn ogen.

11
בַּ/עְנָשׁ לֵ֭ץ יֶחְכַּם פֶּ֑תִי וּ/בְ/הַשְׂכִּ֥יל לְ֝/חָכָ֗ם יִקַּח דָּֽעַת
STATEN

Als men den spotter straft, wordt de slechte wijs; en als men den wijze onderricht, neemt hij wetenschap aan.

12
מַשְׂכִּ֣יל צַ֭דִּיק לְ/בֵ֣ית רָשָׁ֑ע מְסַלֵּ֖ף רְשָׁעִ֣ים לָ/רָֽע
STATEN

De rechtvaardige let verstandelijk op des goddelozen huis, als God de goddelozen in het kwaad stort.

13
אֹטֵ֣ם אָ֭זְנ/וֹ מִ/זַּעֲקַת דָּ֑ל גַּֽם ה֥וּא יִ֝קְרָ֗א וְ/לֹ֣א יֵעָנֶֽה
STATEN

Die zijn oor stopt voor het geschrei des armen, die zal ook roepen, en niet verhoord worden.

14
מַתָּ֣ן בַּ֭/סֵּתֶר יִכְפֶּה אָ֑ף וְ/שֹׁ֥חַד בַּ֝/חֵ֗ק חֵמָ֥ה עַזָּֽה
STATEN

Een gift in het verborgene houdt den toorn onder, en een geschenk in den schoot de sterke grimmigheid.

15
שִׂמְחָ֣ה לַ֭/צַּדִּיק עֲשׂ֣וֹת מִשְׁפָּ֑ט וּ֝/מְחִתָּ֗ה לְ/פֹ֣עֲלֵי אָֽוֶן
STATEN

Het is den rechtvaardige een blijdschap recht te doen; maar voor de werkers der ongerechtigheid is het verschrikking.

16
אָדָ֗ם תּ֭וֹעֶה מִ/דֶּ֣רֶךְ הַשְׂכֵּ֑ל בִּ/קְהַ֖ל רְפָאִ֣ים יָנֽוּחַ
STATEN

Een mens, die van den weg des verstands afdwaalt, zal in de gemeente der doden rusten.

17
אִ֣ישׁ מַ֭חְסוֹר אֹהֵ֣ב שִׂמְחָ֑ה אֹהֵ֥ב יַֽיִן וָ֝/שֶׁ֗מֶן לֹ֣א יַעֲשִֽׁיר
STATEN

Die blijdschap liefheeft, die zal gebrek lijden; die wijn en olie liefheeft, zal niet rijk worden.

18
כֹּ֣פֶר לַ/צַּדִּ֣יק רָשָׁ֑ע וְ/תַ֖חַת יְשָׁרִ֣ים בּוֹגֵֽד
STATEN

De goddeloze is een rantsoen voor de rechtvaardigen, en de trouweloze voor de oprechten.

19
ט֗וֹב שֶׁ֥בֶת בְּ/אֶֽרֶץ מִדְבָּ֑ר מֵ/אֵ֖שֶׁת מדונים וָ/כָֽעַס מִדְיָנִ֣ים
STATEN

Het is beter te wonen in een woest land, dan bij een zeer kijfachtige en toornige huisvrouw.

20
אוֹצָ֤ר נֶחְמָ֣ד וָ֭/שֶׁמֶן בִּ/נְוֵ֣ה חָכָ֑ם וּ/כְסִ֖יל אָדָ֣ם יְבַלְּעֶֽ/נּוּ
STATEN

In des wijzen woning is een gewenste schat, en olie; maar een zot mens verslindt zulks.

21
רֹ֭דֵף צְדָקָ֣ה וָ/חָ֑סֶד יִמְצָ֥א חַ֝יִּ֗ים צְדָקָ֥ה וְ/כָבֽוֹד
STATEN

Die rechtvaardigheid en weldadigheid najaagt, zal het leven, rechtvaardigheid en eer vinden.

22
עִ֣יר גִּ֭בֹּרִים עָלָ֣ה חָכָ֑ם וַ֝/יֹּ֗רֶד עֹ֣ז מִבְטֶחָֽ/ה
STATEN

De wijze beklimt de stad der geweldigen, en werpt de sterkte huns vertrouwens neder.

23
שֹׁמֵ֣ר פִּ֭י/ו וּ/לְשׁוֹנ֑/וֹ שֹׁמֵ֖ר מִ/צָּר֣וֹת נַפְשֽׁ/וֹ
STATEN

Die zijn mond en zijn tong bewaart, bewaart zijn ziel van benauwdheden.

24
זֵ֣ד יָ֭הִיר לֵ֣ץ שְׁמ֑/וֹ ע֝וֹשֶׂ֗ה בְּ/עֶבְרַ֥ת זָדֽוֹן
STATEN

Die een hovaardig pocher is, zijn naam is spotter; hij gaat met hovaardige verbolgenheid te werk.

25
תַּאֲוַ֣ת עָצֵ֣ל תְּמִיתֶ֑/נּוּ כִּֽי מֵאֲנ֖וּ יָדָ֣י/ו לַ/עֲשֽׂוֹת
STATEN

De begeerte des luiaards zal hem doden, want zijn handen weigeren te werken.

26
כָּל הַ֭/יּוֹם הִתְאַוָּ֣ה תַאֲוָ֑ה וְ/צַדִּ֥יק יִ֝תֵּ֗ן וְ/לֹ֣א יַחְשֹֽׂךְ
STATEN

Den gansen dag begeert hij begeerlijke dingen; maar de rechtvaardige zal geven, en niet inhouden.

27
זֶ֣בַח רְ֭שָׁעִים תּוֹעֵבָ֑ה אַ֝֗ף כִּֽי בְ/זִמָּ֥ה יְבִיאֶֽ/נּוּ
STATEN

Het offer der goddelozen is een gruwel; hoeveel te meer, als zij het met een schandelijk voornemen brengen!

28
עֵד כְּזָבִ֥ים יֹאבֵ֑ד וְ/אִ֥ישׁ שׁ֝וֹמֵ֗עַ לָ/נֶ֥צַח יְדַבֵּֽר
STATEN

Een leugenachtig getuige zal vergaan; en een man, die hoort, zal spreken tot overwinning.

29
הֵעֵ֬ז אִ֣ישׁ רָשָׁ֣ע בְּ/פָנָ֑י/ו וְ֝/יָשָׁ֗ר ה֤וּא יכין דרכי/ו יָבִ֬ין דַּרְכּֽ/וֹ
STATEN

Een goddeloos man sterkt zich in zijn aangezicht; maar de oprechte, die maakt zijn weg vast.

30
אֵ֣ין חָ֭כְמָה וְ/אֵ֣ין תְּבוּנָ֑ה וְ/אֵ֥ין עֵ֝צָ֗ה לְ/נֶ֣גֶד יְהוָֽה
STATEN

Er is geen wijsheid, en er is geen verstand, en er is geen raad tegen den HEERE.

31
ס֗וּס מ֭וּכָן לְ/י֣וֹם מִלְחָמָ֑ה וְ֝/לַֽ/יהוָ֗ה הַ/תְּשׁוּעָֽה
STATEN

Het paard wordt bereid tegen den dag des strijds; maar de overwinning is des HEEREN.